Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor november, 2012

Laat u door niemand misleiden

dinsdag, 20 november, 2012

2 Tessalonicenzen 2:1-12

Tot op dag van vandaag zijn er predikers, evangelisten en voorgangers die hun gemeenten en de gelovigen bedriegen door te doen alsof ze weten wanneer het einde van de geschiedenis daar is. Alles heeft een begin en een einde dus ook de geschiedenis. Alleen God heeft geen begin en geen einde, daarom kunnen we over God zelf ook niets verder zeggen dan dat wat God van ons wil. Het einde van de geschiedenis ligt in het duister verborgen, het komt als een dief in de nacht had Jezus van Nazareth gezegd. Maar het komt en zoals in onze geschiedenis het kwaad steeds weer door mensen onder ons wordt gebracht vertrouwen gelovigen er op dat in het eind van de geschiedenis alle kwaad zal zijn verdwenen en alle tranen zijn gewist.

Paulus had zijn volgelingen opgeroepen te leven alsof het einde van de geschiedenis elke dag zou kunnen plaatsvinden. Dat wordt vermoeiend als het een paar jaar duurt, of , zoals wij nu weten, een aantal eeuwen. In Rusland zat een paar jaar geleden een kleine gemeenschap onder de grond te wachten tot het einde van de geschiedenis komt. We kennen verhalen van mensen die op een berg gingen zitten of in een woestijn. Als dan het einde van de geschiedenis maar uitblijft kunnen mensen zo wanhopig worden dat ze een eind aan hun leven maken en aan het leven van hun partners, kinderen en vrienden. Wie wijst op de spoedige komst van het Koninkrijk van God kan daar dus mede schuldig aan zijn. Wat Paulus bedoelt is dat je alvast mag beginnen met alles wat in dat Koninkrijk aan de hand zal zijn.Tranen van bedroefden kun je wissen, hongerigen kun je voeden, naakten kun je kleden, met de armen kun je delen, onrecht kan bestreden en opgeheven worden, vrede kan worden gesticht.

We hoeven ons niet neer te leggen bij de schijnbare wetmatigheid van onrecht en geweld in deze wereld. Dat onrecht en het geweld zijn niet het laatste woord in de geschiedenis. Het laatste woord is aan God, is aan liefde, is aan Recht en Gerechtigheid. Wie zich niet aan de Wet van eerlijk delen, de Wet van de Liefde wil houden zal merken dat dat niet vol te houden is, de wettelozen zullen vergaan schrijft Paulus. Als je helemaal nauwkeurig leest dan schrijft Paulus zelfs dat die verkondigers van de spoedige komst van het einde van de geschiedenis het kwaad zelf zijn. Zij sluiten de gemeente af van de wereld, zij laten de armen aan de kant liggen, de blinden zonder zicht en de lammen wijzen ze geen weg. Zogenaamde genezingen gaan gepaard met show en verheerlijking van mensen, om de inzamelingen van liefst veel geld niet te vergeten. Paulus schrijft over valse tekenen en wonderen. Laten we ons niet laten misleiden en dat wat gedaan wordt aan de minsten onder ons de maat laten zijn van waarachtig geloof.

 

Om te worden geprezen

maandag, 19 november, 2012

2 Tessalonicenzen 1:1-12

Vandaag beginnen we met het lezen van de tweede brief van Paulus aan de gemeente in Tessalonica, de Griekse stad in, de tegenwoordig Griekse, provincie Macedonië. Samen met de eerste brief van Paulus aan de gemeente in Tessalonica vormt deze brief een van de oudste geschriften uit het Nieuwe Testament. Er zijn geleerden die aannemen dat de brief werd geschreven zo’n 20 jaar na de dood van Jezus van Nazareth aan het kruis in Jeruzalem. De brief neemt enkele misverstanden weg die waren ontstaan na de eerste brief die de gemeente in Tessalonica had gekregen. Er zijn dan ook geleerden die er aan twijfelen of Paulus deze brief wel zo snel na de eerste heeft geschreven maar misschien pas aan het eind van zijn leven zich genoodzaakt zag nogmaals deze Griekse gemeente een brief te sturen.

Er zijn ook geleerden die denken dat Paulus misschien helemaal deze brief niet heeft geschreven maar dat het later nodig werd om als aanvulling op hetgeen in de eerste brief stond deze brief te schrijven. De kwestie die voor onrust in Tessalonica had gezorgd, en niet alleen daar, was de wederkomst van Christus. Paulus had in de eerste brief gesuggereerd dat de gemeente die wederkomst eigenlijk elke dag moest verwachten. Dat had men vrij letterlijk genomen. Wij weten inmiddels na 2000 jaar dat je daar toch ietwat anders tegen aan moet kijken. In deze eerste verzen legt de schrijver nog eens uit waarom het terecht is de gemeente zo te prijzen als in de eerste brief werd gedaan. Ze hadden al die loftuitingen kennelijk van zich geworpen, bescheiden als ze waren. Ze hadden het overigens niet gemakkelijk. De gemeente werd zwaar vervolgd om wat ze deden voor de slaven en de armen.

In dit hoofdstuk komt het Evangelie van Jezus van Nazareth weer terug en we weten uit het Evangelie van Lucas dat dit de boodschap is dat de armen bevrijd zullen worden. Wie daar niet aan gehoorzaamt zal zelf onderdrukt worden staat hier, en we kunnen ons voorstellen dat de machthebbers in Tessalonica daar niet blij mee waren en een dergelijke groep mensen probeerden te onderdrukken. Dat verhaal dat je, door met elkaar te delen, door elkaar lief te hebben, door elkaar als gelijken te behandelen, en door datzelfde te doen voor iedereen in je omgeving, elke aardse overheid uiteindelijk kan weerstaan en verslaan, trekt natuurlijk toch mensen die arm zijn, ziek zijn, in slavernij worden gehouden en zich onderdrukt voelen. Zij worden niet met geweld bevrijdt maar met liefde. Daar is een overheid niet tegen bestand. Dat blijkt ook in onze dagen, vreedzame demonstraties die ergens voor zijn, vallen nauwelijks te verbieden. Dat moet ook ons hoop geven op de bevrijding van de armen en de afbraak van de onrechtvaardige tolmuren.

Een arme weduwe

zondag, 18 november, 2012

Marcus 12:35-13:2

Als het uitgangspunt van je godsdienst is dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat je dus in de eerste plaats oog moet hebben voor de armen in de samenleving, voor de weduwe en de wees stond er in de Hebreeuwse Bijbel die we tegenwoordig het Oude Testament noemen, wat zie je dan als je bij het centrum van je godsdienst bent? Zie je dan scherpslijperij waar je uren over kunt debateren? Jezus van Nazareth geeft er een voorbeeld van. Een echte theologische discussie waar gestudeerde dominees en pastoors van houden. Dikke boeken zijn er volgeschreven over vragen zoals Jezus van Nazareth hier formuleert. Soms wordt er over God, engelen, de hemel en het hiernamaals zo lang en breed gesproken dat het er op lijkt dat die discussies het belangrijkste zijn op geloofsgebied.

Mensen luisteren graag naar dat soort discussies, ze doen een beroep op hun denkvermogen en als hun voorgangers en leraars er logische en fraaie redeneringen over opzetten dan lijken ze belangrijker en hun luisteraars doen dan belangrijke dingen door naar ze te luisteren of door hun dikke boeken te lezen. Maar het heeft niks te maken met het houden van God en dus niks met het liefhebben van een naaste als jezelf. Integendeel, als je dat soort scherpslijpende voorgangers goed bekijkt zie je hun deftige zwarte en grijze pakken, hun smetteloos witte overhemden en zorgvuldig geknoopte stropdassen. Ze zijn lid van de plaatselijke Rotary clubs en zitten vooraan als er belangrijke diners worden georganiseerd of als belangrijke personen in het zonnetje moeten worden gezet. Het heet bij ons anders maar het is niet anders als in de dagen van Jezus van Nazareth.  Dat verslinden van die huizen van de weduwen begrijpen we misschien niet direct. Maar als we de boeken van de profeten weer eens nalezen dan horen we weer de waarschuwing aan de rijken dat ze akker aan akker rijgen en de armen  laten kreperen. In een stad als Jeruzalem waren weduwen extra afhankelijk van mensen die bereid waren hun een eigen plaats in de samenleving te geven. Zorgen dat ze ongestoord konden wonen was het eerste dat nodig was. Dus als er geen huur betaald kon worden, als de woning verkocht moest worden om te kunnen blijven eten, dan moet je de weduwe niet direct op straat zetten.

Die vrome keurige scherpslijpers met hun fraai geformuleerde lange gebeden wisten er wel raad mee. Er was toch werk genoeg? Iedereen kan toch werk vinden? Dat is toch een eigen verantwoordelijkheid? Je moet de armen toch niet belonen voor hun armoede? Het zijn de kreten die je ook vandaag de dag kunt horen als je je inzet voor de bestrijding van armoede, tegen woekerrente, voor het laten werken van mensen die lang uit het arbeidsproces zijn. Maar bijna ieder collectant voor een goed doel weet het. Als je collecteert in een “arme” buurt haal je meer op. Als het op delen aankomt zijn mensen met een laag inkomen meer bereid om te delen met wie het nodig heeft dan de rijken. Die houden de deur dicht en de knip op slot. En menig collectant die door stromende regen huis aan huis liep te collecteren voor een goed doel kan vertellen dat hij of zij in een eenvoudige woning werd binnengevraagd om een warm kop koffie te drinken. Jezus van Nazareth vraagt ons vandaag waar we bij willen horen, bij die mensen waar de mensen oog voor hebben omdat ze zich rijk en succesvol voordoen, of bij de mensen die oog hebben voor de armen voor de minsten. Die keus moeten we ook vandaag weer maken.

Heb uw naaste lief als uzelf.

zaterdag, 17 november, 2012

Marcus 12:28-34

Wat is dat nu dat geloven? Zelfs schriftgeleerden kunnen er mee in de knoop zitten. Ze hadden altijd geleerd dat het zat in het nauwkeurig volgen van alle 163 geboden uit de eerste vijf boeken van de Bijbel. Over het hoe en wanneer van het volgen van die geboden waren lange discussies gevoerd. Uiteindelijk zouden er dikke boeken over worden geschreven. Elke denkbare situatie zou worden verkend en elke denkbare interpretatie van de regels zou onder woorden worden gebracht. Die geboden kwamen van God en aangezien niemand gelijk was aan God werd geen van die interpretaties of toepassingen verworpen. Maar was dat nu geloven in God? Wat is nu het hart van het geloof, wat is de essentie, waar draait het allemaal om en als je die interpretaties en toepassingen in het heden probeert te plaatsen wat is dan je richtsnoer?

Ook daar is een antwoord op. Karen Anderson, die veel over de Bijbel geschreven heeft en tal van godsdiensten heeft onderzocht, komt met de Gouden Regel : “Wat gij niet wilt dat U geschiedt, doet dat ook een ander niet” Als iedereen dat zou doen dan zou het ogenblikkelijk vrede worden. Dat staat inderdaad ook in de Bijbel. Maar Jezus van Nazareth gaat nog een stap verder. Hij plakt twee geboden aan elkaar, het eerste gebod uit de 10 geboden zoals in het boek Deuteronomium te vinden is en de samenvatting zoals die in het boek Leviticus staat. Het begint zoals in het boek Deuteronomium Mozes vertelt dat hij begon te vertellen toen hij het volk de geboden bracht. “Hoor Israël” Een oproep aan het volk. Die oproep klinkt tot op vandaag de dag door. Telkens weer, dag in dag uit en ontelbare keren per dag wordt het volk Israël opgeroepen hier naar te luisteren. En wij mogen meeluisteren, door Jezus van Nazareth mogen we zelfs meedoen. Het allereerste dat dan gezegd moet worden is dat de God van Israël de enige Heer is. Wie jou ook wat heeft opgedragen of voorgehouden, als het niet van God komt is het van nul en generlei waarde. Want die God moet je immers liefhebben met alles wat in je is, je hart, dus emotioneel, je verstand, dus rationeel, je ziel, dus met je hele persoonlijkheid, maar ook fysiek met al je kracht.

Hoe doe je dat dan die God liefhebben? Want een beeld van die God is er niet, een plaats waar hij woont is niet zichtbaar, ja de hele aarde zeggen ze: dat is zijn voetenbank. Dan komt het tweede gebod, de Statenvertaling sprak nog uit dat dit gelijk is aan het eerste gebod, hier staat het één na belangrijkste, maar het is het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf. Belangrijker dan deze twee is er niet. Alles is er op gericht geen andere machten macht en gezag toe te kennen op deze aarde alleen de God van Israël en alles wat je dus doet, denkt, voelt, in beweging zet en je kracht nodig heeft is gericht op de naaste, de minste bovenal, de armen, de hongerigen, de gevangenen, de lammen en de blinden, de weduwe en de wees. Dat is belangrijker dan alle religieuze rituelen. De schriftgeleerde noemt er een aantal uit zijn tijd, wij hebben andere maar het Koninkrijk van God zit in die eerste twee geboden. Dat is zo glashelder dat je er verder geen vragen bij hoeft te stellen. Het bevrijdt ons van al die machten en krachten in de wereld die ons voor zichzelf willen gebruiken, die geld, eer, roem en genot aan ons willen verdienen en ons af willen houden van de zorg voor de minsten in de wereld. Het richt ons juist op die minsten. Dat kan en dat mag door Jezus van Nazareth die het ons voorleefde zelfs dwars door de dood heen. Daar mogen we ons vandaag dus ook weer door laten leiden en in beweging zetten. Opstaan dus, voor de minsten.

 

En ze waren met stomheid geslagen

vrijdag, 16 november, 2012

Marcus 12:13-17
 
Vandaag om te beginnen een verhaal over belastingbetalen, tenminste zo lijkt het. Twee elkaar vijandige groepen wenden zich tot Jezus van Nazareth. Het lijkt er op dat ze een man van gezag hebben gezocht die hun geschil zou kunnen beslechten. Wat moet je doen, wel of geen belasting betalen aan de bezetter, de uitperser van het land. Fanatieke Farizeeën hadden opgeroepen om geen belasting te betalen aan de Romeinen. De Herodianen benadrukten dat er tenminste een eigen koning in het land was die de Tempeldienst kon beschermen en die begrip kon wekken bij de Romeinen voor de eigen aard en gebruiken van de Joden. Daarvoor moest dan wel belasting betaald worden. Maar eigenlijk was het een strikvraag, want die Jezus van Nazareth had het steeds over een eigen Koninkrijk. Dit verhaal over de belasting wordt meestal zo uitgelegd dat het lijkt of Jezus de mensen opdraagt netjes belasting te betalen. Dat is in een geordende samenleving waar de kerk op goede voet met de overheid wil blijven natuurlijk wel een heel handige uitleg. Maar is het de juiste?

We hebben hier al eens gelezen over het misbaar dat gemaakt werd toen Jezus bij een belastinginner, een tollenaar, binnen ging. We hebben ook gelezen dat we geen afbeeldingen van enig God mogen maken. En de munt waarop de keizer stond kwam uit de zak van de kerkleiding, die keizer vond zichzelf God, en zijn afbeelding stond op zijn munt. Zo’n munt hoor je dus niet in je zak te hebben. Geld van de bezetter die het volk uitperst, die alles doet wat God nu juist verboden heeft. Daar moet je niet bij willen horen. Laat die Keizer zichzelf maar houden en zichzelf aanbidden. Je moet God geven wat van God is. Nu is de mens naar Gods beeld gemaakt, jezelf geven is dan ook voor de hand liggend. Die Keizer zou zich dus ook aan God moeten geven. En dat brengt je gelijk op de vraag hoe je om moet gaan met de belastingen vandaag de dag. Allereerst moet je dus kijken hoe de overheid met de belastingen om gaat.  Wordt dat gebruikt om vrede te brengen of om oorlog mogelijk te maken, wordt dat gebruikt om de hongerigen te voeden of om de armen uit te buiten, wordt dat gebruikt om mensen tot hun recht te laten komen of om onrecht te doen. De besluiten daarover worden in onze samenleving democratisch genomen. Dat betekent dat we de gelegenheid hebben het volk er van te overtuigen dat de Wet van de God van Israël moet gelden, dat het voorbeeld van Jezus van Nazareth moet gelden.

De Saduceeën uit het verhaal van vandaag geloofden niet in de opstanding van de doden. Hun voorbeeld maakt het geloof in die opstanding dan ook bespottelijk. Jezus van Nazareth geeft op hun vraag eigenlijk twee antwoorden, als we al opstaan dan is dat als de engelen en verder weten het niet want God is een God van levenden.  In het boek Genesis wordt verteld dat God een grens stelde aan de leeftijd van de mensen, ouder dan 120 jaar zouden ze niet worden. Daar staat dan dat de adem van God, waarmee hij de mens het leven heeft gegeven, weer terug keert naar de borst van God. Een mooi beeld. Maar als jonge mensen sterven dan kan het toch niet afgelopen zijn? Als mensen zich inzetten tegen zinsloos geweld en daarbij zelf omkomen, of sneuvelen op een missie die vrede en veiligheid moet brengen, dan zullen ze toch deel mogen hebben aan de samenleving waar de dood niet meer zal zijn? Of er een God is weten veel mensen niet,  zeker niet hoe ze zich die God moeten voorstellen, maar dat het na de dood niet afgelopen is dat willen ze wel geloven. Van Jezus van Nazareth mag dat, al moet je daar geen voorstellingen van willen maken. Zoals Jezus van Nazareth zijn liefde door de dood heen kon dragen zal God ook zijn geliefden door de dood heen dragen. Daarom mogen we in dit leven al opstaan tegen onrecht en het lijden van medemensen, dat mogen we ook vandaag al doen, dat is kiezen voor het leven. Die Saduceeën behoorden tot de heersende elite uit de dagen van Jezus van Nazareth. Zij hadden zich neergelegd bij de bezetting door de Romeinen. Maar mensen die zich niet neerleggen bij de dood als het laatste woord in het leven leggen zich ook niet neer bij onrecht en onderdrukking als een onontkoombaar verschijnsel in het leven. Mensen die geloven brengen daar verandering in, brengen recht en gerechtigheid, elke dag weer opnieuw.

 

We weten het niet.

donderdag, 15 november, 2012

Marcus 11:27–12:12

We hebben er zo’n mooi woord voor, legitimering. Zijn je daden legitiem, ofwel: is er een wet of voorschrift waarop je je kunt beroepen. of, nog mooier, is er een autoriteit die je een opdracht voor je gedrag heeft gegeven? De diaken uit Wijchen die terecht stond omdat ze een uit te zetten gezin had helpen inpakken beriep zich op haar ambt, ze was immers door haar kerk aangesteld om de armen te helpen en dus kon ze niet anders dan de kinderen in haar armen nemen toen die werden uitgezet met hun ouders. De rechter sprak haar dan ook vrij van de beschuldiging zich onnodig bemoeit te hebben met de uitzetting. Maar wie springt in de bres voor  de bewoners van dat kampje in Osdorp? Kerken proberen aandacht te vragen voor de onmenselijke situaties waarin door ons beleid mensen worden gebracht. Die protesten zijn een opdracht van ons geloof. Ons niet aflatend geloof in een samenleving waarin mensen niet apart worden gezet vanwege hun geloof of afkomst maar juist de toetssteen vormen voor de vraag of wij de Wet van de God van Israël willen volgen zoals ons voorgeleefd is door Jezus van Nazareth.

Soms kun je de boodschap niet vaak genoeg herhalen. We hebben dan ook vier evangeliën die de boodschap elk op een eigen manier vertellen. Maar vergelijkingen, gelijkenissen, zijn een enkele keer behulpzaam om de bedoeling van je boodschap te verduidelijken. Natuurlijk moet je daar voorzichtig mee zijn. Elke vergelijking gaat immers mank. Nooit is een analogie geheel dezelfde maar het kan genoeg duidelijk maken. Jezus van Nazareth hield er van zijn boodschap in vergelijkingen te gieten, de gelijkenissen, korte verhaaltjes die zijn boodschap duidelijk moeten maken. Dat geldt ook voor deze gelijkenis van de knechten in de wijngaard die weliswaar knechten blijven maar iedereen wijs maken dat ze de baas zijn en daartoe boodschappers van de heer van de wijngaard zelfs weten te mishandelen of te doden. De religieuze leiders van die tijd voelden zich aangesproken.

Vlak voordat deze gelijkenis wordt verteld heeft die Jezus van Nazareth in het verhaal van Marcus de handelaars uit de Tempel verdreven en nu maakt hij de dienaren van de Tempel uit voor criminelen. Dat gaat toch wel een beetje ver. Zo sterk durven we het tegenwoordig bijna niet meer te brengen. Het offeren in de Tempel is door het optreden van die Jezus onmogelijk geworden. De geldwisselaars en offerdierverkopers zijn immers verdreven. Dat het offeren betekent dat je samen een maaltijd houdt, dat de dienaren van de Tempel er voor zijn om toezicht te houden op een goed verloop van die maaltijd en dat iedereen daaraan mee kan doen, dat wordt vergeten. Uiterlijk vertoon heeft de plaats ingenomen van het oude godsdienstige handelen dat gericht was op samen leven en samen delen. Wij moeten in onze dagen bijvoorbeeld politici blijven herinneren aan hun plicht namens ons te zorgen voor een rechtvaardige samenleving waarin we in vrede met elkaar kunnen leven en met elkaar kunnen delen zodat ook de armsten tot hun recht komen. In dat opzicht hebben zij de plaats van de levieten ingenomen en zouden ze aan onze tafel voor een goed verloop moeten zorgen  en er voor zorgen dat iedereen kan meedoen. En een wijngaard kan een ideale samenleving zijn als we maar niet denken dat we het exclusieve recht op de vruchten van de wijngaard hebben. Ook de vruchten van onze wijngaard zullen gedeeld moeten worden, ook vandaag.

Vergeef hem dan.

woensdag, 14 november, 2012

Marcus 11:12-25
 
Godsdienst en geld gaan niet samen. Toch ontkom je natuurlijk niet aan een zekere samenwerking. Een kerkgebouw moet onderhouden worden en de schilders en de dakdekkers moeten nu eenmaal ook leven. En in een gewone protestantse gemeente heeft een voorganger die de hele week rondgaat en de zieken en bejaarden bezoekt, trouwdiensten  en begrafenissen leidt en op zondag ook nog preekt, ook recht op een salaris. Maar goed gaat het nooit. Of er wordt een te groot beroep gedaan op de gemeenteleden of er wordt te gemakkelijk verspild of niet goed begroot, goed gaat het nooit. De economie gaat minder, er komen steeds minder mensen in de kerk en steeds minder mensen geven minder geld.

In het verhaal van vandaag gaat het nog erger. Niet alleen geeft de vijgenboom geen vruchten, de vijgenboom verdort zelfs helemaal, de tempel is verworden tot een marktplaats voor religie. Geldwisselaars, offerdierenverkopers, het wemelt van mensen die een graantje meepikken van het religieus besef van de gemiddelde bezoekers. Ooit was de opdracht om als offer een maaltijd te houden, met mensen die dienst deden in de tempel, de levieten, met de armen en de vreemdelingen. Maar de levieten waren inzamelingen gaan houden voor hun levensonderhoud en de armen werd wijsgemaakt dat ze ook mee moesten betalen voor God. De vreemdelingen mochten er al helemaal niet meer komen. Jezus zwiept iedereen die er niet hoort de tempel uit. Dat moet een geweldige rel gegeven hebben. Als je zoiets doet voel je je natuurlijk ook heel sterk. Net als iemand die tegen een berg zegt “Stort in de zee” en die berg doet het ook nog. Verzet tegen onrechtvaardigheid helpt. Maar de weerstand wordt ook groter.

Al die mensen in onze samenleving die proberen ook samen met de vreemdelingen in ons midden een echte samenleving op te bouwen voelen zich steeds vaker bedreigd door de geweldige propaganda die TV programma’s maken voor de vreemdelingenangst die er bij een minderheid is. Die TV programma’s doen dat onder het motto dat uiterst rechts ook gehoord moet worden maar niemand hoort ooit die grote hoeveelheid vrijwilligers die zich met taallessen, integratie in buurten, opvang van asielzoekers en rechtsbijstand bezig houden. Voor een echte rechtvaardige samenleving is nog veel werk te doen al geeft het moed te weten dat als je gelooft dat je het al ontvangen hebt je het ook zult krijgen. In de tijd van Jezus van Nazareth zullen sommigen gedacht hebben dat het hem in zijn bol geslagen is. De tijd voor vijgen was er nog niet eens en toch vervloekt hij de vijgenboom en wie wil er nu een berg verplaatsen. Handelaren uit de religie meppen helpt ook niet echt. Toch sterkt zo’n verhaal je bij het werken aan een nieuwe samenleving, hoe meer mensen er in slagen aan die samenleving samen vorm te geven hoe meer de angst voor het onbekende af zal nemen en vrede en gerechtigheid hun plaats weer zullen innemen. Vandaag dus maar weer aan die berg beginnen.

 

Het komende koninkrijk

dinsdag, 13 november, 2012

Marcus 11:1-11
 
Vandaag klinkt in het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, dat we hier volgen, het feest van  Palmpasen door.  In dat verhaal bereid men zich kennelijk voor op de komst van dat nieuwe koninkrijk dat al heel lang beloofd was. Ooit, in de woestijn, was er een Wet en een God die zeiden dat je moest delen wat je had met elkaar. Later in de loop van de geschiedenis was er een koning David die vanuit die instelling de vijanden versloeg en vrede in het land bracht en waren er profeten geweest die steeds weer riepen dat het volk van die weg af dwaalde en dat als men op die weg terugkeerde het rijk van vrede en recht zou komen. De profeet Zacharia had zelfs gezegd dat er een zachtmoedige koning van de vrede zou komen die niet hoog te paard omringt door soldaten zijn intocht zou doen maar op een ezelsveulen.

Nu was daar die Jezus van Nazareth. Die had het ook steeds over dat Koninkrijk, dat niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat overal in de wereld tegenkomen. Een koninkrijk van macht en aanzien, van economische groei ten koste van de armen in de wereld, maar een koninkrijk van dienen, van zorg voor de armen. Marcus vertelt het verhaal van de intocht op een geheel eigen manier. Het begint al in Jericho als Jezus, gevolgd door een grote menigte, optrekt naar Jeruzalem. Onderweg kwamen ze een blinde tegen die Jezus begroette als Zoon van David, de komende koning dus. Dat had hij goed gezien en hij kon als ziende mee met de stoet. Toen ze nog maar een paar kilometer van Jeruzalem waren begon Jezus van Nazareth zijn eigenlijke intocht. De ezel werd gehaald. Ze kregen de ezel mee omdat, zoals uit de Griekse tekst te lezen is, de leerlingen in het midden lieten of de Heer, de Keizer was of  Jezus van Nazareth, die ezel nodig had.

Onder het zingen van Psalm 118 begon de tocht. Jezus van Nazareth gaat naar de plaats waar de Wet van de Woestijn een centrale plek had gekregen, Jeruzalem.  De reis naar Jeruzalem werd een soort demonstratie, een met mantels versierde ezel, takken van de bomen, mantels op de grond en juichen voor het nieuwe Koninkrijk. Als je van die takken hoort denk je onwillekeurig aan het Loofhuttenfeest als er hutten van takken gebouwd worden als herinnering aan de reis door de woestijn. Dwars tegen de Romeinse bezetter in wordt dat nieuwe rijk van David, het koninkrijk van vrede en recht alvast door de mensen uitgeroepen. Maar zo eenvoudig is het niet, er zal gewerkt moeten worden. Als het dus laat in de avond is geworden, en Jezus van Nazareth gezien heeft wat er van de Tempel echt is geworden, gaan ze weer terug. Vrede en recht vestigen zich niet op aarde als we er allemaal om juichen. Daarvoor is het offer van Jezus van Nazareth nodig geweest en ons offer, ons werk voor de minsten van de aarde dat we elke dag opnieuw mogen doen, totdat het rijk zal aanbreken.

Omdat hij aan een gelofte gebonden was

maandag, 12 november, 2012

Handelingen 18:12-22

Politiek in de kerk, het kan de gemoederen danig verhitten. Wanneer de Wereldraad van Kerken, kerkelijke organisaties of kerken zelf gewezen hebben op gevaren die de wereld bedreigen of op onrechtvaardige verhoudingen tussen mensen kwamen er steeds gelovigen in opstand en verweten de kerkleiders politiek te bedrijven. Ook de discussie tussen Joden en Christenen in de tijd van Paulus ging over politiek. En wel over de belangrijkste politieke vraag van de tijd van Paulus namelijk wie regeert de aarde, God of de Keizer? Christenen hadden tot antwoord dat God alleen de Heer van de wereld was. In Jezus van Nazareth had hij immers onder ons gewoond en de dood overwonnen. Veel veiliger was het te geloven dat God in de hemel de baas was en de Keizer op de aarde.

 Voor de Romeinse gouverneur Gallio is het lood om oud ijzer. De God van de Joden is onzichtbaar, er bestaat zelfs geen beeld van, en de god van de Christenen is aan een kruis gestorven. Einde verhaal en niet langer de rechtzaal bezetten. Als ze elkaar in elkaar willen slaan dan doen ze dat maar. Voor ons is de vraag minder onbelangrijk. Voor wie gelooft dat God de enige Heer is op aarde is het oplossen van onrechtvaardige handelsverhoudingen, is het bevrijden van mensen van onderdrukking en geweld een reële mogelijkheid, zelfs een onontkoombare opgave. Dat is politiek, het besturen van de wereld, want laten we God en de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf de wereld besturen of willekeurige mensen met hun verlangen naar macht, roem en rijkdom voor zichzelf?

Het verhaal van de strijd in Korinthe tussen Joden en Christenen en de reactie van Gallio stelt ook ons de vraag waar we partij voor zouden willen kiezen. Voor Paulus is het duidelijk. Hij leeft onder de gelofte zich apart te stellen voor God zoals in het Bijbelboek Numeri werd beschreven, hij werd Nazareër, opvolger van Simson. Maar de reis die voortvloeide uit deze gelofte liep af en voor hij naar Jeruzalem vertrok liet hij zijn hoofd kaalscheren, het traditionele einde van het Nazireeërschap. Dat haar werd meestal in de Tempel in Jeruzalem verbrand als teken dat het offer dat men op zich had genomen ook volbracht was. Voor Paulus was het dat ook. Hij was op zijn reizen vertrokken uit Antiochië en daar keerde hij nu weer naar terug. De taken die we in ons leven op ons nemen hoeven niet ons hele leven te duren. De taak om rechtvaardigheid en vrede te brengen is voor gelovigen onontkoombaar maar daarbinnen zijn deeltaken die gedurende een bepaalde tijd opgenomen kunnen worden. Schrijven voor Amnesty International, vrijwilliger in de Fair Trade winkel of de voedselbank en een van die vele andere activiteiten die de heerschappij van God op aarde zichtbaar maken kunnen ook tijdelijk worden gedaan. Maar als je er een keer aan begonnen bent kun je er bijna niet meer mee ophouden, dat zal ook bij Paulus blijken.

Wees niet bang, maar blijf spreken en zwijg niet!

zondag, 11 november, 2012

Handelingen 18:1-11

Paulus en de vrijheid van meningsuiting. Die Paulus kreeg overal conflikten en in een paar hoofdstukken hebben we al een paar kunnen lezen hoe hij in de gevangenis belandde of bijna in de gevangenis terecht kwam. Ook in Korinthe ontstonden er allerlei conflicten. Maar daar was een oplossing voor. Misschien dat Paulus die oplossing vond bij Priscilla en Aquila, riemensnijders net als hij zelf. Ze kwamen uit Rome, maar op last van keizer Claudius moesten alle Joodse volgelingen van Christus de stad verlaten in het jaar 49. Volgens die keizer hadden die Joden onder aanvoering van hun leraar Chrestos een opstand uitgelokt. Gewoon gaan en een andere stad zoeken zullen Priscilla en Aquila gedacht hebben. In Korinthe komen ze nota bene de Apostel Paulus tegen en die namen ze in huis. Net als Silas en Timotheüs die later aankwamen.

Maar ook in Korinthe braken allerlei conflicten uit. Wegwezen moet Paulus gedacht hebben, dat is de beste remedie. Hij besloot uit de synagoge weg te blijven en voortaan de mensen te vertellen over Jezus van Nazareth in het huis van Titius Justus, naar de naam te oordelen een bekeerde Heiden, wiens huis naast de Synagoge lag. Het gevolg was dat zelfs de leider van de Synagoge, Crispus, met al zijn huisgenoten volgeling werd van Jezus van Nazareth. En Crispus was een welkome kracht want als leider van de Synagoge moet hij goed thuis zijn geweest in de geschriften van het Oude Testament. Die geschriften werden bij elke bijeenkomst gelezen en uit die geschriften werd geleerd waarom Jezus van Nazareth eigenlijk de messias, de gezalfde bevrijder, genoemd kon worden. Bang om je eigen verhaal te vertellen hoef je dus niet te zijn. Ook niet als je in een omgeving verkeerd waar iedereen over je heen valt omdat ze wat anders geloven.

Ook niet als mensen zich verzetten omdat ze bang zijn hun positie te verliezen. Dat verhaal van de manier waarop Jezus van Nazareth het heb Uw naaste lief als Uzelf in de praktijk bracht is sterk genoeg. Dit verhaal over het verblijf van Paulus in Korinthe probeert dat duidelijk te maken. Hier geen gevangenis maar een eigen huis waar Paulus met de jonge gemeente bijeen kon komen om het verhaal te vertellen en samen de gemeenschap te vieren. Denk nu niet dat Paulus aan de lopende band nieuwe bekeerlingen heeft gedoopt. In de anderhalf jaar dat Paulus in Korinthe heeft gewerkt bleef dat beperkt tot Crispus en zijn huisgenoten, Gajus en een zekere Stefanas. Het verhaal en het vieren van de gemeenschap moet genoeg zijn. Het is dan ook aan de gemeente van Korinthe dat Paulus later zijn brieven kan schrijven waarin ook het beroemde lied over de liefde staat. Want niet het succes van Paulus of welke prediker staat voorop, maar de liefde van de ene mens voor de andere, zoals Jezus van Nazareth ons dat voorgeleefd heeft. Daar sprak Paulus over, daar mogen ook wij over spreken. Elke dag opnieuw, ook vandaag weer.