Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2019

Deze mens was een rechtvaardige!

vrijdag, 19 april, 2019

Lucas 22:66-23:56

66 Toen het dag werd, kwam de raad van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters zowel als schriftgeleerden, en ze leidden hem voor in hun raadszitting. 67 Ze zeiden: ‘Als u de messias bent, zeg het ons dan.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Als ik het u zeg, gelooft u mij toch niet. 68 En als ik een vraag stel, antwoordt u toch niet. 69 Maar vanaf nu zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterhand van de Almachtige.’ 70 Toen zeiden allen: ‘U bent dus de Zoon van God?’ Hij antwoordde: ‘U zegt dat ik het ben.’
71 Ze zeiden: ‘Waarvoor hebben we nog getuigenverklaringen nodig? We hebben het immers zelf uit zijn eigen mond gehoord!’
1 ¶ Ze stonden allen op en leidden hem voor aan Pilatus. 2 Daar brachten ze de volgende beschuldigingen tegen hem in: ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn.’ 3 Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het.’ 4 Daarop zei Pilatus tegen de hogepriesters en de samengeschoolde menigte: ‘Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’ 5 Maar ze bleven hardnekkig beweren: ‘In heel Judea ruit hij met zijn onderricht het volk op, van Galilea tot hier!’ 6 Toen Pilatus dit hoorde, vroeg hij aan Jezus of hij uit Galilea kwam, 7 en toen hij besefte dat hij onder Herodes’ gezag viel, stuurde hij hem naar Herodes, die op dat moment in Jeruzalem verbleef. 8 Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde hem al heel lang ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had. Bovendien hoopte hij hem een wonder te zien doen. 9 Hij ondervroeg hem uitvoerig, maar Jezus antwoordde hem niet één keer. 10 De hogepriesters en de schriftgeleerden die erbij stonden, brachten zware beschuldigingen tegen hem in. 11 Hierop begonnen Herodes en zijn soldaten Jezus te honen, en ze dreven de spot met hem door hem een pronkgewaad om te hangen. Zo stuurde hij hem terug naar Pilatus. 12 Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze altijd elkaars vijanden waren geweest. 13Pilatus riep de hogepriesters en de leiders en het volk bij zich 14 en zei tegen hen: ‘U hebt die man voor mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt, maar u weet dat ik hem, toen ik hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u hem beticht schuldig heb bevonden. 15 En Herodes evenmin, hij heeft hem immers naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. 16 Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’ 17 18 Maar ze begonnen met zijn allen luidkeels te schreeuwen: ‘Weg met hem! Laat Barabbas vrij!’ 19 Deze laatste was gevangengezet wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden en wegens moord. 20 Pilatus praatte opnieuw op hen in omdat hij Jezus wilde vrijlaten. 21 Maar ze schreeuwden het uit: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ 22 Voor de derde maal zei hij tegen hen: ‘Wat voor kwaad heeft die man dan gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor hij de doodstraf verdient. Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’ 23 Maar ze bleven luidkeels eisen dat hij gekruisigd zou worden, en met hun geschreeuw wonnen ze het pleit: 24 Pilatus besloot hun eis in te willigen. 25 Hij liet de man gaan die wegens oproer en moord gevangen was gezet en om wiens vrijlating ze hadden gevraagd, en leverde Jezus uit aan hun willekeur. 26 Toen Jezus werd weggeleid, hielden de soldaten een zekere Simon van Cyrene aan, die net de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn rug en lieten het hem achter Jezus aan dragen. 27 Een grote volksmenigte volgde Jezus, evenals enkele vrouwen die zich op de borst sloegen en over hem weeklaagden. 28 Jezus keerde zich echter naar hen om en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij. Huil liever om jezelf en je kinderen, 29 want weet, de tijd zal aanbreken dat men zal zeggen: “Gelukkig wie onvruchtbaar is, gelukkig de moederschoot die niet gebaard heeft en de borst die geen kind heeft gezoogd.” 30 Dan zullen de mensen tegen de bergen zeggen: “Val op ons neer!” en tegen de heuvels: “Bedek ons!” 31 Want als dit gebeurt met het jonge hout, wat zal het verdorde hout dan niet te wachten staan?’ 32 Samen met Jezus werden nog twee anderen, beiden misdadigers, weggeleid om terechtgesteld te worden. 33 Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. 34 Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen. 35 Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’
36 Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan, 37 terwijl ze zeiden: ‘Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!’ 38 Boven hem was een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. 39 Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ 40 Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? 41 Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ 42 En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ 43 Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’ 44-45 Rond het middaguur werd het donker in het hele land omdat de zon verduisterde. De duisternis hield drie uur aan. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel doormidden. 46 En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit. 47 De centurio zag wat er gebeurd was en loofde God met de woorden: ‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!’ 48 De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. 49 Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren. 50-51 Er was ook een man die Josef heette en afkomstig was uit de Joodse stad Arimatea. Hij was een raadsheer, een goed en rechtvaardig mens, die de komst van het koninkrijk van God verwachtte en niet had ingestemd met het besluit en de handelwijze van de raad. 52 Hij ging naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. 53 Nadat hij het lichaam van het kruis had gehaald, wikkelde hij het in linnen doeken en legde het in een rotsgraf dat nog nooit was gebruikt.
54 Het was de voorbereidingsdag, de sabbat was bijna aangebroken. 55 De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden Josef naar het graf om het te bekijken en om te zien hoe Jezus’ lichaam er werd neergelegd. 56 Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht. (NBV)

Wat is er goed aan Goede Vrijdag? Toch niet dat we jaar in jaar uit stil staan bij een afschuwelijke marteling waarbij een door en door goed mens onder helse pijnen aan zijn einde komt? Volgens zijn leer behoren we ons aan zijn kant op te stellen. En eeuwenlang zijn er mensen geweest die geprobeerd hebben het lijden van Jezus van Nazareth aan hun eigen lijf te ervaren. Tot in onze dagen zijn er mensen in de wereld die zich laten kruisigen, om er overigens af te komen voordat ze dood gaan. Het is en blijft een gruwelijk gebeuren. Maar draait het om dat gebeuren op Goede Vrijdag? Of vertelt ons het verhaal van Goede Vrijdag hoe het in de wereld zal aflopen met mensen die het goede doen en daarbij de geldende machten ter discussie stellen? Want het gaat in het Bijbelgedeelte van vandaag wel veel over verschillende machten. De Joodse religieuze macht, de Joodse Koning, de Romeinse bezetter. Lucas vertelt ons om te beginnen over het Sanhedrin, de raad van Hogepriesters en oudsten van het volk die Jezus brengen naar de plaats van hun rechtspraak. Let wel er is geen rechtzaak, want op de eerste dag van de zeven dagen waarop de ongezuurde broden worden gegeten vinden er geen rechtszaken plaats.

Men besluit dan ook de rechtspraak aan de burgerlijke autoriteiten over te laten. Discussiëren met die Jezus van Nazareth is ook onder deze omstandigheden veel te moeilijk. Vraag je hem of hij de zoon van God is, dan zegt hij dat je dat dus zelf zegt. Van enig respect voor de autoriteiten is geen sprake, zelfs als gevangene beschouwt hij zich als gelijke. De beschuldiging voor de burgerlijke autoriteiten is dat hij opstandeling is. Hij heeft zich uitgeroepen tot koning over Israël. En daar wordt het vreemde van het burgerlijk bestuur blootgelegd. Daar gaat het niet om mensen maar om machthebbers. Is Jezus van Nazareth koning van Juda? Daar gaat Pilatus over. Of is hij koning van Galilea? Daar gaat Herodes over. Beide vormen samen Israël, het land van koning David. Zo wordt Jezus van Nazareth van de ene naar de andere machthebber doorgeschoven en het enige gevolg is dat de concurrenten tot vrienden worden en dat het eigenmachtig optreden van Pilatus tegen Galileërs hem vergeven wordt door hun Koning Herodes. Maar uiteindelijk beslist het volk. Via verkiezingen, via demonstraties en akties en via onverschilligheid. Populisme en onverschilligheid gaan hier hand in hand als Bar Abbas wordt vrijgelaten en Pilatus Jezus van Nazareth tot de kruisdood veroordeelt ondanks dat hij die Jezus van Nazareth voor onschuldig houdt.

De dood van Jezus van Nazareth maakt duidelijk hoe wij met elkaar omgaan. Uiteindelijk loopt het uit op oorlog en geweld, zeker als we ons richten op machthebbers en op de vraag wie de sterkste is, wie ons als volk of groep te na denkt te kunnen komen. Als wij er niet op gericht zijn de ander tot zijn recht te laten komen dan is de dood, van ons of van die ander, ons lot. Jezus van Nazareth laat Herodes, het Sanhedrin, het volk, Pilatus en Romeinen tot hun recht komen. Zelfs de mensen die met hem werden gekruisigd, zelfs de toeschouwers laat hij tot hun recht komen. Dat is een prestatie die ons te boven gaat, dat is het tot de dood door dragen van de Liefde van God. Als wij dat willen volgen zullen we alle mensen tot hun recht moeten laten komen, om te beginnen de zwaksten. Vanaf de eerste eeuwen van het Christendom zijn de Joden vaak neergezet als de moordenaars van Jezus van Nazareth. Alle Joden. En dat is merkwaardig, de volgelingen van Jezus van Nazareth waren Joden, de vrouwen waarover in dit gedeelte van het verhaal wordt verteld waren Jodinnen, Jezus van Nazareth zelf was een Jood. En het graf waarin hij na de kruisiging werd neergelegd was notabene van een lid van het Sanhedrin, de hoogste Raad van Israël. De leden van die Raad waren bij elkaar getrommeld nadat Jezus van Nazareth op de Olijfberg gevangen was genomen en die hadden hem ondervraagd en vervolgens uitgeleverd aan Pilatus, echt een Romein. Ook Herodes was niet echt een Jood. In het verhaal van de kruisiging kun je lezen dat de hele wereld te hoop loopt tegen Jezus van Nazareth. Om heel verschillende redenen maar ook die worden in het verhaal duidelijk door de houding van Jezus van Nazareth. In een paar woorden schetst Lucas ons overigens dat zij die zich ontfermden over het stoffelijk overschot van Jezus van Nazareth vrome Joden waren. In de vertaling staat overigens terecht lichaam, in het verhaal gaat het niet alleen over het stoffelijk overschot. Al eerder gebruikt Lucas deze term als hij vertelt hoe Jezus van Nazareth sprak over het laatste der dagen, als er één wordt opgenomen en een ander niet. “Waar het lichaam is verzamelen zich de adelaars” heet het dan. En op adelaarsvleugels worden de gelovigen gedragen. Ook in het verhaal over de instelling van het avondmaal wordt gesproken over lichaam als Jezus van Nazareth het brood breekt en uitdeelt met de woorden “Dit is mijn lichaam”. En zo wordt een opening gevormd naar het spreken over de gemeente van de Weg als het lichaam van Christus. Paulus zal daar herhaaldelijk later over schrijven. Nu nog wordt het lichaam van Jezus van Nazareth in een Joods graf gelegd, Arimatea was een stad in Judea en wie daar vandaan kwam en lid was van het Sanhedrin was volop Jood en nauw bij de Tempel betrokken.

De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea hielden zich ook aan de Joodse wetten en zorgden dat ze op de voorbereidingsdag voor de Sabbat ook al de geurige olie en de balsem klaar hadden die ze nodig zouden hebben voor het verzorgen van het stoffelijk overschot. Maar op de Sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht. En waar waren de volgelingen van Jezus van Nazareth? Zij komen in dit gedeelte van het verhaal niet voor. Lucas neemt niet de moeite om ons er over te vertellen. Een lid van het Sanhedrin en de vrouwen spelen de hoofdrol. Geen onbelangrijke vrouwen ook, want zij behoorden kennelijk tot de vaste volgelingen van Jezus van Nazareth. Tot in onze dagen doen kerken en Christenen nog wel eens of vrouwen op een tweede plaats horen maar dat is dus in strijd met de manier waarop de Bijbel ons verteld hoe God met mensen omgaat. De vrouwen beantwoorden de Liefde van Jezus van Nazareth voor de mensen tot in zijn graf toe. En dat mag dus ook, handen uit de mouwen en zorgen voor hen die zorg nodig hebben, tot in het graf desnoods. Als we dat van dit verhaal leren wordt het pas echt een Goede Vrijdag.

Toen ontstond er onder hen onenigheid

donderdag, 18 april, 2019

Lucas 22:14-65

14 Toen het zover was, ging hij samen met de apostelen aanliggen voor de maaltijd. 15 Hij zei tegen hen: ‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten voor de tijd van mijn lijden aanbreekt. 16 Want ik zeg jullie: ik zal geen pesachmaal meer eten voordat het zijn vervulling heeft gevonden in het koninkrijk van God.’ 17 Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en zei: ‘Neem deze beker en geef hem aan elkaar door. 18 Want ik zeg jullie: vanaf nu zal ik niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot het koninkrijk van God gekomen is.’ 19 En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ 20 Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. 21 Maar weet wel dat degene die mij zal uitleveren samen met mij aan deze tafel aanligt. 22 Want de Mensenzoon moet heengaan zoals het voor hem bepaald is, maar wee de mens die hem zal uitleveren.’ 23 Ze vroegen zich onder elkaar af wie van hen zoiets zou kunnen doen. 24 Toen ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 25 Jezus zei tegen hen: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. 26 Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. 27 Want wie is belangrijker, degene die aanligt om te eten of degene die bedient? Is het niet degene die aanligt? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient. 28 Jullie zijn in al mijn beproevingen steeds bij mij gebleven. 29 Ik bestem jullie voor het koningschap zoals mijn Vader mij voor het koningschap bestemd heeft: 30 jullie zullen in mijn koninkrijk eten en drinken aan mijn tafel, en zetelen op een troon om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël. 31 Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. 32 Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken.’ 33 Simon antwoordde: ‘Heer, ik ben zelfs bereid om met u de gevangenis in te gaan en te sterven.’ 34 Maar Jezus zei: ‘Ik zeg je, Petrus, deze nacht zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent.’ 35 Daarna zei hij tegen hen: ‘Toen ik jullie uitzond zonder geldbuidel, reistas en sandalen, kwamen jullie toen iets tekort?’ ‘Niets!’ antwoordden ze. 36 Hij zei: ‘Maar wie nu een geldbuidel heeft, moet die meenemen, evenals zijn reistas, en wie er geen heeft moet zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen. 37 Want ik zeg jullie: wat geschreven staat, moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’ 38 Ze zeiden: ‘Kijk Heer, hier zijn twee zwaarden.’ Maar hij zei tegen hen: ‘Genoeg hierover!’ 39 Hij vertrok en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg. De leerlingen volgden hem. 40 Toen hij daar was aangekomen, zei hij tegen hen: ‘Bid dat jullie niet in beproeving komen.’ 41 En hij liep bij hen weg, tot ongeveer een steenworp ver, en knielde daarna neer om te bidden. Hij bad: 42 ‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.’ 43 Uit de hemel verscheen hem een engel om hem kracht te geven. 44 Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond. 45 Toen hij na zijn gebed opstond en terugliep naar de leerlingen, zag hij dat ze van verdriet in slaap waren gevallen, 46 en hij zei tegen hen: ‘Waarom slapen jullie? Sta op en bid dat jullie niet in beproeving komen.’ 47 Terwijl hij nog sprak, kwam er opeens een horde mensen aan. Voorop liep de man die Judas heette, een van de twaalf; hij ging naar Jezus toe om hem te kussen. 48 Maar Jezus zei tegen hem: ‘Judas, lever je de Mensenzoon uit met een kus?’ 49 Toen degenen die bij hem stonden zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we er met het zwaard op los slaan?’ 50 En een van hen sloeg in op de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. 51 Maar Jezus zei: ‘Houd daarmee op. Zo is het genoeg!’ Hij raakte het oor aan en genas de man. 52 Tegen de hogepriesters en tempelwachters en de oudsten van het volk die op hem afgekomen waren, zei hij: ‘Als tegen een misdadiger bent u uitgetrokken met zwaarden en knuppels? 53 Dagelijks was ik bij u in de tempel, en toen hebt u geen vinger naar me uitgestoken, maar dit is uw uur, het uur van de macht van de duisternis.’ 54 Ze grepen hem vast en voerden hem weg, en brachten hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde hen op een afstand. 55 Ze staken een vuur aan midden op de binnenplaats en gingen eromheen zitten; Petrus voegde zich bij hen. 56 Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten, keek hem strak aan en zei: ‘Die man hoorde er ook bij!’57 Maar hij ontkende het: ‘Ik ken hem niet eens!’58 Even later merkte een ander hem op en zei: ‘Jij bent ook een van hen!’ Maar Petrus zei: ‘Welnee man, helemaal niet.’ 59 En ongeveer een uur later zei nog iemand met grote stelligheid: ‘Ja zeker, die man was ook in zijn gezelschap, hij komt immers ook uit Galilea.’ 60 Maar Petrus zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ En op datzelfde moment, terwijl hij nog sprak, kraaide er een haan. 61 De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer: ‘Nog voor er vannacht een haan heeft gekraaid zul je mij driemaal verloochenen.’62 Hij ging naar buiten en huilde bitter 63 De mannen die Jezus gevangenhielden, dreven de spot met hem en geselden hem. 64 Ze blinddoekten hem en zeiden: ‘Profeteer nu maar, wie is het die je geslagen heeft?’ 65 En ze zeiden nog tal van andere lasterlijke dingen tegen hem. (NBV)

Dat doorgeven van de beker en dat breken van het brood heet een godsdienstoefening. Dat breken en delen is het hart van de christelijke godsdienst geworden en iedere keer als er Avondmaal gevierd wordt dan oefenen Christenen zich in die godsdienst. De leerlingen hadden ongetwijfeld het gevoel gekregen een nieuw volk te vormen dat onder leiding van Jezus van Nazareth uit de wereld van de onderdrukking door de Romeinen zou trekken. Ze kregen dus ruzie wie in dat nieuwe Koninkrijk de belangrijkste zou zijn. Daar waren immers posten te verdelen, ministers, priesters, oversten, zo gaat dat toch in een land. Er moeten nu eenmaal autoriteiten en wetgevers zijn. Belangrijke mensen die uitmaken wat we met elkaar moeten vinden en aan welke wetten we ons moeten houden. Jezus van Nazareth zet er een andere manier van regeren tegenover. Niet de bovenbazen zijn de belangrijkste maar de dienaren, de minsten. Wat er in het volk gebeurt, wat de prioriteit heeft, wordt bepaald door de mensen aan de kant van de weg, de zwervers, de zwakkelingen, de hongerigen, de armen. Zelfs de opperste bovenbaas van dat nieuwe volk van Jezus van Nazareth en zijn volgelingen is in de eerste plaats een dienaar, iemand die alles heeft opgegeven om er te zijn voor de minsten in zijn samenleving.

De eerste die zich steeds had aangediend als woordvoerder van de volgelingen van Jezus van Nazareth was Simon, de visser uit Kafernaüm. Nog steeds moet Simon leren wat het is te heersen als een dienaar. Natuurlijk, hij wil best net zo belangrijk zijn als Jezus van Nazareth, zeker als zijn vrienden er bij zijn. Maar Jezus van Nazareth waarschuwt, flink doen is niet dapper en werkelijk volhouden betekent dat je je leven moet durven verliezen, daar is die Petrus nog niet aan toe, hij zal Jezus van Nazareth nog voor de morgen aanbreekt en de haan kraait wel drie maal verloochend hebben. En dan komt Jezus van Nazareth tot de kern van zijn verhaal. De schriftgeleerden en de hogepriesters waren al een tijdje op zijn leven uit. De profeet Jesaja had daar al over geschreven. Zulke mensen, schreef hij, worden gerekend tot loochenaars van de Thora, tot wettelozen wordt hier vertaald. Maar of het gebruik van zwaarden genoeg zal zijn valt nog te betwijfelen. Kennelijk was het de gewoonte van Jezus van Nazareth om
s’avonds na de maaltijd de Olijfberg op te gaan. In de koelte van de avond is het heerlijk om in zo’n boomgaard tot rust te komen. Bovendien had deze berg al een lange religieuze traditie. In het tweede boek van de profeet Samuel werd de berg al genoemd als de top waar men zich voor God pleegt neer te buigen.

Maar de weg van Jezus van Nazareth is niet licht. Zal hij de macht gebruiken die hij verworven heeft? De massa’s mobiliseren om in opstand te komen? Dat was nu net niet de weg die hij gepreekt had. Daarom roept hij zijn volgelingen op om niet toe te geven aan die beproeving. Maar alleen gekomen realiseert hij zich dat het ook zijn einde zal betekenen. Zoals de profeet Elia ooit werd geholpen door een engel die hem te eten en te drinken geeft vertelt Lucas ons dat ook Jezus van Nazareth geholpen werd door een engel. De angst werd er niet minder om maar hij kon het vol houden. Allereerst tegen Judas die met een horde mensen op hem afkwam en hem een broederkus wilde geven. Dat gaat dus zo niet. Maar ook niet de manier waarop de volgelingen reageren, het zwaard moet niet en het afgehouwen oor wordt genezen. Nee, het kwaad van Judas, het zwaard en de Hogepriesters werd benoemd, maar geweld wordt afgewezen. De laffe manier van de Hogepriesters om hem op een afgelegen plaats in het schemerduister gevangen te nemen wordt ook aan de kaak gesteld. Petrus verloochent hem dan ook als hij hem volgt om te weten wat er gaat gebeuren. En hij weent bitter als hij zich realiseert dat Jezus van Nazareth dat had zien aankomen. De weg die Jezus van Nazareth ons wijst is niet ook het geweld gebruiken maar het geweld benoemen en door het te ondergaan aan de kaak stellen. Dat is de aller moeilijkste weg om te gaan en we mogen allemaal hopen die Weg nooit zo concreet te hoeven gaan. Maar in deze dagen is het goed ons die weg in te prenten en in te oefenen.

Ga voor ons het pesachmaal bereiden

woensdag, 17 april, 2019

Lucas 22:1-13

1 Het feest van het Ongedesemde brood, dat Pesach genoemd wordt, was bijna aangebroken. 2 De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen, maar dan heimelijk, bang als ze waren voor de reactie van het volk. 3 Toen nam Satan bezit van Judas, bijgenaamd Iskariot, een van de twaalf. 4 Hij ging naar de hogepriesters en tempelwachters en besprak met hen hoe hij Jezus aan hen zou kunnen uitleveren. 5 Ze waren opgetogen en spraken af dat ze hem voor zijn diensten zouden betalen. 6 Judas nam hun aanbod aan en zocht een gunstige gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren, zonder dat het volk het zou merken. 7 De dag van het Ongedesemde brood waarop het pesachlam geslacht moest worden, brak aan. 8 Jezus stuurde Petrus en Johannes op pad met de woorden: ‘Ga voor ons het pesachmaal bereiden, zodat we het kunnen eten.’ 9 Ze vroegen hem: ‘Waar wilt u dat we het bereiden?’ 10 Hij antwoordde: ‘Let op, wanneer jullie de stad in gegaan zijn, zal jullie een man tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat, 11 en zeg tegen de heer van dat huis: “De Meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’ ” 12 Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen die al is ingericht; maak het daar klaar.’13 Ze gingen op weg, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal. (NBV)

Lucas verbindt de instelling van het Christelijke Avondmaal heel uitdrukkelijk met de Pesachmaaltijd zoals die in het boek Exodus wordt beschreven. De maaltijd met ongezuurd brood en een geroosterd lam moet elk jaar gehouden worden als herinnering aan de uittocht uit Egypte. Op die avond gingen alle eerstgeborenen dood behalve de eerstgeborenen in de huizen waar het bloed van het lam aan de deurposten en de dorpels was gesmeerd. De Egyptenaren joegen toen de Israëlieten het land uit. En elk jaar klinkt opnieuw de vraag van de jongste aan tafel waarom die avond zo anders is dan alle andere en dan wordt het verhaal van de Uittocht vertelt in de tegenwoordige tijd, alsof alle aanwezigen het zelf meemaken. In de manier waarop in de kerken het Avondmaal wordt gevierd ontbreekt dat verhaal. Dan gaat het alleen nog over Jezus van Nazareth en de woorden die hij volgens het verhaal van Lucas bij dat Pesachmaal uitsprak op de avond voor hij door Judas zou worden overgeleverd.

Dat Pesach is overigens hetzelfde als het Pascha dat vroeger in de vertalingen stond. Pesach komt uit het Hebreeuws, maar dat werd in de dagen van Jezus van Nazareth nauwelijks meer gesproken, toen sprak men Aramees en in het Aramees heet Pesach Pascha. Toen Lucas veel later zijn verhaal in het Grieks opschreef was die naam veel bekender dan de Hebreeuwse naam. Nu wij de Bijbel weer uit het Hebreeuws laten vertalen kennen we ineens beide namen, hetgeen soms voor verwarring zorgt, maar die verwarring kan ons behoeden de Bijbelvertalingen al te letterlijk te nemen. Die Satan die bezit neemt van Judas wordt in gewone mensentaal ook wel aangeduid als splijtzwam of tweedrachtzaaier. Lucas spreekt over Judas als overleveraar, nergens als verrader. Het zijn de Hogepriesters en schriftgeleerden, de autoriteiten van zijn dagen, die hun geloofsgenoot Jezus van Nazareth verraden en aan de bezetters overleveren.

Eerst komt dus dat Pesachmaal. Dat Lam dat zijn bloed geeft om de slaven te redden en te helpen bij de bevrijding uit de slavernij is vanwege de loop van dit verhaal door Christenen als snel vereenzelvigd met Jezus van Nazareth. Dat gastenvertrek moet een veilige plaats geweest zijn. Kennelijk waren er mensen die ongezien gezelschappen pelgrims een plek boden om dat Pesachmaal te vieren. Als je het Pesachmaal wilde vieren dan hoorde je immers bij het volk? Buiten het volk mocht niemand meedoen aan dat Pesachmaal. Die maaltijd onderscheidde het volk van Israël van alle andere volken. Al die volken die zo bezig waren met de dood, met geld verdienen, met land veroveren, met machtiger worden en nog machtiger, met oorlog voeren en onderdrukken. Israël was uit die wereld getrokken op weg naar een land waar gedeeld werd, waar je de beker doorgeeft aan elkaar, waar je het brood breekt en met elkaar deelt, waar je er dus voor zorgt dat er altijd genoeg is voor iedereen.

Te wapen, Benjamin!

dinsdag, 16 april, 2019

Hosea 5:8-15

8 Blaas de ramshoorn in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Betel: ‘Te wapen, Benjamin!’ 9 Efraïm zal een schrikbeeld worden als de dag van de vergelding komt; wat ik over de stammen van Israël afkondig is onafwendbaar. 10 Nu al stillen de Judese bevelhebbers hun landhonger. Maar ik stort mijn woede als een vloed over hen uit. 11 Efraïm wordt verdrukt en het recht wordt verkracht, omdat het volk onverstoorbaar achter machten van niets aan liep. 12 Als een etterwond ben ik voor Efraïm, voor het volk van Juda als beenrot. 13 Toen Efraïm merkte hoe ziek het was, en Juda zijn zwerende wonden zag, wendde Efraïm zich tot Assyrië om hulp te zoeken bij koning Kemphaan. Maar die kan geen genezing brengen, die heeft geen middel tegen hun kwalen. 14 Want ik ben het die Efraïm aanvalt als een leeuw, als een sterke leeuw keer ik mij tegen het volk van Juda: ikzelf zal hen verscheuren, ik zal hen wegslepen, en niemand die hen redden kan. 15 Ik ga terug naar de plaats waar ik woon, totdat ze voor hun daden geboet hebben en mij weer gaan zoeken. Door de nood gedreven zullen ze weer naar mij vragen. (NBV)

Er komt oorlog. De troepen langs de grens met Israël worden opgroepen zich klaar te maken voor de strijd. De Ramshoorn wordt geblazen om de strijders van Juda op te roepen. Zij moeten hun werk en hun gezin in de steek laten om zich in te zetten voor de bescherming van Juda. Bij de offerplaats in Rama wordt op de bazuin geblazen. Ook God wordt opgeroepen zich in de strijd te mengen. En in Betel klinkt het alarm. De stam Benjamin die het dichtst bij Israël ligt moet de wapens ter hand nemen, want de oorlog is onvermijdelijk. Israël zal ten onder gaan.

Maar de bevelhebbers van Juda zijn geen haar beter dan die van Israël. Omdat Israël zich moet verdedigen tegen de grootmachten die haar bedreigen is er ruimte om langs de grens tussen Juda en Israël alvast ook een kleine oorlog te beginnen en land van Israël te veroveren en in te lijven bij Juda. Beide volken zijn even ziek. Ze hebben zich op dezelfde manier van de God van Israël afgekeerd. Ze denken zelf de oorlogen te kunnen winnen. Recht en gerechtigheid, broederliefde, saamhorigheid spelen geen enkele rol meer. Efraïm dacht nog bescherming te kunnen krijgen van een wereldmacht, maar dat helpt niet.

Als je bij sterke wereldmachten je steun denkt te vinden dan ga je zelf ten onder. Wie handelsoorlogen voert zal verliezen. Wie een gemeenschappelijke markt verlaat moet daarvoor een hoge prijs betalen. Denken dat je het in deze dagen alleen wel af kan wordt bestraft met economische en politieke neergang. De armen worden daarvan het eerst de slachtoffers. De rijken kunnen altijd nog vluchten naar veilige oorden waar gastvrijheid, samenwerking en zorg nog de boventoon voeren. De armen zullen door de binnensteden zwerven niet meer in staat werk te vinden en een inkomen te verwerven. Ook voor ons geld dat niet de beste willen zijn maar je naaste liefhebben als jezelf de grondregels van een samenleving behoren te zijn, ook vandaag weer.

Leden van het hof, luister aandachtig!

maandag, 15 april, 2019

Hosea 5:1-7
1 Luister, priesters! Hoor toe, oudsten van Israël! Leden van het hof, luister aandachtig! De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? Maar in Mispa hebben jullie mijn volk in de val gelokt, op de Tabor je netten voor hen uitgespreid; 2 een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven. Maar ik zal jullie leren, allemaal! 3 Ik kende Efraïm, Israël lag mij na aan het hart; maar nu is Efraïm overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 4 Hun daden verhinderen hen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor de HEER een vreemde voor hen geworden is. 5 Israëls hoogmoed zal tegen hemzelf getuigen, Efraïm komt door zijn wandaden ten val; zelfs Juda wordt in zijn val meegesleept. 6 Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om de HEER te zoeken, zullen ze hem niet vinden: hij zal zich voor hen verborgen houden. 7 Ze zijn de HEER ontrouw geweest en hebben bastaardkinderen voortgebracht. Maar vóór nieuwemaan worden ze met hun akkers verslonden. (NBV)
Een ordelijke vreedzame samenleving heeft een eerlijke onafhankelijk rechtspraak waar iedereen toegang toe heeft. Dat is vandaag niet anders als in de tijd van Hosea. Die rechtspraak was toebedeeld aan de Priesters en de oudsten van het volk. Het hof moest er op toezien dat gerechtigheid gewaarborgd werd. De grondrechten van het volk waren vastgelegd in de Mispa. Daar mee is het misgegaan. Elk van de verantwoordelijken wordt door Hosea opgeroepen, Luister, hoor toe, luister aandachtig. In onze dagen zou een profeet de Raad voor de Rechtspraak, de regering en het parlement ter verantwoording roepen omdat voor mensen zonder of met heel weinig geld de rechtspraak ontoegankelijk is geworden. Advocaten krijgen niet meer betaald en voor je een proces kunt beginnen moeten er griffierechten betaald worden die zo hoog zijn dat die voor eenvoudige lieden niet op te brengen zijn.
In de dagen van Hosea was het rijk van David in twee kleine rijken uiteengevallen, Israël en Judea. Israël werd gedomineerd door de stam van Efraïm. En de namen Efraïm en Israël worden in de Bijbel vaak door elkaar gebruikt. Voor God had dat uiteenvallen in twee rijken kennelijk aanvankelijk niet veel uitgemaakt. God had beide rijken lief, ook Israël lag na aan zijn hart. Maar Efraïm was overspelig geworden, ze had andere goden achterna gelopen, dat is ontrouw en overspel. Het verbond tussen God en zijn volk wordt door de profeten gepresenteerd als het verbond tussen twee mensen dat wij een huwelijk noemen. Het zijn de goden van vruchtbaarheid, in onze dagen de goden van winst en profijt die worden aanbeden. Als wij in onze dagen ook de armen met hun armzalige problemen onbeperkt toegang tot de rechtspraak geven dan blijft er veel te weinig tijd over voor deurwaarders en bedrijven om schulden aan te wijzen en onderlinge geschillen uit te vechten.
De aanbidding van winst en profijt is altijd verleidelijk. Efraïm wordt er door beheerst maar ook Juda ontkomt niet aan de verleiding, ze wordt door Israël meegesleept. God trekt zich terug en een volk waarin men niet voor elkaar zorgt, waar geen plaats meer is voor zieken, gehandicapten, armen wordt gemakkelijk een prooi voor vreemde machten. En de geschiedenis tekent zich al af in de manier waarop volken met elkaar om gaan. Eerst zal Efraïm ten onder gaan en daarna Juda. En natuurlijk zijn er dan mensen die weer offers willen brengen aan de God van Israël. De God die hen uit de slavernij heeft bevrijd. Maar die God is niet om te kopen. Offers zijn het teken dat men wil delen en zonder dat ga je vergeefs op pad met je offers. Dat is vandaag de dag niet anders.

De Heer heeft het nodig

zondag, 14 april, 2019

Lucas 19:29-48

29 Toen hij Betfage en Betanië bij de Olijfberg naderde, stuurde hij twee van de leerlingen vooruit 30 en zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp daarginds. Daar zullen jullie een vastgebonden veulen vinden, dat nog nooit door iemand bereden is. Maak het los en breng het hier. 31 Als iemand jullie vraagt: “Waarom maken jullie het los?” moeten jullie antwoorden: “De Heer heeft het nodig.”’ 32 De beide leerlingen gingen op weg en vonden het veulen, precies zoals Jezus had gezegd. 33 Toen ze het dier losmaakten, vroegen de eigenaars hun: ‘Waarom maken jullie het los?’ 34 Ze antwoordden: ‘De Heer heeft het nodig.’ 35 Daarna brachten ze het veulen naar Jezus. Ze wierpen hun mantels over het dier en lieten Jezus erop zitten. 36 Onderweg spreidden de leerlingen hun mantels voor hem op de grond uit. 37 Toen hij op het punt stond de Olijfberg af te dalen, begon de hele groep leerlingen vol vreugde en met luide stem God te prijzen om alle wonderdaden die ze hadden gezien. 38 Ze riepen: ‘Gezegend hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!’ 39 Enkele Farizeeën in de menigte zeiden tegen Jezus: ‘Meester, berisp uw leerlingen.’ 40 Maar hij antwoordde: ‘Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen.’ 41 Toen hij Jeruzalem voor zich zag liggen, begon hij te huilen over het lot van de stad. 42 Hij zei: ‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu. 43 Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten. 44 Ze zullen je met de grond gelijk maken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.’ 45 Hij ging naar de tempel, waar hij de handelaars begon weg te jagen, 46 terwijl hij hun toevoegde: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn, ”maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ 47 Dagelijks gaf hij onderricht in de tempel. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk wilden hem uit de weg ruimen, 48 maar ze wisten niet hoe ze dat moesten doen, want het hele volk hing aan zijn lippen. (NBV)

De ene eigenaar helpt de andere. Voor “Heer” en “eigenaar” wordt in het Grieks hier hetzelfde woord “Kurios” gebruikt. In het Latijn staat dan “Ceasar”, bij ons komt het woord “Keizer” hiervandaan. Het is een Keizerlijke intocht die Jezus van Nazareth in Jeruzalem te wachten staat. Eindelijk is het zover. Vanaf het verhaal van Zacharias, de profeet die z’n mond moest houden, tot aan deze intocht draait het hele verhaal van het Evangelie van Lucas om de reis naar Jeruzalem. Op twee momenten in het jaar is de Kerk dit verhaal gaan lezen. Op de zogenaamde “Palmzondag”, de zondag voor Pasen en op de laatste zondag voor de Advent, de zondag waarop het Koningschap van Jezus van Nazareth wordt gevierd. De eerste zondag van de Advent wordt dat het verhaal van Zacharias en Elisabeth gelezen zodat de kring weer rond is.

Maar dat Koningsverhaal van Jezus van Nazareth wordt meestal verteld als contrast, als tegenstelling. Zo hoog Jezus hier verheven lijkt zo pijnlijk zal zijn verblijf in Jeruzalem zijn waar hij wordt gekruisigd, of zo armoedig zal zijn geboorte in de stal van Bethlehem zijn. Jezus van Nazareth zelf ziet het anders. Als de mensen niet zouden juichen dan zouden de stenen in de straat het wel uitschreeuwen. Het Koningschap van Jezus van Nazareth was toen een politieke demonstratie en dat hoort het nu eigenlijk nog steeds te zijn. Daar zal die intocht ook op uitlopen. Jeruzalem was niet een stad van vrede geworden, een stad van delen met de armsten, maar een stad van onderdrukking, van handel en het aanbidden van winst en profijt. Op het hoogtepunt van de intocht huilt Jezus over deze verwording en als hij de stad is binnengereden begint hij de Tempel te bevrijden van alle aanbidding van winst en profijt, hij ramt de handelaars de voorhof uit.

Niet oorlog en geweld zijn de wapens van de leerlingen van Jezus van Nazareth, niet de aanbidding van winst en profijt, maar de Vrede en mantels op de grond en takken van de bomen. De Koning der Koningen, de eigenaar van Hemel en Aarde, de Kurios, onze Keizer van de wereld rijdt niet op schitterend getuigde paarden of in draagkoetsen, laat staan in gepantserde limousines, omringt door beveiligers, maar is op een ezel bereikbaar voor iedereen die hem wil toejuichen. Zo volstrekt anders is deze Heer van de Wereld dat de volgelingen een groot politiek gevaar opleveren. Als iedereen werkelijk zou delen met de armen, als werknemers niet meer in bedrijven zouden willen werken als ieders inbreng daar niet gelijkelijk wordt gewaardeerd, als we alleen nog maar Fair Trade producten zouden kopen, als niemand meer naar de oorlog zou willen gaan maar alle jongeren na hun studie hun kennis gingen overdragen aan jongeren die geen school in de buurt hebben dan zou de wereld er heel anders uitzien. Wij kunnen dus vandaag de wereld veranderen.

Ze brengen offers op de bergtoppen

zaterdag, 13 april, 2019

Hosea 4:12-19

12 Mijn volk raadpleegt een stuk hout, uit stokjes lezen ze de toekomst af. Ze zijn bezeten van ontucht en keren zich af van hun God. 13 Ze brengen offers op de bergtoppen en branden wierook op de heuvels en onder eik, populier en terebint, want in hun schaduw is het aangenaam. Vandaar dat jullie dochters overspel plegen en jullie schoondochters ontrouw zijn! 14 Maar jullie dochters zal ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal ik niet straffen voor hun ontrouw, want zelf gaan jullie met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van tempelhoeren. Zo komt een volk zonder verstand ten val. 15 Als jij zo trouweloos bent, Israël, maak dan Juda tenminste niet medeschuldig. Kom niet naar Gilgal, trek niet naar het goddeloze Betel, en zweer daar niet: ‘Zo waar de HEER leeft!’ 16 Israël verzet zich als een onwillige koe. Zou de HEER het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld? 17 Het volk van Efraïm heeft zich vergooid aan afgodsbeelden-laat het maar! 18 Ze zijn hun kater nog niet kwijt of ze haasten zich al naar de hoeren. Zie hun hartstocht branden, hun vorsten zijn dol op schande. 19 Maar een wervelstorm zal hen meesleuren. Met al dat offeren zullen ze bedrogen uitkomen. (NBV)

In de Bijbel staat een Psalm waarin duidelijk wordt gemaakt wat Hosea hier bedoeld. Ik sla mijn ogen op naar de bergen, zingt de dichter, vanwaar komt mijn hulp? Komt die van de bergen? De Priesters die door Hosea worden aangesproken geloven inderdaad dat de hulp woont op de toppen van de bergen, daar moet je zijn voor religieuze steun, daar moet je offeren. Maar de psalmdichter verwerpt die redenering. Mijn hulp komt van de Heer, is het antwoord. En op de plaats van Heer staat de naam van God, een naam die we nooit uitspreken. Want de God van Israël is niet op een bergtop of op de heuvels te vinden, de God van Israël trekt met je mee en als het om vruchtbaarheid gaat dan laat God het regenen op de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen.

Abraham vestigde zich in Kanaän onder de Terebinten van Mamre, ook wel eens vertaald met de Orakeleik van Mamre. In het algemeen wordt verondersteld dat Abraham zich bij heilige bomen van het volk van Kanaän gevestigd had. En omdat de goden van Kanaän dat toestonden moest die Abraham wel een heilig figuur zijn met wie je verdragen kon sluiten en die je om hulp kon vragen. Voor Abraham zelf was de schaduw van de bomen belangrijk. Zijn God woonde niet onder zogenaamde heilige bomen. Zijn God trok met hem mee en had hem beloofd dat hij vader van vele volken zou worden. Maar in de dagen van Hosea was dit verhaal vergeten.

Er werd net als vroeger in Kanaän weer geofferd onder de orakeleiken en elke andere boom die heilig verklaard kon worden en waar het voor priesters aangenaam wonen was. Het rijk van David was inmiddels ook uiteen gevallen in een Noordrijk dat zich Israël noemde en een Zuidrijk dat Judea genoemd werd. In dat Noordrijk had de stam van Efraïm het voor het zeggen. Daar hoef je je in Judea dus niet meer druk over te maken zegt Hosea. Dat rijk is verloren. Er wordt wel veel geofferd maar niets meer om te laten zien dat je wil delen van wat je van God hebt ontvangen. En om offers zelf gaat het deze God niet, die wil gerechtigheid. Die wil dat je mensen niet ziet als objecten om je lust te bevredigen. En roep die ook vandaag nog wel gehoord mag worden.

Een geding tegen de inwoners van dit land

vrijdag, 12 april, 2019

Hosea 4:1-11

1 Luister naar de woorden van de HEER, Israëlieten! De HEER voert een geding tegen de inwoners van dit land, want ze kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd. 2 Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en overspel; het ene bloedbad volgt op het andere. 3 Daarom is het land in rouw gedompeld en bezwijken al zijn inwoners, mét de dieren van het veld en alles wat vliegt; zelfs de vissen in zee sterven uit. 4 Maar laat niemand een aanklacht indienen en roep elkaar niet ter verantwoording. Tegen jou, priester, richt ik mijn aanklacht! 5 Op klaarlichte dag zul je struikelen, en ‘s nachts sleep je een profeet mee in je val. En je moeder zal ik laten omkomen. 6 Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is. Jij wilde het niet met mij vertrouwd maken, daarom wil ik niets meer met jou te maken hebben: je zult mij niet meer als priester dienen. Jij hebt de wet van je God verwaarloosd, daarom zal ik jouw kinderen verwaarlozen. 7 Hoe talrijker de priesters werden, des te meer zondigden ze tegen mij. Maar ik zal hun aanzien verruilen voor schande. 8 Ze teren op de zonden van mijn volk en hongeren naar nog meer. 9 Ik zal volk en priesters over één kam scheren: ik zal hun wangedrag bestraffen, hun misdaden zal ik vergelden. 10-11 Ze zullen eten maar niet verzadigd raken, overspel plegen maar zich niet voortplanten. Want ze hebben de HEER verlaten en vereren nu ontucht en wijn, waardoor het verstand beneveld raakt. (NBV)

Soms lijkt het er in het boek Hosea op dat God het verbond met zijn volk als een huwelijk beschouwt En pas op als er voldoende redenen zijn voor een echtscheiding. Niet dat God die scheiding wil maar soms moet je gewoon vaststellen dat de ander zich geheel en al richt op anderen dan op degene met wie de huwelijksgelofte van trouw was aangegaan. Daarom wordt er hier gesproken over meineed en bedrog. Meineed omdat toen het verbond werd gesloten het volk onder ede beloofde zich aan het verbond te houden. Maar alle 10 geboden zijn en worden gebroken.

Het zijn de priesters die van Hosea de schuld krijgen. Zij vertellen het volk niet meer over de God van Israël. Ze vertellen niet meer over de bevrijding uit de slavernij en het verbond dat die God en zijn volk zijn aangegaan. Een land dat overvloeit van melk en honing lag op hen te wachten en er was echt geen vruchtbaarheidsgod als Baäl voor nodig omdat ook te realiseren. In tegendeel, als je je God verlaat, als je het verbond verbreekt dan loopt het slecht me je af. En hoe meer priesters er komen hoe meer het verbreken van het verbond gebeurt. Natuurlijk, vreemde goden moet je in leven houden door te offeren. Priesters met prachtige gewaden en plechtige spreuken helpen je daarbij. En wie niets heeft om te offeren moet maar omkomen.

En als je door de leiding van je volk voor de gek wordt gehouden, als men weigert wetenschap serieus te nemen en er op te wijzen dat alles wat we krijgen van God gekregen is dan gaat het ook met het volk mis. Hoe dichter onze bevolking is geworden hoe meer kans op besmettelijke ziekten. Daarom heeft God ons de vaccinatie gegeven. Wie dan roept dat het God is die wil dat je kinderen ziek worden en dood gaan verwaarloosd de gaven die God al gegeven heeft om dat te voorkomen. De God van Israël is geen God van het lot, geen God waarvan je door het lezen van stokjes de toekomst te weten kan komen. Hosea noemt dat ontucht, het heil verwachten van andere goden, of va het lot en het negeren van hetgeen de God van Israël al gegeven heeft. Allen moeten we daartegen in verzet komen en weer de weg van God gaan.

Ook ik zal niet met je slapen

donderdag, 11 april, 2019

Hosea 3:1-5

1 De HEER zei tegen mij: ‘Heb nogmaals een vrouw lief, een vrouw die ondanks de liefde van haar man toch overspelig is, net zoals de HEER de Israëlieten liefheeft hoewel zij zich op andere goden richten en uit zijn op de lekkernijen in hun tempels.’ 2 Ik kocht zo’n vrouw voor de prijs van vijftien sjekel zilver en anderhalve ezelslast gerst. 3 Ik zei tegen haar: ‘Je zult geruime tijd in huis moeten blijven, je zult geen overspel kunnen plegen en je met geen man inlaten. Ook ik zal niet met je slapen.’ 4 Zo zullen de Israëlieten geruime tijd verstoken blijven van koning en leiders, van offers en gewijde stenen, van orakels en huisgoden. 5 Dan zullen ze weer verlangen naar de HEER, hun God, en hun koning David; en uiteindelijk keren ze vol ontzag terug naar de HEER en zijn zegen. (NBV)

De huwelijksrelaties van Hosea zijn de manier waarop hij de boodschap van God aan het volk wil overbrengen. De onzin van de aanbidding van eigen gemaakte afgoden moet op de een of andere manier duidelijk gemaakt worden. Het begint met de aankoop van een overspelige vrouw die zich niks aantrekt van de liefde van haar man. Het moet wel met een aankoop want ook het maken van goden van Goud en zilver kost een hoop geld. En net als bij de vrouw, waarvan je vooraf al weet dat het geen betrouwbare partner zal zijn kun je weten dat ook eigengemaakte goden niet betrouwbaar zijn. Je kunt je geluk laten afhangen van de beurs, die toch altijd weer stijgt, maar je kunt daar al je kapitaal verliezen.

Het moet duidelijk zijn dat je aan onbetrouwbare partners geen plezier beleeft. Hosea moet de vrouw die hij had gekocht dus opsluiten in zijn huis. Geen man komt meer in haar buurt. Maar ook Hosea houdt zich verre van haar. Dan zal het volk beseffen dat hun leiders eigenlijk meer voor zichzelf zorgen, hun eigen plezier najagen, dan willen zorgen voor het volk zoals de richtlijnen van de God van Israël aan wijzen. Ook bij ons dringt het besef door dat de leiders van het volk eerder de aandeelhouders dan de arbeiders tegemoet komen. Dat de projectontwikkelaars en de aannemers belangrijker zijn dan de mensen die een huis zoeken. Dat bij het plaatsen van noodzakelijke windmolens en zonnepanelen de belangen van de omwonenden volledig verdwijnen en dat alleen de winst centraal staat.

Wat in onze samenleving nog ontbreekt is dat we vol ontzag terugkeren naar de God van Israël en zijn zegen. In de vertaling staat HEER, in het Hebreeuws staat daar de naam van God die we echter nooit uitspreken. Die Heer is de eigenlijke baas van de wereld. Die heeft de wereld gemaakt en die zal de wereld vervolmaken. Of we daarvan deel zullen uitmaken hangt af van onze bereidheid om alles wat we hebben als gekregen te beschouwen en de opdracht om dat te delen willen uitvoeren. Nu zoeken we naar nieuwe zogenaamde sterke mannen. Of ze ons nu opzadelen met angst voor vreemdelingen of met afkeer van vernieuwingen lijkt ons niet uit te maken. Maar wat ze niet willen dat kennis, macht en inkomen door heel het volk gedeeld zal kunnen worden. En pas de zorg voor de minsten, voor de armen, voor de vreemdelingen en de vluchtelingen laat zien welke God we volgen. De echte God of de valse goden.

Ik verwoest haar wijnstok

woensdag, 10 april, 2019

Hosea 2:10-25

10 Zij beseft niet dat ik het was die haar koren, wijn en olie gaf. Het zilver en goud waarmee ik haar verrijkte, werd besteed aan een Baälsbeeld. 11 Daarom zal ik, als het tijd is voor de oogst, mijn koren en mijn wijn terugnemen; ook mijn wol en mijn vlas, waarmee ze haar naaktheid moet bedekken, zal ik terughalen. 12 Ik zal haar de kleren van het lijf rukken in het bijzijn van haar minnaars, en niemand die haar uit mijn greep kan redden. 13 Aan alle dagen dat zij feestviert, haar hoogtijdagen, nieuwemaan en sabbat, aan al haar feestvreugde zal ik een einde maken. 14 Ik verwoest haar wijnstok en haar vijgenboom, waarvan zij zei: ‘Het zijn geschenken die mijn minnaars me hebben gegeven.’ Ik laat ze verwilderen en geef ze prijs aan de dieren. 15 Ik zal haar straffen voor de feesten die ze aan de Baäls wijdde en waarop ze hun offers bracht; uitgedost met ringen en halssieraden liep ze achter haar minnaars aan. Maar mij vergat ze-spreekt de HEER. 16 Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken. 17 Daar zal ik haar wijngaarden aan haar teruggeven, het Achordal maak ik tot een poort van hoop. En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze wegtrok uit Egypte. 18 Dan, op die dag-spreekt de HEER -,zul je zeggen: ‘Jij bent mijn man, ‘en daarbij is geen wanklank meer te horen. 19 De namen van de Baäls zul je niet meer in de mond nemen, ze zullen niet langer worden gehoord. 20 Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard in hun land, zodat ze in rust en vrede kunnen leven. 21 Ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken, ik zal je hecht aan mij verbinden, door liefde en ontferming. 22 Mijn vrouw zul je zijn, want ik beloof je trouw, en jij zult de HEER toegewijd zijn. 23 Op die dag-spreekt de HEER zal ik antwoord geven. Dan antwoord ik de hemel en de hemel antwoordt de aarde, 24 en de aarde geeft antwoord aan koren, olijfboom en wijnstok, en zij antwoorden Jizreël, 25 want het land zaai ik in met mijn volk. Over Lo-Ruchama zal ik mij ontfermen, Lo-Ammi noem ik weer mijn volk, en dan antwoordt hij: ‘Mijn God.’ (NBV)

We moeten het beeld dat Hosea hier schetst toch wel herkennen. We geven kapitalen uit aan glitter en glamour, het beste is nog niet goed genoeg want alleen het beste maakt dat je het nog beter krijgt. De dure pakken, of mantelpakken, die je draagt, de grote van de auto waarin je rijdt, het aantal vakanties dat je per jaar neemt en vooral ook de bestemming. Ze maken allemaal deel uit van het beeld dat men van je heeft en in welke klasse je behoort. En pas bij een hogere klasse krijg je een bijpassende baan met de bijpassende bonussen en de bijpassende eer. Vergeten wordt dat alles wat je gekregen hebt in je leven van God afkomstig is. En God heeft het aan jou gegeven om het te delen met hen die niets hebben. Die armen, zieken, gehandicapten, vluchtelingen en vreemdelingen zijn de hulpjes van God. Ze helpen ons om te laten zien dat we echt geloven in de God van Israël.

Het volk Israël deed dat in de dagen van Hosea ook. Wat men van God kreeg werd besteed aan offers aan Baäl. Dat was de vruchtbaarheidsgod van de Heidenen. Als je die God voldoende voedsel en eer gaf dan kreeg je een goede oogst in ruil. En als de oogst eens mislukte dan had je niet genoeg geofferd. Een volk dat leefde volgens de richtlijnen van de God van Israël had in een jaar met een mislukte oogst al maatregelen genomen om het volk te laten overleven. In ieder dorp hoorde een silo te staan waar genoeg graan moest worden opgeslagen om het hele dorp, inclusief knechten en slaven, inclusief de armen en de vreemdelingen te laten overleven. Aanhangers van Baäl moesten honger lijden. Volgers van de God van Israël konden samen delen. De richtlijnen van God waren in de woestijn gegeven en in de woestijn zegt de profeet zal men ze zich weer herinneren.

De kinderen van Hosea heetten “geen erbarmen” en “niet mijn volk” Maar als het volk weer gaat leven volgens de richtlijnen van de God van Israël en afziet van glitter en glamour, de goden van winst en profijt verlaat dan verandert de naam van die kinderen, dan heten ze voortaan weer “erbarmen” en “mijn volk” als teken dat de God van Israël voor zijn volk blijft zorgen. Voor onze samenleving is dat hetzelfde. Als de inkomensverhoudingen binnen bedrijven weer op een begrijpbaar niveau zijn en we niet meer bang zijn voor bedrijven die de bestuurders hogere inkomens willen betalen, dan kunnen we weer zeker zijn van de werkgelegenheid, dan hoeven we niet meer bang te zijn voor vreemdelingen, dan kunnen we er op vertrouwen de energietransitie op een goede manier door te komen. Ook voor ons volk is er de keus: of eerlijk delen volgens de richtlijnen van God, of ieder voor zich en dus God voor niemand. Aan ieder van ons de keus.