Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor november, 2007

Hij is geen God van doden

dinsdag, 20 november, 2007

Lucas 20:27-40

Er waren in de dagen van Jezus van Nazareth twee stromingen in Israel. De Farizeeën geloofden in de opstanding van de doden en de Saduceeën niet. Jezus van Nazareth was in zijn opvattingen het meest verwant aan de Farizeeën, hij sprak ook met enige regelmaat in hun Synagogen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Saduceeën probeerden de opvattingen van Jezus van Nazareth over de opstanding der doden onderuit te halen. En dat ging dan met het soort fantasieën die we ook in de eerste brief aan de Tessalonicenzen hebben gelezen. Hoe gaat dat nu als iedereen opstaat uit de doden? Zien we elkaar dan weer? En met wie zijn we dan getrouwd als we bij leven met meerdere mensen getrouwd waren? Er zijn op deze manier vele vragen te stellen. Jezus van Nazareth geeft wel antwoord maar gaat niet precies uitleggen hoe de techniek van de opstanding er uit zal gaan zien. Het enige dat vaststaat is dat er een komende wereld is, de wereld waarin alle tranen gedroogd zullen zijn en God zelf op aarde zal wonen. Een wereld waar de Liefde zal regeren en alle kwaad verdreven zal zijn. Al die mensen die het goede zochten te doen en niets dan het goede zullen daar deel aan hebben. Als Jezus dat heeft uitgelegd volgt er een merkwaardige opmerking. Hij verwijst naar de passage in het oude testament waarin God zich voorstelt aan Mozes, “Ik ben de God van Abraham, Izaak en Jacob”, de God dus van de geschiedenis van het volk Israel. Die Abraham, Izaak en Jacob zijn volgens Jezus van Nazareth dus geen dode pieren uit een vervlogen historie maar levende getuigen van de macht van de God die zich aan Mozes voorstelt. Daarmee wordt de komende wereld waar Jezus over spreekt niet een wereld die er ooit wel eens zal komen, maar een wereld die er nu al is. Deze God die zich aan Mozes voorstelde was toch immers een God “die mee zal trekken”, en zo zelfs wilde heten. Daarmee is de vraag naar de opstanding van de doden, en alle vragen die daarmee samenhangen, van geen waarde meer voor mensen. De vraag is of er al iets van de komende wereld in ons leven te bespeuren is. Worden alle tranen gewist en zijn wij daar dag in dag uit mee bezig? Worden de hongerigen gevoed en de naakten gekleed? Worden de gevangenen bezocht? Wordt de vrede gesticht? Net als bij de vragen naar het bestaan van God en naar de plaats van hemel kom je in de Bijbel telkens weer uit bij de vraag hoe mensen met elkaar omgaan. In het antwoord op die vraag is het antwoord op de vraag naar God te vinden. Dat antwoord is zelfs niet te vinden in een zogenaamde persoonlijke relatie met een god. Altijd vraagt deze God naar je relatie met de minsten onder ons, vanwege die vraag ,die God voortdurend stelt, is onze God meer dan nodig. Als God zich niet op die manier aan Mozes had geopenbaard moesten wij hem vandaag nog uitvinden.

Ze hielden hem echter in de gaten

maandag, 19 november, 2007

Lucas 20:20-26

Over privacy bestaan nogal wat misverstanden. We denken al snel dat privacy te maken heeft met prive. En met prive heeft niemand wat mee te maken maar als de overheid er naar wil kijken dan moet dat kunnen. Wij doen immers niks fout en als ze boeven kunnen vangen door iedereen af te luisteren en te bekijken dan moet dat maar. In dit verhaal over Jezus van Nazareth leren we dat we er toch voorzichtig mee moeten zijn. Als wij het goede willen doen en niets dan het goede dan zou daar niets verkeerds aan moeten zijn. Maar in de geschiedenis is het maar al te vaak zo dat machthebbers en rijken een hekel hebben aan het goede doen. Wij vinden het goed dat er een vrije en onafhankelijke pers is die ons bericht over wat de overheid doet zonder dat de overheid daar invloed op kan hebben. Maar zelfs onze eigen democratisch gekozen en gecontroleerde overheid breekt in in computers van onafhankelijke kranten om de berichtgeving te kunnen beïnvloeden voordat wij die hebben kunnen lezen. In de dagen van Jezus van Nazareth werd ook hij in de gaten gehouden om hem te kunnen betrappen op uitlatingen die hem voor de rechter zouden kunnen brengen. De belasting werd in dit verhaal gebruikt als valkuil. De meeste rijken houden niet van belasting betalen en willen niet, net als de armen, meebetalen voor straten en straatlantaarns, huizenbouw, scholen en universiteiten en uitkeringen als je zonder loon komt te zitten. In de dagen van Jezus van Nazareth was dat niet anders. Maar de grote vraag was of zijn onverkorte trouw aan de Wet van eerlijk delen zoals die in de Tempel werd bewaard hem niet in conflict zou brengen met de bezetter. De belasting werd niet alleen door de Tempel geheven om die in stand te houden maar ook door de Romeinse Keizer. Jezus lost dat op door op de munt zelf te wijzen. Alle mensen zijn naar Gods beeld gemaakt, ook de Keizer van Rome. God geven wat van God is betekent dus niets meer of minder dat je jezelf in dienst stelt van de liefde voor de naaste, voor de minste en dat je daar ook het beeld van God dat op de munt staat voor gebruikt, die Keizer is geen god maar net als jij en ik een beeld van God. Als je dat gelooft dan is er van trouw aan een vreemde keizer geen sprake, maar als je gelooft dat die keizer ook een god is, of met God niets van doen heeft, dan kun je rustig belasting betalen. De keus is dus niet aan Jezus maar aan jou en mij. Bemoeien wij ons in de democratische samenleving, met de keus voor de besteding van belasting, zijn we actief in het beïnvloeden van de politiek, of laten we de boel de boel. Dat is de keuze die Jezus van Nazareth ons vandaag voorlegt. De keus is aan ieder van ons.

Bang voor de reactie van het volk.

zondag, 18 november, 2007

Lucas 20:9-19

Wij zijn er aan gewend. Opiniepeilers vertellen je wekelijks, zo nodig dagelijks, wat het volk vindt. Noem een onderwerp en een opiniepeiler heeft er een vraag over gesteld.Opiniepeilingen zijn zo populair dat sommige TV programma’s hun eigen onderzoek hebben georganiseerd. Ze sturen ’s morgens een mailtje rond om ’s avonds duidelijk te maken dat de meerderheid van het volk het weer niet eens is met de regeerders in het land. De mening van het volk stuurt menig machthebber. Dat was al in de dagen van Jezus van Nazareth zo. Dat de machthebbers de erfenis van het volk Israel hadden verkwanseld aan de Romeinen om rust te houden kon ze niet schelen. Dat daarbij de armen, de zieken, de weduwen en de wezen buiten spel waren komen te staan kon ze ook niet schelen. Dat je juist die Romeinen de wind uit de zeilen kon nemen door je weer te gaan houden aan de Wet van eerlijk delen, aan het gebod je naaste lief te hebben als jezelf, ontging ze. Die houding maakt Jezus van Nazareth maar al te duidelijk. De zorg die hij laat zien voor gewone, zwakke mensen die afhankelijk zijn van de luimen van de rijken en de machtigen maakt hem populair. Dat hetzelfde volk net zo gemakkelijk gemanipuleerd en opgezweept kan worden ontdekt hij misschien te laat, als hij aan het kruis hangt verzucht hij nog dat ze niet weten wat ze doen. In onze democratie speelt de mening van het volk een nog grotere rol. Eén maal per vier jaar immers mogen we stemmen op de partij die we aan de macht willen brengen. En elke partij wil de macht vergroten of in elk geval behouden. De opiniepeilingen zijn daarbij een probleem gaan vormen. We kennen immers de achtergronden van de meeste problemen en gepresenteerde oplossingen niet. We zijn niet in staat alle rapporten van wetenschappers en ambtenaren door te lezen en te begrijpen. De meerderheid van het volk kiest dus gemakkelijk voor de eenvoudige slagzinnen. “Als je iets niet kent moet je er bang voor zijn” is de meest populaire slagzin. Die is al heel oud. Vroeger speelde die een rol tussen inwoners van verschillende dorpen en ook nu nog vallen er soms slachtoffers als bezoekers uit het ene dorp ruzie krijgen met bewoners van het dorp waar ze op bezoek zijn. Maar schelden op allochtonen en roepen dat immigratie op grond van geloof moet worden verboden is vager en gemakkelijker onder het volk te verkopen. Wie kent immers dat vreemde geloof van de Islam? Daar moet je dus bang voor zijn. Daar moet je dus vooral niet mee gaan praten, en zeker niet mee gaan eten. De Bijbel schrijft ons voor een paar keer per jaar te gaan eten met de vreemdelingen in ons midden. De Bijbel leert ons nergens bang voor te zijn, zelfs niet voor de dood. De Liefde van God overwint immers alle kwaad, heeft alle kwaad van de wereld al lang overwonnen.
 

Wie heeft u die bevoegdheid gegeven?

zaterdag, 17 november, 2007

Lucas 20:1-8

Je kunt toch niet zomaar de armen de bevrijding van de armoede verkondigen? Dat haalt de hele samenleving omver. Opnieuw een verhaal over Jezus van Nazareth. Net als vandaag de dag was ook in zijn dagen de vraag of de ordelijke samenleving belangrijker was dan het lot van de mensen. En met dat argument van de ordelijke samenleving worden de machthebbers van zijn tijd klem gezet. Johannes de Doper was immers een martelaar geworden. Onthoofd door Herodes, een koning waar, zeker het religieuze deel, de bevolking een geweldige afkeer had. Die koning regeerde niet namens de God van Israel maar namens de Romeinse Keizer die zichzelf ook als een god liet aanbidden. Als je nu antwoordt dat die Johannes de Doper opgetreden was namens zichzelf dan had je de poppen aan het dansen. Dan kozen de religieuze leiders van de Tempel de kant van de gehate Herodes. Maar als ze hadden gezegd dat Johannes de Doper optrad op last van God zelf dan hadden ze zich moeten omkeren. Dan hadden ze zelf de bevrijding van de armen moeten gaan verkondigen. Het is het gedraai waar ook onze politici zo vaak voor staan. Moeten we de rijken beschermen in hun rijkdom of moet er toch worden gedeeld met de armen. In onze dagen hebben politici zelfs mensen in dienst die het draaien zo onder woorden brengen dat we het bijna niet door hebben, spin docters heten ze. Minister President Balkenende had volgens Haagse waarnemers lang de beste spin doctor in dienst. Nu Balkenende gedwongen lijkt te worden af en toe een concessie te doen aan een eerlijker samenleving, een rechtvaardiger samenleving, is die spin docter niet meer nodig. De leiders uit de dagen van Jezus van Nazareth lieten maar in het midden op grond waarvan Johannes de Doper optrad. Ze bleven daarmee aan de kant staan, het volk kon geloven wat het wilde, maar Herodes kon blijven regeren namens de Keizer in Rome. De ordelijke samenleving kreeg daarmee de bovenhand boven de zorg voor de minsten in de samenleving. De dag van respect in Nederland was bijna op eenzelfde keus uitgelopen. Eindelijk stond ons parlement aan het eind van de dag op tegen de onruststokers en de onheilbrengers van de Partij van de Vrijheid zonder democratie. Toen die wilden voorstellen de emigratie van Islamieten maar geheel te verbieden weigerde de Kamer dat voorstel zelfs maar in behandeling te nemen. En terecht. Hoe onze samenleving zich ook ontwikkeld we kunnen en mogen niemand uitsluiten. Dat niet iedereen uit de hele wereld hier kan komen wonen hebben we lang geleden al vastgelegd, maar iedereen heeft er recht op zelf een gezin te vormen waar liefde kan worden geoefend, de liefde die we in de samenleving zo hard nodig hebben.

Leef in vrede met elkaar

vrijdag, 16 november, 2007

1 Tessalonicenzen 5:12-28

Hiermee sluiten we het lezen van het oudste geschrift uit het Nieuwe Testament af. Paulus besluit met de oproep zijn brief aan iedereen voor te lezen en dat gebeurt tot op de dag van vandaag in alle kerken van de wereld. De Bijbel is in bijna alle talen van de wereld vertaald. Maar die vertalingen verschillen. De oproep “Leef in vrede met elkaar” wordt bijvoorbeeld in de Naardense Bijbel vertaalt met “Houdt vrede met elkaar” in dat klinkt toch wat actiever dan de vertaling van de Nieuwe Bijbelvertaling. Ook andere Nederlandse vertalingen kennen deze actieve variant. Vrede houden, zeker in een christelijke gemeente, is een zaak waaraan je moet werken. In de geschiedenis is dat maar al te vaak verkeerd gegaan en daardoor zitten we alleen al in ons land met enkele honderden verschillende kerkgenootschappen en christelijke groeperingen. Geen wonder dus dat Paulus oproept om compassie met de leraars te hebben. Voor hen is het wel het allermoeilijkst de vrede in de gemeente te bewaren. Zo gemakkelijk worden ze misverstaan. Wie kent nu de wetenschappelijke discussie over de betekenis van Hebreeuws en Grieks en dan nog het Hebreeuws en het Grieks waarin Bijbelboeken zijn geschreven in verschillende tijden door verschillende personen. Het Grieks van Paulus is volgens de geleerden bijvoorbeeld een bijzonder Grieks waarin zijn Hebreeuwse achtergrond duidelijk doorklinkt, ongeveer zoals Allochtone schrijvers hun moedertaal laten doorklinken in hun Nederlandse romans. Voordat we dus in discussie gaan over betekenis en toepassing van de schrift hebben we wat af te studeren. Altijd naar het goede te streven is misschien toch wat sneller te begrijpen. Alles onderzoeken en het goede daaruit te behouden is weer wat moeilijker. De kerken hebben in de loop van de geschiedenis allerlei wetenschappelijke terreinen proberen af te sluiten omdat ze gevaarlijk zouden kunnen zijn voor het geloof. Maar wat houdt je nu eigenlijk af van het vertrouwen dat de armen bevrijdt zullen worden? Toch niet het wetenschappelijk onderzoek dat voor de evolutieleer meer bewijzen vindt dan voor een scheppingsverhaal of een ontworpen geschiedenis? We mogen in elk geval blij zijn met wat we hebben. Die levenshouding kan ons behoeden voor het mee gaan doen in de race voor winst en profijt, voor hebben en houden die tegenwoordig de overhand heeft. Niet het delen met anderen en genieten van wat we hebben, maar desnoods leningen afsluiten die je diep in de schulden brengen om het nieuwste van het nieuwste te krijgen. Paulus raad ons aan het kwaad te vermijden, dit kwaad is voor iedereen te vermijden en het vermijden van het schuldenkwaad is ook aan iedereen duidelijk te maken. Draag het dus uit.

Wees elkaar tot voorbeeld.

donderdag, 15 november, 2007

1 Tessalonicenzen 5:1-11

In de dagen van Paulus kwam er in het Romeinse Rijk een Perzische godsdienst op die heel populair zou worden. Eigenlijk zo populair dat de grondgedachten van die Heidense godsdienst ook in het Christendom een rol zouden gaan spelen. Het was de godsdienst van Zaratustra. Grondgedachte was dat er een voortdurende strijd gaande was tussen Goed en Kwaad, tussen de goden van goed en kwaad, en dat de mensen zouden moeten meevechten om bij de eindoverwinning mee te kunnen profiteren van die overwinning. In dit gedeelte van de brief aan de mensen in het Griekse Tessalonica kunnen we lezen dat Paulus dat beeld eigenlijk verwerpt. Als kinderen van het Licht hebben we eigenlijk weinig of niks te maken met de strijd tegen het kwaad. De overwinning is immers al behaald voordat de strijd begonnen was. De Liefde was van voor de schepping van Hemel en Aarde gelijk aan de God die de Hemel en Aarde geschapen heeft en van die Schepping staat geschreven dat God zag dat het goed was. Dat kwaad kwam in de wereld door het gedrag van de mensen zelf, als mensen zich weer door de liefde laten lijden zal het kwaad uiteindelijk ook weer verdwijnen. Omgord met het Harnas van geloof en liefde en getooid met de Helm van de hoop is de dag van de overwinning ook niet iets van een verrassing, die dag die komt, wat ons betreft vandaag nog. Juist in de Liefde voor de naaste ligt de redding. Dat was immers de ontdekking van het volk in de woestijn, door een onvoorwaardelijke liefde voor elkaar, bereidheid om alles te delen voor elkaar, kun je het in de woestijn uithouden en de woestijn doorkomen. Dat kwade is dus niet belangrijk. Paulus hamert er in vele brieven op je niet met het kwade bezig te houden maar met het goede. Het kwade is te verdrijven niet door het te bestrijden maar door het goede te doen en niet dan het goede. Dat is het harnas van Liefde en Geloof, uit liefde doen we dit en we vertrouwen er op dat het zo ook zal gaan. Hoop hebben we nodig om het vol te houden, om het uit te houden in een wereld waar mensen steeds weer de neiging hebben het kwade te volgen, eigenbelang en de goden van winst en profijt voorop te stellen. De gemeente in Tessalonica had het helemaal door. Ze waren elkaar al tot voorbeeld. Ze hielden elkaar wakker en scherp als het ging om de zorg voor de armen in de stad, de verbondenheid met de slaven, de weduwen en de wees, het helpen van de zieken, het troosten van de stervenden en de bedroefden, het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten. Juist dat maakte hen vrij van onderdrukking, daar heb je geen andere overheid voor nodig dan God, dan is er geen Tempel en geen Priester die je zal moeten helpen, de hulp komt van broeders en zusters om je heen. Zo gaat het tot vandaag toe.

Troost elkaar met deze woorden

woensdag, 14 november, 2007

1 Tessalonicenzen 4:13-18 

Je kunt je hele leven werken voor anderen maar aan het eind ga je toch dood. In de tijd van Paulus was het soms nog erger want er waren mensen in de gemeente die gedood werden juist omdat zij omkeken naar het lot van de armsten in de stad. Is de dood een passende beloning voor de trouw aan het woord van God? Dat wil er bij niemand in. Gelovig of ongelovig, als je het gebod volgt je naaste lief te hebben als jezelf dan gun je niemand de dood als het laatste woord. Het feit dat Jezus van Nazareth op de een of andere manier de dood heeft overwonnen en zich na zijn dood aan zijn leerlingen liet zien doet niet af aan het feit dat sindsdien toch al die volgelingen dood zijn gegaan en we dat met z’n allen geen beloning vinden voor alles wat ze hebben opgegeven. Hoe zit het dan met de dood en het leven na de dood? We weten het niet. In het boek Genesis lezen we dat God het leven van de mensen in tijd heeft begrensd en dat de adem van God, waarmee aan de mens het leven werd gegeven, terug keert naar God zelf. Dat is een mooi beeld en een eenvoudig beeld. Onze adem maakt na onze dood weer deel uit van God. Dat kan je troosten. In de tijd van Paulus deden de wildste verhalen de ronde over dat deel uitmaken van God. De Grieken en Romeinen geloofden in een dodenrijk, met een rijk voor slechte doden en velden voor goede doden. Dat geloof is dus bijgeloof. Paulus vertelt dan dat er een dag komt, nog tijdens zijn leven, dat alles op de wereld zal veranderen. Dat God werkelijk bij ons zal komen wonen en dat de doden uit hun graf zullen ontwaken en levende gelovigen en opgestane gelovigen op de wolken zullen worden weggevoerd. Ook dat moet een beeld zijn om uit te drukken dat onze adem terug zal keren bij God. In het boek “Openbaringen”, wordt dat beeld weer op een andere manier verwoord. Daarom kunnen we rustig zeggen dat we niet weten wat er na onze dood gebeurt. Aangezien de boodschap van de Bijbel is dat God voor ons zal zorgen hoeven we ons er ook niet druk om te maken. Als we kiezen voor het leven, kiezen we ook voor het leven van onze naaste en zijn we bedroefd om iedereen die het leven verlaat. Het meest bedroefd mogen we zijn om hen die ons nabij zijn geweest in het leven. Troost is dat God voortaan voor hen zorgt. Maar soms is dat een schrale troost. Het verlies van jonge kinderen, het verlies van jonge mensen, van nog lang niet oude geliefden, van geliefden met wie je vele jaren bent opgetrokken, wordt niet minder van de gedachte dat ze bij God zijn. Dat God ze beter bij ons had gelaten is vaak een zeer te begrijpen gedachte. Maar geen verdriet hebben is erger, misschien dat ook verdriet kan troosten, verdriet omdat we voor het leven kiezen en dat leven ook willen voor onze naaste.

Schaad of bedrieg Uw broeder of zuster niet

dinsdag, 13 november, 2007

1 Tessalonicenzen 4:1-12

Wie de boodschap kent het goede te doen en niet dan het goede weet dat er dingen zijn die je dus moet laten. Het Christendom heeft vanouds het imago dat het tal van zaken verbiedt. Maar zo is het niet. Het Christendom is, evenmin als het Jodendom dat was, een negatieve godsdienst. Paulus schrijft zelfs ergens dat alles geoorloofd is. De keus om iets te doen of iets te laten is aan de individuele gelovige zelf. Het goede ligt niet absoluut vast, zodat de ene keer iets heel goed is om te doen, terwijl het een andere keer juist het kwade is wat je op het punt staat te doen. Dit gedeelte uit de brief aan de mensen in Tessalonica zet ons een beetje op het spoor hoe in de praktijk uit te maken wat je nu wel en wat je nu niet moet doen. Wat hierboven staat is het centrale criterium in dit gedeelte, een ander niet schaden of bedriegen. Daar komt ook de waarschuwing tegen de ontucht vandaan. In de samenleving waar Paulus naar schrijft waren slaven en slavinnen die je kon huren of kopen om je lusten te bevredigen. De mensenhandel die welig in onze prostitutie tiert heeft het na al die eeuwen niet anders gemaakt. Het zal duidelijk zijn dat je niet een broer of zus misbruikt voor je lustbevrediging. Dat is dus heel iets anders als twee mensen samen besluiten samen plezier van elkaar te hebben en dat met elkaar te delen. Het bestrijden van mensenhandel en de slachtoffers van lover boys bevrijden geeft mensen alleen maar meer mogelijkheden plezier in het leven te hebben. Immers alle mensen zouden zich moeten onthouden van het maken van misbruik van broers en zussen. Juist de goddelozen schuiven de zorg en bescherming af op de overheid en stellen dat je eerst je eigen lust moet bevredigen en dan pas hoeft na te denken over de vraag of je misschien misbruik van iemand hebt gemaakt, de Bijbel draait dit om, eerst nadenken over mogelijk misbruik en als dat aan de orde is, beheers je dan. Paulus noemt dat Heilig, daar zit het woord heel in. Een perfect mens te zijn, beeld van God, bekleed met liefde voor de naaste, dat is pas Heilig. Daar streven we naar. Misbruik maken van je naaste is als misbruik maken van God. Wie de wanstaltige beelden van sexueel misbruik van kinderen in Thailand en andere vergelijkbare landen ziet vraagt zich af waarom zelfs het organiseren van vliegreizen naar deze oorden niet strafbaar wordt gesteld. Het onrecht onze broeders en zusters aangedaan schreeuwt naar de hemel maar de westerse gelovigen lijken doof te blijven. Paulus wijst op de solidariteit met de gelovigen ook elders, die je moet vergroten. Het wordt dus tijd voor een Europeese actie tegen misbruik, mensenhandel en lover boys. Samen kunnen we kennelijk wel wat.

Uw liefde voor elkaar en ieder ander

maandag, 12 november, 2007

1 Tessalonicenzen 3:6-13

Timoteüs is teruggekomen met goede berichten. Het gaat goed met dat kleine groepje mensen van de weg in Tessalonica, Noord Griekenland, dat deel van Griekenland dat tot op de dag van vandaag Macedonië wordt genoemd. In dit oudste geschrift uit het Nieuwe Testament worden die goede berichten ook opgesomd. Ze willen elkaar graag weerzien, Paulus en zijn gezelschap en de groep gelovigen waar de brief aan gericht is. Maar waarom dan, wat is er zo bijzonder. Aan het eind blijkt het pas, de liefde voor elkaar en voor ieder ander groeit daar, die groeit zo groot dat die dezelfde afmetingen aanneemt als de liefde tussen zielsverwanten. De liefde voor elkaar is nog voor te stellen en dat die mensen van Paulus houden, omdat die ze tot de groep gemaakt heeft die ze zijn, is ook nog voorstelbaar maar hoe zit het met die “Liefde voor ieder ander”. Er wordt zo gemakkelijk overheen gelezen maar in een stad als Tessalonica met vele tempels en vele religies is die Christelijke gemeente wel een heel erg vreemde club. Daar is geen godenbeeld. Ze hebben geen tempel en zijn ook niet van plan er één te bouwen, ze hebben geen Priesters die het exclusieve recht hebben tussen de gelovigen en de godheid te bemiddelen. De aanbidding van hun God gaat zelfs niet om henzelf. Ze zoeken geen eer en geen roem, ze maken geen reclame, ze pretenderen niet dat ze alles kunnen oplossen, ze helpen alleen maar. Ze tonen belangstelling voor zieken, voor slaven, voor armen, voor hongerigen, voor mensen die geen kleding hebben en zich niet kunnen tonen, voor vreemdelingen die geen thuis hebben, ze troosten de stervenden en de bedroefden. Onder mensen in nood en onder de armen van de stad groeit hun reputatie. Ze zijn eerlijk en nergens op uit. Het is als een godsdienst zonder God. Ze hebben niet alleen geen beeld om te aanbidden, ze mogen zelfs geen beeld van hun God maken, niet in steen,of hout, of edelmetaal of edelsteen, maar zelfs ook niet woord. Alleen hun daden drukken uit wat hun geloof is, dat is die liefde voor ieder ander. Ze hebben zelfs hun vijanden lief. In de loop van de geschiedenis zijn wij veel van de positie van de gemeente in Tessalonica kwijt geraakt. Wij hebben onze kerkgebouwen, onze priesters en dominees, onze gerespecteerde plaats in de samenleving. Maar zijn we het zicht op de hongerigen en de dorstigen, de naakten en de ontheemden, de gevangenen en de zieken niet een beetje kwijtgeraakt? De vreemdelingen onder ons kunnen onweersproken en ongestraft apart worden gezet. Zelfs een bijbeltiendaagse over het thema vreemdelingen maakte niet de tongen los en zette niemand in beweging. Zou Paulus vandaag aan ons kunnen schrijven dat wat we vandaag lezen?

U bent onze eer en vreugde

zondag, 11 november, 2007

1 Tessalonicenzen 2:17-3:5

Wat een slijmerd kon die Paulus toch zijn. Hij had kennelijk die gemeente in Tessalonica gesticht en dat zullen best brave mensen geweest zijn maar om ze nu zo op te hemelen omdat hij er niet heen kon maar vast zat in Athene lijkt toch wel wat overdreven. Maar in het begin van deze brief kon U al lezen hoe Paulus de gemeente prees voor hun geloof en goede reputatie. Het is daarom geen wonder dat de gemeente nogal wat tegenstand te verduren kreeg. Dat ze zo’n goede reputatie hadden konden ze alleen gekregen hebben door de zorg die ze hadden voor de armen in de stad, voor de slaven, voor de zieken en de stervenden. Kennelijk was het een gemeenschap die de naakten kleedden, de hongerigen voedden en de bedroefden troostten. Dat is niet populair. Er is al een hoop geschreven en gesproken over Darfur in de Soedan. De provincie waar mensen van huis en haard worden verdreven, waar vrouwen worden verkracht en mannen en kinderen worden vermoord. De provincie waar Arabische strijders zich beter vinden dan Afrikaanse boeren. Als dan een aktie wordt gestart om de publieke opinie wakker te maken en een onafhankelijk radiostation te starten dan kijken al die vrome christelijke TVkijkers liever naar het betaalde voetbal of de sterren die dansen op het IJs. De belangstelling voor de armen, de zwakken, de meest bedreigden op deze wereld is maar gering. Zo was het eertijds niet in Griekenland. Daar was een groep mensen die de Liefde voor de medemens, de dienst aan God, op de eerste plaats stelden. Die niet geloofden in de goden van goud en beloften, de goden van strijd en overwinning, de goden die winst en verlies in de sport zouden bepalen, maar die geloofden in de enige God die Liefde is, de God die ook in een duistere tijd door een donker dal met zijn kinderen meetrekt. Daarom zagen zij wel wie er langs de kant van de weg zat en riep. Daarom hoorden zij het gekerm wel van hen die gemarteld en vervolgd werden. Daar in het noorden van Griekenland in de provincie die nog steeds Macedonië heet woonde deze gemeenschap die het hart van Paulus had gestolen. Dat is een gemeenschap waar we ook vandaag de dag nog een voorbeeld aan kunnen nemen. Maar hoe rijker we in ons land worden hoe minder we over hebben voor de armen lijkt het wel. In de tijd van het Romeinse Rijk waren er brood en spelen om de mensen rustig te houden en om opstanden te voorkomen. Vandaag de dag hebben we voetbal en sterren op het ijs die hetzelfde doen. Want wat er in Darfur gebeurd is ten hemel schreiend. Maar wie hoort dat?