Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2010

Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart.

woensdag, 17 februari, 2010

Joël 2:12-17
 
Als teken van rouw was het in Israël in de dagen van Joël de gewoonte je kleren te scheuren en as op je hoofd te strooien. Immers alles hier vergaat en jijzelf ook, je zult weer stof worden.  Uiterlijk vertoon van rouw. De profeet Joël neemt afstand van dit uiterlijk vertoon. Natuurlijk, je mag best laten zien dat je ergens verdriet over hebt. Geen verdriet hebben over ellende die je treft, over een geliefde die je ontvalt is onmenselijk. Maar dat verdriet moet niet alleen aan de buitenkant zitten, dat verdriet moet vooral aan de binnenkant zitten. Dat verdriet moet je voelen en je brengen tot ander gedrag al is het tot een blijvend gedenken van de geliefde om wie je rouwt. Niet dus zoals het kabinet dat liet bij zijn aantreden niet zien dat ze rouwt om alles wat er mis is in het land of er aan wil werken maar ging met z’n allen naar nauwkeurig uitgekozen plekken in het land en dan net doen of je het  land ingetrokken bent om te luisteren. Niet naar de voedselbanken natuurlijk, stel je voor dat men na drie jaar met dit kabinet tot de ontdekking komt dat de armoede is toegenomen, ook niet naar de asielzoekerscentra of een organisatie als Inlia, stel je eens voor dat ze Nederlanders ontmoeten die de vreemdelingen welkom heten in ons land, of gezinnen die in strijd met alle beloften van het kabinet toch op straat worden gezet. Ook niet opnieuw naar de oude buurten in de grote steden, want het kabinet zou eens tot de ontdekking mogen komen dat bevolkingsgroepen steeds verder uit elkaar drijven en tegen elkaar zijn opgezet. Ook ging het kabinet niet naar basisscholen want ze zouden er eens achter mogen komen dat het afschaffen van de Melkertbanen de kwaliteit van de scholen achteruit heeft doen gaan, ze waren dus ook niet op VMBO scholen want opvangen van drop outs en spijbelaars is een onbekend terrein voor dit kabinet. Opvang van kinderen in de tienerleeftijd waarvan de ouders werken is zelfs nooit op de agenda van het parlement gezet, er is geen buitenschoolse opvang voor tieners er zijn alleen klachten over hangjongeren. Ze waren ook niet bij Exodus te gast, de kerkelijke organisatie die ex gedetineerden opvangt en weer een eerlijke plek in de samenleving geeft, want dan zou het kabinet er achter komen dat de bezuinigingen op de gevangenissen alleen maar meer criminelen oplevert, ook gedetineerden moeten de veranderingen in hun hart kunnen voelen nietwaar. Bij Joël hadden de sprinkhanen alles opgegeten waar het volk van zou moeten leven. Ons kabinet ging dus kijken bij de bedrijven, want de directies, de raden van bestuur en de raden van commissarissen konden immers ongestoord doorgaan met de exorbitante zelfverrijking en kunnen dat gewoon ook na de crisis blijven doen. Joël roept op tot zorg voor elkaar en solidariteit tussen jongeren en ouderen, over het nieuwe zorgstelsel en de grote kosten daarvan voor de armen werd door ons kabinet dus niet gesproken, in de zorg is bijdragen naar draagkracht niet aan de orde. Volgens sommigen moeten de maatregelen van het kabinet gewoon beter worden uitgelegd. Dat doen we dus, en die volksvergadering is de volgende keer, zeer binnenkort, bij de stembus, laten we hopen dat het volk het dan heeft begrepen.

Zijn strijdkrachten zijn geweldig

dinsdag, 16 februari, 2010

Joël 2:1-11
 
Van wie zijn die strijdkrachten die zo geweldig genoemd worden zult U vragen? Van Henk Gemser? Of van Barack Obama? Beiden beheersen immers het nieuws. Met Henk Gemser moet Nederland Olympische medailles halen en met Obama moet de vrede aanbreken, de Nobel prijs voor de vrede heeft hij al. De profeet Joël heeft het echter over een ander leger. Niet zo vreemd want hij heeft zijn boek zo’n 2500 jaar geleden geschreven. Oude kost maar het werkt nog steeds. De eerste gouden medaille bij het schaatsen hebben we al, maar de dames haalden niets en de andere schaatsers doen het tot nu toe niet meer dan verdienstelijk. Alle gejuich in huizen, kroegen en pleinen, alle vertoon van oranje, draagt daar ook nooit iets aan bij. Zo zal ook Barack Obama niet de vrede op aarde brengen. Zelfs de veiligheid voor zijn eigen bevolking niet. Wapens en explosieven lijken nog steeds vrij verkrijgbaar in het land van Barack Obama en dagelijks wordt er daar op burgers geschoten met fatale afloop. Daar hebben ze zelfs geen oorlogen voor nodig, en die oorlogen hebben ze ook nog. Wij doen trouwens aan die oorlogen vrolijk mee. Joël heeft het over de liefde als over een machtig leger. In de jaren 60 zong de Amerikaanse zanger Pete Seeger al over een vreemde droom die hij had. In een kamer zaten de vertegenwoordigers van alle landen in de wereld en die beloofden elkaar plechtig alle wapens die er waren te vernietigen. En ze deden het ook nog. Alle mensen juichten ze toe want eindelijk hoefde niemand meer bang te zijn voor de dodelijke wapens die in omloop zijn. Het was maar een droom, maar een dergelijke droom had de profeet Joël ook. De oogst was verwoest, er was zelfs geen gras meer voor de koeien, geen boom voor de vogels. De sprinkhanen hadden alles kaalgevreten. En dan komt over de bergen de hulp die de verlossing brengt. Zo moet er in hongerend Afrika en in het verwoeste Haïti worden uitgekeken naar de hulp van de Verenigde Naties. Naar het zaad en de landbouwmachines, naar de jonge stieren en kalveren, zodat de eigen voedselvoorziening weer op gang gebracht kan worden. Na een periode van droogte en na de verwoestende aardbeving is immers alles verdwenen. Ook na een oorlog is alles weg. Alleen giften van buiten brengen een samenleving weer op gang. Geen soldaten of vlaggende Olympiërs kunnen daar tegenop. Olympiërs en andere in nationale kleuren geklede sporters als ambassadeurs van nationale eigenwaarde zijn maar schijn. Soldaten als bevrijders van geweld zijn een tegenstelling in zichzelf. Soldaten brengen geweld, lokken zelfs geweld uit maar stoppen het geweld maar zelden. Alleen een leger zoals Joël beschrijft in dit hoofdstuk, een leger van liefde, kan werkelijk zorgen voor vrede, vrijheid en welvaart op de wereld. Maar hopen dat iedereen zich aansluit, in beweging komt en zorgt dat ook iedereen mee gaat doen. Vanzelf gaat dat niet, we zullen er allemaal hard voor moeten blijven werken. En het mooiste is dat, ondanks alle fouten die we maken, ondanks ons eigen vertoon van geweld en macht, van nationale onverdiende trots, we ons elke dag ook weer kunnen en mogen aansluiten bij dat leger van liefde, door onze naaste lief te hebben als onszelf en te delen van wat we hebben.

O angstwekkende dag

maandag, 15 februari, 2010

Joël 1:15-20

Als er vandaag de dag één volk is waar we de noodkreten van kunnen verwachten die we in dit Bijbelgedeelte kunnen lezen dan is het wel van het volk van Irak. Jarenlang hebben ze gezucht onder de dictatuur van Sadam Hoessein, gesteund en bewapend door de Verenigde Staten kon hij zijn volk met terreur onderdrukken. Die dictator is nu door zijn voormalige vrienden, Amerika en Engeland, met steun van Nederland, van de troon gestoten maar die voormalige vrienden gaan opnieuw te keer tegen de burgerbevolking en obscure fundamentalisten maken er gebruik van om dood en verderf te zaaien. Van het eens zo paradijselijke land is weinig of niets meer over. Wat de toekomst voor de mensen in Irak is blijft voor hen duister. Vanwaar moet hun hulp komen. De vermoedelijke leider van de fundamentalisten is in het geweld omgekomen. Voormalig VVD minister Kamp vertelde dat hij er blij om was. Nederland kent de doodstraf niet en er is ook bijna niemand die de doodstraf wil invoeren maar een Nederlands minister is blij dat een vermoedelijke misdadiger zich niet voor de rechter hoeft te verantwoorden voor de misdaden waarvan hij beschuldigd wordt maar dat hij zich tot martelaar kon laten kronen. Van Sadam Hoessein kon iedereen in Irak dag in dag uit zien hoe slecht de man was, hoe onverschillig hij was voor het leven van anderen. Het proces mocht zich weliswaar voortslepen en de uitkomst stond misschien al vooraf vast maar nooit kan iemand meer ontkennen dat de bewijzen voor de onmenselijkheid van deze dictator overweldigend waren. Was de leider van de terroristen in Irak die gisteren is omgekomen soms ook een voormalige vriend van de Verenigde Staten? De vraag klinkt ons absurd in de oren maar ook zijn baas, Osama Bin Laden, is opgeleid door de Amerikaanse geheime diensten en bewapend in een oorlog die de VS welgevallig was. De profeet Joël roept de Heer aan. De enige echte machthebber in de wereld die zich laat kennen door de Liefde. Wie de woorden van Joël vandaag tot zich door laat dringen vraagt zich misschien af of het wel juist is dat we nu nog soldaten sturen naar Afghanistan. Moeten daar niet landbouwdeskundigen heen, en handelsvertegenwoordigers, onderwijskundigen, dokters en verpleegkundigen, mensen die het goede komen brengen aan volkeren die alleen nog het kwaad hebben ontmoet. Het kan toch niet zijn dat geweren het enige antwoord zijn dat Christelijke naties voorhanden hebben? Bush wilde zich in Amerika persoonlijk bemoeien met de vraag wie met wie mag trouwen maar hadden we hem niet beter opgeroepen zich buiten Amerika te bemoeien met het laten leven van de mensen op wie jacht werd gemaakt? Voor Joël was de sprinkhanenplaag een ramp die voor het volk bijna onoverkomelijk was. In onze dagen roept dat niet alleen het beeld op van Irak en Afghanistan maar ook dat van Haïti. Niet dat die ramp een straf is van God, ook Joël ziet de ramp niet als een straf, maar het gebod om elkaar lief te hebben had veel van de gevolgen kunnen voorkomen. Dat kan nog steeds. De dag des Heren waarover Joël spreekt kan ook het begin zijn van een nieuwe wereld. Een wereld waarin wij zorgen dat de mensen van Haïti in een zelfde welvaart kunnen leven als wij, dat de mensen in Irak en Afghanistan net zoveel vrede kennen als wij. Daarvoor zullen we moeten delen van wat we hebben, en hard werken, maar we mogen er al vandaag mee beginnen.

Roep op tot een plechtige samenkomst

zondag, 14 februari, 2010

Joël 1:1-14
 
Vandaag beginnen we weer eens te lezen in het boek van de profeet Joël. Wie dat was weten we niet meer. Wanneer het boek geschreven is weten we ook niet echt. De ene geleerde zegt dat het moet zijn in de laatste jaren voor de val van Jeruzalem in 586 voor Christus, andere geleerden hebben het zelfs over na de ballingschap. Het volk was in elk geval in de dagen van Joël apathisch, godsdienstig onverschillig en werd van buiten bedreigd. Tot overmaat van ramp kwam er een sprinkhanenplaag die alles verwoeste. Het boek kan zich ook tegen de leiders van het volk richten die niet goed weten te reageren op de sprinkhanenplaag. Hoe het ook is, het boek Joël vertelt ons hoe te reageren als ons een ramp overkomt. In het boek Handelingen kun je nog een preek lezen over Joël. Het is een preek van Petrus, de Pinksterpreek, die het volk herinnerde aan de belofte van Joël dat Gods Geest uiteindelijk het volk zou helpen de ramp te overwinnen. Joël had nog weet van de slavernij in Egypte. Daar was de sprinkhanenplaag de voorbode van de bevrijding geweest. Dat wisten ze toen in Egypte nog niet maar inmiddels woonde het volk Israel al sinds mensenheugenis in het beloofde land. Mochten ze daarom niet vertrouwen op een bevrijding uit de ellende? Dat zou moeten als men terugkeerde naar de Wetten die na de bevrijding werden ontvangen. De Wet van de Woestijn, van eerlijk delen, van zorgen voor elkaar. Zo kom je samen zo’n hongerperiode door. Wij weten dat van de honger in Afrika, die soms ook door sprinkhanen veroorzaakt wordt. Als we genoeg geven komt men de hongerperiode door, doen we dat niet dan sterven ze. We denken nu ook aan de aardbeving in Haïti, hele steden zijn verwoest en wegen om voedsel te transporteren ontbreken. Het overleven van dit arme volk hangt helemaal af van de bereidheid van rijke volken zich in te zetten. Joël begint met oproepen om samen te komen, een volksvergadering te beleggen. Zoals ook gedaan werd in de dagen dat er nog geen koning was. We hebben daarover in het boek Rechters kunnen lezen. Onverschilligheid tegenover de politiek is er dan niet meer bij. Bij een volksvergadering moeten we zelf nadenken en keuzes maken. Wij laten dat tegenwoordig liever aan de TV over. Heerlijk die discussies tussen politici. Commentatoren te over die er voor geleerd hebben en uit kunnen leggen wie gelijk heeft en wie struikelde. De problemen worden er niet door opgelost maar wie maalt daar nu nog om. Joël roept ondanks dat op om te laten zien en horen waar de problemen liggen. Bij hem is de oogst verloren gegaan, bij ons zijn broeders tegen broeders en zusters tegen zusters opgezet. Door Geert Wilders bijvoorbeeld die het de Koningin kwalijk neemt dat ze het gebod niet zomaar aan elkaar te zitten uit het Oude Testament en de Koran serieus neemt als ze een Moskee bezoekt en dus meeging in het niet geven van een hand. Geert Wilders zou het jammer vinden als we in vrede met elkaar konden leven, maar voor ons is in vrede met elkaar leven een levensvoorwaarde. Samen doen met alle mensen in de wereld is niet alleen van levensbelang voor al die armen in Afrika of Haïti, het is ook voor ons van levensbelang. Tijd om ons te laten horen dus.

Ik ben een vreemdeling

zaterdag, 13 februari, 2010

Exodus 2:11-22

Wat zou er worden van die zoon van de God zonder naam, dat betekent “Mozes” immers? Hij groeide op aan het Hof van de Farao van Egypte. Het Hof waar de dood heerste, waar levens niet telden maar waar de angst regeerde. De angst voor het vreemde, voor mensen met een ander geloof, zo’n geloof kan immers best radicaal zijn, kan best tot doel hebben dat alle andere geloven moeten worden onderworpen aan dat ene ware geloof? Mozes groeide op tot een voorbeeldig Egyptenaar. Zijn antwoord op onrecht was het doodslaan van de onrechtvaardige. Zijn poging vrede te stichten opende zijn ogen voor wat de gevolgen kunnen zijn van het gebruik van geweld. Maar het antwoord van Mozes was de vlucht, de angst die ook aan het Hof heerste. Mozes moest nog veel leren. Maar Mozes droeg al één eigenschap met zich mee, hij kwam op voor de zwakkere, hij verzette zich tegen geweld, al gebruikte hij het wel. Hij kwam dan ook niet zomaar bij een waterput. Die waterput staat al eerder in Bijbelse verhalen die gaan over de tijd van voor Mozes. Bij die waterput trof de dienstknecht van Abraham Rebekka aan, die later met Izaäk zou trouwen. Bij diezelfde waterput ontmoette Jakob zijn lieveling Rachel. Mozes trof er zeven zusters, dochters van een priester  van Midian, zeven het getal van de volheid. De vrouwen werden verjaagd door herders uit diezelfde landstreek. Wie de macht over het water heeft in een woestijn heeft ook de macht over mensen. Weer grijpt Mozes in ten gunste van de zwakken in het conflict. Hij bevrijdde de vrouwen, in de Nieuwe Bijbelvertaling is dat element van bevrijding verdwenen, de Statenvertaling had het zelfs over verlossen, maar ook de Naardense Bijbel spreekt over bevrijding van de macht van de herders. Dat scheelt natuurlijk een hoop tijd voor de vrouwen, als je altijd achteraan komt dan gaat er ook veel tijd in je leven verloren. Mozes blijft bij hen wonen, trouwt en krijgt een zoon. Dan blijkt dat hij geleerd heeft wat het is om vreemdeling te zijn in een vreemd land. Voor Abraham, Izaäk en Jakob waren er nog nauwe banden geweest met het land waar Mozes heen vluchtte, Mozes werd aangesproken als Egyptenaar. Geweld en angst zijn dus geen oplossingen voor de verhouding tussen mensen, zelfs niet tussen mensen van verschillende afkomst of mensen van verschillend geloof. Wat voor priester die schoonvader van Mozes is weten we niet, later zal hij zich bij het volk Israël aansluiten. Mozes blijft zijn hele leven een vreemdeling, zwervend door de woestijn, zelfs het land waarheen hij zijn volk zou brengen zal hij niet binnengaan. Wie wil leven als Mozes moet dus allereerst leren dat hij een vreemdeling is. Maar als je zelf een vreemdeling bent hoef je geen geweld te gebruiken tegen andere vreemdelingen, hoef je je niet af te zetten tegen een andere godsdienst van die andere vreemdelingen. Als je zelf vreemdeling bent kijk je wel uit geweld te gebruiken. Als je vreemdeling bent dan zoek je mensen op wie je onvoorwaardelijk kunt vertrouwen en die onvoorwaardelijk op jou kunnen bouwen. Zorg voor zwakken en verdrukten is daarbij het eerste waar je je op richt, die zullen weten hoe belangrijk het is om van je naaste te houden als van jezelf. Vandaag kunnen we al verder gaan als vreemdelingen, zelfs in ons eigen land.

Ik heb hem uit het water gehaald

vrijdag, 12 februari, 2010

Exodus 2:1-10

Die Mozes in dat biezen mandje is altijd nog een mooi en ontroerend verhaal. Kinderlijk verteld is het het verhaal over de ontsnapping die zwakke mensen soms kunnen vinden uit benarde omstandigheden en een boze buitenwereld. Maar dan is het verhaal pas verteld aan kinderen. Dat is niet zo erg, maar als je het verhaal blijft lezen alsof je een kind was dan mis je toch het een en ander aan boodschap. Want het zou je toch op moeten vallen dat bijna al die mensen genoemd worden zonder naam. Een man, die trouwde met een vrouw, die een kind kreeg dat een jongetje was, die mooi was en drie maanden verborgen werd gehouden en toen in een biezen mandje aan de Nijl werd toevertrouwd, een Prinses die het kind vond, toevertrouwde aan de zuster van het kind die de moeder als voedster inschakelde en toen, toen het kind groot was, kwam het weer bij de Prinses en kreeg het een naam : Mozes. In het Egyptische net zoiets als Ramses, zoon van Ra, maar hier Zoon van… genoemd, want ja, zoon van wie? In het Hebreeuws is het “hij die optilt”, want het was immers Mozes die veel later het hele volk zou optillen uit zijn benarde positie als slaven in een vreemd land. En waarom krijgt Mozes die naam? Omdat hij uit het water is getrokken staat er letterlijk. Hoe zat dat ook al weer met dat water? Zweefde de Geest van God niet over de wateren toen de schepping begon? Toen aarde werd geschapen in mensenland? En is de Geest van God niet het goede dat we tegen kunnen komen. Het goede dat zich meester heeft gemaakt van een Egyptische Prinses die hier de verlosser van Israël uit het water van de dood trekt? Het boek Exodus wordt in het Hebreeuws het boek van de namen genoemd. En namen spelen in het boek een grote rol. Ze spelen een nog grotere rol als ze afwezig zijn kennelijk. Al die mensen die hier in het verhaal betrokken zijn zijn uitwisselbaar. De moeder zoogt, de prinses voedt op, de zuster verbind, de vader trouwt en het kind is overgeleverd aan de goedheid van mensen. Pas als het goede ook echt gebeurd is, als de Prinses het kind als zoon erkent krijgt die zoon een naam, Mozes. Over het algemeen zijn onze namen gekozen niet op hun betekenis maar op hun klank, of er wordt iemand mee geëerd of herdacht. Je kunt misschien zeggen dat onze namen gekozen worden op basis van liefde, dit vonden wij mooi, of waardevol en daarom noemen wij dit ons kind op deze manier. In onze dagen krijgt zo’n naam dus pas haar werkelijke betekenis als we die liefde weten te delen met de hele wereld, als we dus onszelf weten te delen met de hele wereld. Dat is wat deze naamloze Egyptische Prinses doet, wat haar opvoeding tot gevolg heeft komen we nog te weten. Maar tot dat delen van liefde zijn wij geroepen. Door dat delen kunnen we anderen bevrijden van slavernij, van de afhankelijkheid van prestatiedrang, van geboden opgelegd door een cultuur, van de dwang om meer en altijd meer te presteren en te consumeren. Die bevrijding is de Weg van de God van Israël, een weg die we mogen gaan, door het water van de dood heen, naar het land waar alle mensen mogen en kunnen wonen. Ook vandaag kunnen we daarheen op weg gaan.

Vernietigen zal ik het niet

donderdag, 11 februari, 2010

Jeremia 4:23-31

Ook in de zwartste dagen voor het volk van Juda laat de profeet Jeremia nog een enkel sprankje hoop bestaan, het land zal niet vernietigd worden. Het moet het soort hoop zijn dat Nelson Mandela het deed uithouden in de gevangenschap op Robbeneiland. Tientallen jaren duurde die gevangenschap maar als een ongebroken man kwam hij er uit. Juist omdat de strijd al die jaren was doorgegaan, juist omdat zijn gevangenschap een teken voor de hele bewoonde wereld was geworden. Maar zover is het nog lang niet voor Juda. Ze zal door een diep dal moeten gaan om te ervaren dat al die valse goden waar ze achteraan gelopen is niets waard zijn en geen mens kunnen helpen. Alleen de Weg van de God van Israël kan mensen helpen. Als je die weg gaat zet je je onophoudelijk en zonder aarzelen voortdurend in voor de naaste, voor de minsten in de samenleving. Als een heel volk dat doet hoef je niet te roepen wanneer je zelf in nood zit, hulp is er dan in overvloed, want immers de God van Israël gaat zelf mee op die weg van heb uw naaste lief als uzelf. In het visioen van Jesaja is de aarde weer teruggekeerd naar de dagen voor de schepping, de aarde was woest en ledig, er was geen licht. Alles wat God had geschapen om de aarde tot een mensenland te maken was verdwenen, de aarde was weer woestijn. Want alleen de Weg van de God van Israël kan de aarde blijvend tot mensenland maken. Daarbij gaat het niet om het uiterlijk, verfraaien van mensen, verfraaien van gebouwen, verfraaien van steden, dat maakt van van de aarde nog geen mensenland. De bondgenoten die onder de indruk zouden kunnen zijn van al dat moois zijn de verkeerde bondgenoten die storten je eerder in het ongeluk. Ook in onze dagen kennen we de leiders van het volk die met de ogen dicht achter bondgenoten aanlopen en zich niet afvragen wat de gevolgen voor eenvoudige en weerloze mensen kunnen zijn, wat ook de gevolgen zijn voor het recht dat tussen volken behoort te heersen. Niet de macht moet ons verleiden tot daden, niet de welvaart of de rijkdom moet ons onze vrienden laten uitkiezen. Niet het geweld en de smaak van overwinning moet ons in beweging zetten. Uit de manier waarop Jesaja hier de geschiedenis van de staatjes Israël en Juda schetst moet ons duidelijk worden dat wij onze geschiedenis anders moeten laten verlopen. In plaats van op de machtigen moeten we ons richten op de zwaksten op aarde. In plaats van op rijkdom en welvaart moeten we ons richten op honger en armoede. In plaats van op oorlog en geweld moeten we ons richten op vrede en gerechtigheid. Daarvoor moeten we geen aalmoezen geven als er weer eens een ramp gebeurd, verkeerd is het niet maar het bepaald niet onze richting van leven. Daarvoor moeten we eerlijke handelsverhoudingen scheppen. Daarvoor moeten we kennis overdragen die we konden verwerven omdat we zo goedkoop de grondstoffen uit arme landen konden laten komen. De voorsprong die het rijke westen op de armste landen heeft heeft ze te danken aan de oneerlijke verhoudingen tussen rijken en armen. Willen wij rampen, als door Jeremia geschetst ontlopen, dan zullen we een andere weg moeten gaan, de weg van gerechtigheid, de Weg van de God van Israël.

Ik stuur een woeste wind.

woensdag, 10 februari, 2010

Jeremia 4:11-22

Je kunt dus wel vroom gaan bidden in nood, of God het onheil wil afweren, maar bidden in nood helpt dus nooit schrijft ons de profeet Jeremia. Wat helpt is oprechte bekering tot de Weg van de God van Israël, maar vroom bidden is eigenlijk het tegendeel van wat de God van Israël vraagt. Het lijkt in strijd te zijn met wat veel later Jezus van Nazareth zijn volgelingen zou voorhouden als hij zegt: “bid en U zal gegeven worden”. Maar dat bidden gaat over het dagelijks brood en dat wat nodig is voor de ander, voor de naaste, dat bidden gaat niet over het afwenden van rampen die jezelf dreigen te treffen. Daarvoor is het zuiveren van je hart nodig zoals hier tot Jeruzalem wordt geroepen. Jeruzalem is de stad van de Tempel en de stad van de Koning. Koningen roepen hun onderdanen ten strijde en smeden bondgenootschappen met andere sterke koningen om de vijand te weerstaan. De Tempel roept op om niet te doden, om van je naaste te houden als van jezelf, Jezus van Nazareth zou het later vertalen in zelfs je vijanden liefhebben. Tussen die twee uitersten, die hier samen in Jeruzalem verenigd zijn, zullen we moeten kiezen. En zolang gekozen wordt voor de wijze van de koningen blijft het gevaar bestaan, hoe vurig er ook tot God gebeden wordt. Het gaat immers in het soort geloof dat in de Bijbel wordt verkondigd niet om te roepen dat de Heer God is, mooie woorden tellen niet mee, maar dat je gaat doen wat er met die God is afgesproken, recht doen aan mensen, zorgen voor de minsten in de samenleving. Is er dan geen uitweg uit de nood? Volgens Jeremia moet er ergens een uitweg zijn blijven bestaan. Hij hoort zijn God praten over “mijn” volk als onderscheid met alle andere volken. Dat volk blijft dus van de God van Israël en daarmee blijft die God ook hun God. Maar als dat volk andere goden blijft nalopen, blijft doen wat in de wereld gebruikelijk is dan helpt er geen bidden en smeken aan. In deze dagen vragen bij ons de oordelen over de oorlog in Irak en onze bijdrage aan vrede in Afghanistan de aandacht. In Irak was ook de vraag of we meegingen met militair geweld zoals dat werd gedaan door Amerika en Engeland of dat we bereid waren een andere weg te zoeken om het volk van Irak recht te doen. Wij hebben ons in een militair avontuur gestort en het oordeel is dat daarmee het internationale recht waartoe we ons hadden verbonden ernstig is geschonden. Die schending van dat recht kan ook anderen er toe brengen oorlogen te voeren in strijd met dezelfde regels maar volgens de dezelfde redeneringen als in Amerika en Engeland zijn toegepast. Oorlog betekent altijd dat er onschuldige slachtoffers vallen. Ook in Afhganistan hebben we de keuze tussen meegaan in militaire avonturen of samen met de hele bevolking, dus ook met de aanhangers van Taliban, proberen het land zo op te bouwen dat de mensen daar in vrede en vrijheid kunnen leven, kunnen delen wat ze samen verdienen en dat iedereen mee kan doen en recht wordt gedaan. De waarschuwingen die Jeremia in de zwartste tijd voor zijn volk moest doen mogen ook in onze dagen gehoord worden. Wij hebben de tijd en de gelegenheid om keuzes te maken voor de vrede, voor de zwaksten, en we hebben de gelegenheid met die keuzes vandaag te beginnen.

Wij zouden in vrede leven

dinsdag, 9 februari, 2010

Jeremia 4:5-10

Jeremia leefde in een woelige tijd. Aanvankelijk hadden zijn oproepen tot bekering wel een beetje succes. De dreiging van Assyrië was immers groot, het noordelijk koninkrijk Israël was ten gronde gegaan. Maar de dreiging van Assyrië verdween en tijdens de regering van Jojakim leek alles veilig. Dus ging men weer over tot het leven van alledag, wat moet je anders. Maar dat betekende ook dat de oude gewoonten weer de kop opstaken. Heel lang had men op de hoeken van de velden de Asjerapalen opgericht, gewijd aan de godin Asjera die de vruchtbaarheid zou verzekeren en er voor zou zorgen dat de aarde de oogst voort zou brengen. Ook waren er zo her en der weer beelden te vinden. En de God van Israël? Dat was een zaak voor Jeruzalem, als je er kwam voor handel of familiebezoek, dan kon je vast en zeker ook een offer brengen in die Tempel. Dat voor de veiligheid van een volk ook saamhorigheid nodig is, dat je dan juist onvoorwaardelijk op elkaar moet kunnen bouwen, dat iedereen mee moet kunnen doen, werd vergeten en verwaarloosd. Maar juist daarom was het dat die God van Israël geen vreemde goden naast zich dulde. Ook in onze dagen lijkt met het verdwijnen van de acute verschijnselen van de crisis het oude leven weer hervat te worden. De industrie en de handel groeien weer, op energie kunnen we verder bezuinigen en de banken vallen niet meer om maar overleven. Maar ook bij ons steken de oude slechte gewoonten de kop weer op. Bankiers krijgen weer bonussen in het vooruitzicht als er snel winst gemaakt wordt en krijgen riante afvloeiingsregelingen als ze falen. Verscherpt toezicht is te ingewikkeld en dezelfde mensen van voor de crisis zitten op dezelfde stoelen en doen hetzelfde als voor de crisis ook al was de crisis mede door hun handelen of nalaten ontstaan. In de dagen van Jeremia werd de dreiging van gevaar alleen maar groter. Er kwam een geweldige dreiging uit het Noorden. Een dreiging die eerst de Assyriërs onder de voet zou lopen en daarna niet alleen het al verwoeste koninkrijk Israël maar ook het koninkrijk Juda. Opsluiten in versterkte steden of vluchten naar de Tempel in Jeruzalem had allemaal geen zin meer. Nood leert weliswaar bidden maar dat bidden weert geen bedreiging af. Daarom wordt het volk opgeroepen om zich in zak en as te hullen alsof men in de rouw is. Als het gevaar niet afgewenteld kan worden dan zal dat de dood van velen betekenen en dan kun je maar beter vast gaan rouwen. Wij hebben nog de gelegenheid onze volksvertegenwoordigers te wijzen op de noodzaak van een grondige verandering. Een verandering waarbij de banken niet meer in de eerste plaats op hun winst letten maar in de eerste plaats op de gevolgen voor de armen in de samenleving. Onverantwoorde hypotheken verlenen, onverantwoorde leningen verstrekken, woekerpolissen afsluiten, het zijn zaken die strafbaar gesteld zouden moeten worden. En als toezichthouders overtreders van de regels met naam en faam bekend zouden maken dan worden banken wel zo bang voor een bankrun dat ze het wel uit hun hoofd zullen laten om regels te overtreden. We moeten er mee aan het werk want we kunnen het niet aan laten komen op een nieuwe dreiging, dat kunnen we de armsten in onze samenleving niet aandoen.

Jullie zullen “vader” tegen mij zeggen

maandag, 8 februari, 2010

Jeremia 3:19-4:4

Wat is dat nu? Kan God iets denken dat vervolgens niet gebeurd? Is God niet almachtig of moeten we de profeet Jeremia niet zo letterlijk nemen? Het antwoord op beide vragen is dat je dat inderdaad niet moet geloven of doen. God als almachtige benoemen betekent niet dat God niet kan veranderen in zijn denken. Zo wordt de God van Israël tenminste ervaren in de Bijbel, zo heeft Jeremia die God ook ervaren en daarover schrijft hij hier. Hij schrijft hier niet over historische feiten die hij van God heeft gehoord over het verloop van Gods denken, maar over de “goddelijke” betekenis van de geschiedenis van het volk zoals hij die heeft gekend en ervaren. Dat het volk God ontrouw is geworden staat inmiddels wel vast. Vanaf de dagen in de Woestijn was het volk duidelijk dat er één God van Israël was die geen andere goden naast zich dulde. Er konden best heel veel mensen in die andere goden geloven, voor het volk zou het zo moeten zijn dat ze niet bestonden. Dat houden de profeten het volk ook steeds voor, gouden en houten beelden, door mensen gemaakt, stellen niks voor, die werken niet. En daarmee zijn we ook in onze tijd aangeland. Want ook in onze dagen zijn er stoere stemmen die beweren dat ze alles weten en alles onderzocht hebben. Niemand kan bewijzen dat God bestaat. Dat is waar, als we dat konden bewijzen hoefden we ook niet meer te geloven. Niemand kan echter ook bewijzen dat God niet bestaat, daarom blijft er niet anders over dan te geloven dat er een God is zoals beschreven is in de verhalen van het Oude en Nieuwe Testament. De “Wetenschap”, de “Zuivere Rede” als goden aanhangen, daarin geloven is dus net zo stom als geloven in die gouden en houten beelden uit de tijd van Jeremia. In de wetenschap hoef je immers niet te geloven, wat er in de wetenschap te weten is kun je dus weten, geloven hoeft daarin niet meer. Blijft de vraag wat we nu moeten met die God van Israël. Tegen Juda en Jeruzalem werd door Jeremia gezegd dat ze nieuw land moeten ontginnen, onkruid wieden en opnieuw aan de gang gaan. Maar wat moet je nu met je voorhuid van je hart? In oude tijden waren de voorhuiden van je vijanden het teken van je macht en van je overwinning. Het volk van Abraham werd onoverwinnelijk toen ze zichzelf van hun voorhuid lieten ontdoen. Dat was de eerste betekenis van de besnijdenis. Later werd het het teken van het verbond met de God van Israël. Het volk zou zorgen voor het heb-uw-naaste-lief-als-uzelf door volgens die regel te gaan leven en de God van Israël zou zorgen voor vrede en een land waar mensen konden leven. Dat afzweren van  oorlog door je onoverwinnelijk te maken, door het onmogelijk te maken dat je vijand nog aan jou zijn macht en overwinning kan afmeten is het begin van de vrede. Dat doe je niet alleen door de feitelijke besnijdenis zegt Jeremia, maar dat doe je door je manier van leven, uit al je daden en handelen moet het spreken dat je het goede wil doen en niet dan het goede. Daarom moeten we beseffen dat wetten tegen exorbitante zelfverrijking niet op zichzelf mogen staan, ze moeten gepaard gaan met een houding van een heel volk dat rechtvaardig delen stelt boven hebben en nog meer hebben. Daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.