Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2018

Red ons

woensdag, 21 maart, 2018

Jozua 10:1-15

1 Toen Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en alle inwoners had gedood, dat hij met Ai en de koning van die stad hetzelfde had gedaan als met Jericho en zijn koning, en dat de inwoners van Gibeon een vredesverdrag met Israël hadden gesloten en in hun midden woonden, 2  toen werden hij en zijn volk doodsbang. Gibeon was namelijk even groot als de koningssteden, zelfs nog groter dan Ai, en de mannen die er woonden waren buitengewoon dapper. 3  Koning Adonisedek stuurde boden naar Hoham, de koning van Hebron, Piram, de koning van Jarmut, Jafia, de koning van Lachis, en Debir, de koning van Eglon. Hij vroeg hun: 4  ‘De inwoners van Gibeon hebben een vredesverdrag met Jozua en Israël gesloten. Kom me te hulp, dan kunnen we ze samen verslaan.’ 5  De vijf Amoritische koningen sloten zich aaneen. Zij, de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmut, Lachis en Eglon, trokken met hun legers ten strijde tegen Gibeon, sloegen het beleg voor die stad en voerden er aanvallen op uit. 6  De Gibeonieten stuurden toen een bode naar het kamp bij Gilgal. Ze smeekten Jozua: ‘Laat ons niet in de steek, kom snel naar ons toe om ons te helpen. Red ons, want de Amoritische koningen uit de bergen hebben zich allemaal tegen ons aaneengesloten.’ 7 Hierop trok Jozua met zijn hele leger, geen enkele soldaat uitgezonderd, vanuit Gilgal ten strijde. 8  De HEER zei tegen hem: ‘Je hoeft voor die koningen niet bang te zijn, want ik lever ze aan je uit. Geen van hen zal tegen je kunnen standhouden.’ 9  Jozua wist de vijand vanuit Gilgal in één nachtelijke mars te bereiken, en hij verraste hem in een plotselinge aanval. 10  Toen de soldaten van de vijand het leger van Israël zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek in hun gelederen, zodat de Israëlieten hun bij Gibeon een zware nederlaag konden toebrengen. Ze achtervolgden hen tot aan de pas van Bet-Choron, en nog verder-ja, ze sloegen hen zelfs vlak voor Azeka en Makkeda nog neer. 11  Toen hun vijanden de pas van Bet-Choron afvluchtten, wierp de HEER vanuit de hemel grote hagelstenen op hen, tot aan Azeka toe. Er stierven meer soldaten door die hagelstenen dan door de zwaarden van de Israëlieten. 12  Want op die dag, de dag dat de HEER de Amorieten aan Israël overleverde, had Jozua gebeden tot de HEER. In aanwezigheid van Israël sprak hij:
‘Zon, sta stil boven Gibeon, maan, blijf staan boven de vlakte van Ajjalon.’ 13  En de zon stond stil en de maan bleef staan,
tot Israël zijn vijanden had afgestraft.  Dit staat opgetekend in het Boek van de Oprechte. De zon bleef een volle dag boven aan de hemel staan voordat ze onderging. 14  Het is voor noch na die dag ooit voorgekomen dat de HEER op die manier gehoor gaf aan de bede van een mens, maar de HEER streed dan ook voor Israël. 15 Na deze overwinning keerde Jozua met het hele leger terug naar het kamp bij Gilgal. (NBV)

Er zal gevochten moeten worden om het verlies van Kanaän, het land dat overvloeide van melk en honing, te voorkomen. Dat is de overtuiging van de Koningen van Kanaän, de koning van Jeruzalem voorop. Ze hadden een verbond gesloten om te voorkomen dat die woestijnzwervers uit dat kamp bij Gilgal zich over het land zouden verspreiden en daar de boventoon zouden gaan voeren. Jericho was zo’n beetje zelf in elkaar gevallen, Ai was niet zo’n grote stad geweest en daar hadden ze kunnen overwinnen, maar Gibeon was zo groot als een echte koningsstad en die had een verbond gesloten met Israël. Er was dus al een sluipende verovering van Kanaän aan de gang en ook al bleef dat volk in hun kamp in Gilgal de dreiging werd steeds groter. Zo werkt dat dus, we scheppen ons een angst voor het vreemde, voor vreemdelingen en uiteindelijk maken we onze angst zo groot dat we die om moeten zetten in aggressie. Door de hele geschiedenis heen zien we dat patroon dat ons met name door de machtigen en rijken wordt voorgehouden. Zo’n overloper als Gibeon moet dus bestraft worden en zonder dat de zogenaamde helden van Gibeon iets misdaan hebben trekken de legers van de coalitie van Kanaän op naar Gibeon.

Het verdrag tussen Israël en Gibeon houdt in dat Israël Gibeon zou beschermen. En dat gebeurt natuurlijk. Het leger marcheert een hele nacht lang naar het bedreigde Gibeon en het volstrekt onverwachte verschijnen van het leger zaaide paniek, zodat het leger redelijk gemakkelijk won. Een aangezien al het positieve dat het volk meemaakt aan God wordt toegeschreven en men zich mag afvragen waar dat leger van de Koningen van Kanaän nu zo bang van werd, heeft men de paniek die ontstond aan God toegeschreven en niet aan de angst die door die Koningen ten onrecht was gezaaid. Let bij zulke verhalen altijd op. Beide partijen hebben er belang bij de oorzaak van de afloop te leggen buiten zichzelf. Als je ooit weer vrede zou willen sluiten dan moet je de gelegenheid hebben iemand anders buiten jezelf verantwoordelijk te maken voor de ellende die in het conflict is veroorzaakt. Rebellen, dieven, opstandelingen zijn dan gemakkelijk aan te wijzen oorzaken van onverwachte ellende, bijkomende schade, ongelukken in de strijd. We kennen het tot in onze dagen.

De invloed van de natuur wordt graag gebruikt om de eigen kracht in het verhaal te kunnen vergroten. Hagelstenen zijn door God gezonden.  De verhalen die overblijven worden door de overwinnaars verteld. In de Bijbel zijn die verhalen soms fragmentarisch overgenomen. Zo ook dat verhaal over de dag die langer duurde dan gebruikelijk was, het leek wel of de zon had stilgestaan. Dat komt niet direct uit de Bijbel maar uit het Boek van de Oprechte waaruit geciteerd wordt. Wij kennen dat boek niet. Wat we wel weten is dat de Bijbel vertelt dat niet de machtigen de tijd hebben uitgevonden maar dat de tijd ons gegeven is door God. Die tijd is zo gegeven dat de slaven, de arbeiders, de armen, niet dag en nacht hoeven te zwoegen. Er zijn tijden van rust en tijden van arbeid. Er is zelfs een dag afgezonderd om die vrijheid te vieren. Maar voor de armen is de tijd maar relatief, de meeste tijd gaat op om je voedsel te verzamelen, om je bezit te beschermen. als een kalf verdronken is dan demp je de put en let je niet op de tijd. Zo vocht het leger van Israël, net zo lang als nodig was, zo lang dat het leek alsof de zon zou stilstaan boven het dal van Gibeon. Ook hier geeft God de mensen de tijd. Wij worden dus geroepen op te letten wie ons eigenlijk te tijd geeft. Wordt ons vrije tijd geschonken of wordt alle tijd tot werktijd verklaard, zodat de tijd bepaald wordt door de werkgevers. God bevrijdt in elk geval.

We moeten onze eed gestand doen

dinsdag, 20 maart, 2018

Jozua 9:16-27

16  Maar drie dagen nadat ze dit verdrag met hen gesloten hadden, ontdekten ze dat de Chiwwieten niet ver weg maar juist dichtbij woonden. 17  De Israëlieten waren namelijk verder getrokken en na drie dagen bij hun steden gekomen: Gibeon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim. 18  Maar de Chiwwieten werden niet door hen gedood, omdat de stamhoofden hun dat bij de HEER, de God van Israël, hadden gezworen. De hele volksvergadering beklaagde zich hierover bij de stamhoofden, 19  maar die zeiden: ‘We hebben het hun gezworen bij de HEER, de God van Israël, dus we kunnen ze niets doen. 20  We moeten onze eed gestand doen en ze in leven laten, anders roepen we de woede van de HEER over ons af omdat we onze eed hebben geschonden. 21  Dus ze moeten blijven leven.’ De stamhoofden voegden hier echter aan toe: ‘Maar we kunnen ze voortaan voor heel Israël hout laten hakken en water laten putten.’ Aldus werd besloten. 22 Jozua liet hen bij zich roepen en vroeg hun: ‘Waarom hebt u ons bedrogen door te zeggen dat u heel ver van ons vandaan woont, terwijl u in dit gebied woont? 23  Vervloekt bent u! U zult voor altijd onze slaven zijn, houthakkers en waterputters voor het heiligdom van mijn God.’ 24  De Chiwwieten antwoordden Jozua: ‘We hoorden steeds weer dat de HEER, uw God, zijn dienaar Mozes had opgedragen het hele land tot uw bezit te maken en alle inwoners uit te roeien. We werden doodsbang voor u. Daarom hebben we het gedaan. 25  Maar nu zijn we in uw macht. Doe met uw dienaren wat naar uw oordeel goed en rechtvaardig is.’ 26  En Jozua deed dat. Hij beschermde hen tegen de Israëlieten: hij doodde hen niet, 27  maar maakte hen op die dag tot houthakkers en waterputters voor heel Israël en voor het altaar van de HEER, dat op een plaats zou komen die de HEER zou kiezen. Ze zijn dit tot op de dag van vandaag. (NBV)

Er zijn later natuurlijk vragen gesteld. Waarom hadden Chiwwieten uit Gibeon zo’n bijzondere positie in Israël? Ze waren de houthakkers en putten water voor de Tempel in Jeruzalem. Daar mochten helemaal geen niet Israëliers komen. Dat was heilige grond. Daar stond een groot koperen waterbekken voor de rituele reinigingen die moesten plaatsvinden voordat er offers gebracht konden worden. En die mensen uit Gideon hadden daar een mooie baan aan. Ze zullen in de loop van de jaren wel vaak aangezien zijn voor illegale gastarbeiders. Maar dan werd weer het verhaal verteld over de Gibeonieten die een verdrag sloten met Jozua op grond van de Tora, omdat ze uit de Tora het verhaal hadden gehoord dat ze uitgeroeid moesten worden en omdat ze geloofden dat de God van Israël ook echt meende wat aan zijn volk werd opgedragen. Hun aanwezigheid in de Tempel was volgens dit verhaal een voorbeeld voor het hele volk, vertrouw op de God van Israël en je zult leven.

Het is hen niet altijd goed gegaan. Israël wilde immers leven zoals de andere volken ook leefden, met een eigen koning en zo. En koningen, machthebbers en grote partijen houden niet van de opvang van vreemdelingen. Die zien ze maar al te graag als vijanden. Zo ging het ook met de inwoners van Gibeon. Toen Israël een koning had zoals de andere volken, koning Saul, toen liet deze een heleboel mannen uit Gibeon doden omdat ze wel eens met de vijand konden heulen. Dit ingaan tegen de uitdrukkelijke wens van de God van Israël, de verdragen die gesloten zijn ook na te komen, luidde de ondergang van koning Saul en de komst van koning David in. Iedere Israëliet die het verhaal van Saul hoorde zal zich toch een beetje schuldig hebben gevoeld. Net als wij zouden moeten doen als we horen dat vreemdelingen die vluchten voor het schenden van mensenrechten hier geen bescherming krijgen maar ook hun mensenrechten geschonden dreigen te worden.

En het bedrog van de Gibeonieten? Je mag een ander toch niet zo bedriegen? Door bedrog en oplichting hadden ze hun verdrag weten af te dwingen. Natuurlijk de stamoudsten en Jozua hadden niet eerst de Heer geraadpleegd voor ze het verdrag sloten, maar dat maakt die vreemdelingen uit Gibeon niet minder leugenaars en liegen mag toch niet? De leugens van Gibeon hebben een heleboel mensen het leven gered. Er kwam geen oorlog, ze werden beschermd. Er werden geen Israëlieten gedood en er werden geen inwoners van Gibeon gedood. Wat dat betreft hadden de leden van het verzet in de Tweede Wereldoorlog er van geleerd. Om anderen te redden, Joden, onderduikers, verzetsmensen, mocht je liegen. Dat deden ze in de Tweede Wereldoorlog overigens niet zonder discussie. Eén van de kerkvaders heeft ooit een boekje geschreven waarin hij op grond van Bijbel aan wilde tonen dat je nooit, nergens ergens over mocht liegen. Maar de armen zijn niet heilig, de onderdrukten geen perfecte voorbeelden. Hen gaat het over overleven, het leven van zichzelf en hun naasten redden. Juist vanwege dat leven is de God van Israël aan hun kant, leugen of geen leugen. Wij mogen daar nog wel eens aan denken als we het hebben over de gastvrijheid voor vreemdelingen die op de vlucht gedwongen zijn.

We komen uit een ver land

maandag, 19 maart, 2018

Jozua 9:1-15

1-2 Toen de koningen ten westen van de Jordaan, die van het bergland, het heuvelland en het hele kustgebied bij de Grote Zee, tot aan de Libanon toe, van Israëls zegetocht hoorden, sloten ze een bondgenootschap. Zij, de koningen van de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten, besloten gezamenlijk tegen Jozua en Israël te strijden. 3 Maar toen de Chiwwieten uit Gibeon te weten kwamen wat Jozua met Jericho en Ai had gedaan, 4  namen ze hun toevlucht tot een list: een aantal van hen ging naar Jozua onder de dekmantel van een gezantschap. Ze bepakten hun ezels met versleten zadeltassen en oude, gebarsten wijnzakken 5  en trokken opgelapte sandalen en afgedragen kleren aan. Als proviand namen ze alleen uitgedroogd en verkruimeld brood mee. 6  Zo gingen ze naar het kamp bij Gilgal, naar Jozua. Ze zeiden tegen hem en de Israëlieten: ‘We komen uit een ver land en willen een vredesverdrag met u sluiten.’ 7  ‘Dat kunnen we niet zomaar doen, ‘antwoordden de Israëlieten. ‘Misschien woont u wel in dit gebied, hoe kunnen wij dan een verdrag met u sluiten?’8  Hierop wendden de Chiwwieten zich tot Jozua. ‘We zijn bereid ons aan u te onderwerpen, ‘zeiden ze. Jozua vroeg: ‘Wie bent u en waar komt u vandaan?’9  ‘Uw dienaren komen uit een zeer ver land, ‘antwoordden ze. ‘De naam van de HEER, uw God, heeft ons hier gebracht, want zijn roem is tot bij ons doorgedrongen. We hebben gehoord wat hij allemaal in Egypte heeft gedaan, 10  en ook wat hij met de twee Amoritische koningen ten oosten van de Jordaan heeft gedaan: koning Sichon van Chesbon en koning Og van Basan, die in Astarot zetelde. 11  Onze oudsten en alle inwoners van ons land zeiden ons daarom proviand in te slaan en naar u op reis te gaan. Bij u aangekomen moesten we u onze onderwerping aanbieden en u vragen een vredesverdrag met ons te sluiten. 12  Kijk, dit is ons brood. We hebben het op de dag van ons vertrek als verse proviand uit onze huizen meegenomen, maar nu is het uitgedroogd en verkruimeld. 13  En kijkt u eens naar deze wijnzakken: ze waren nieuw toen we ze vulden, maar nu zijn ze gebarsten. En dit zijn onze kleren en sandalen: u ziet dat ze op onze lange tocht helemaal versleten zijn.’ 14  De stamhoofden van Israël namen toen wat van de proviand aan, maar ze verzuimden de HEER om raad te vragen. 15 Jozua sloot een vredesverdrag met hen en beloofde hun dat hun leven zou worden gespaard. De stamhoofden bekrachtigden dit met een eed.(NBV)

De Bijbel is uiteindelijk samengesteld tijdens en vlak na de ballingschap waarheen het volk Israël uit het land was weggevoerd. De vraag waarmee het volk van de God van Israël was blijven zitten was hoe dat nu had kunnen gebeuren. Het antwoord kwam van profeten als Jesaja, Jeremia en Ezechiël. Profeten hadden het volk altijd opgeroepen de Tora te onderhouden en te blijven vertrouwen op de God van Israël als hun redder in een turbulente wereld waar de een altijd over de ander wil heersen. In de verhalen die ze in de ballingschap hadden meegenomen herkenden ze soms het patroon van afval van die profetische waarschuwingen. Het boek Jozua is daar een voorbeeld van. De hele Tora was volgens het verhaal aan het volk voorgelezen. Met de klank van de Tora in de oren moest de rest van het land in ontvangst worden genomen. Je moet de Tora ter harte nemen. Maar je moet ook je verstand blijven gebruiken. Eén van de verkeerde beslissingen die het volk vlak voor de ballingschap had genomen was de keuze voor een politiek van bondgenootschappen.

De Tora waarschuwde voor bondgenootschappen met buurvolken en grote wereldmachten. Alleen als een stad heel ver weg lag dan zou een bondgenootschap te overwegen. Wij kennen die bondgenootschappen ook. De NAVO is zo’n militair bondgenootschap, opgericht om de democratie in Europa te beschermen. Een mooie doelstelling. Maar de NAVO kende ook een lid dat een duidelijke militaire dictatuur als regering had die niets van democratie wilde weten, Griekenland. Tegenwoordig kent de NAVO een lid met een zeer autoritair bestuur waar iets democratisch als de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting tot een minimum beperkt zijn, Turkije. Wij doen al heel lang dus niet veel anders als de Koningen van Kanaaän die uit angst voor die vreemde vijand uit het oosten een bondgenootschap sloten. Maar het kan anders. Er was een stad die geen zin had in een oorlog, of die nu gewonnen kon worden of niet. Zij hadden een studie gemaakt van dat vreemde volk en daarin ontdekt dat dat volk bondgenootschappen mocht sluiten met volken die ver weg woonden. Het waren de mensen van Gibeon die gebruik maakten van de Tora. Alleen woonden ze ook in Kanaaän en dat was niet de bedoeling.

Maar die mensen uit Gibeon wisten er wat op, ze stelden een gezantschap samen, namen oude wijnzakken en droog brood om als reiskost te dienen en zochten een paar bewoners uit die gemakkelijk voor langdurige reizigers konden doorgaan. Ze kregen de opdracht een verbond te sluiten en te benadrukken dat ze een zeer lange en vermoeiende reis hadden gemaakt. Dat is toch een hele eer, dat mensen van heel ver weg naar jou toekomen om een verdrag te sluiten. Tegenwoordig zeggen we dan dat mensen van ver weg komen om jou uit te nodigen handel te drijven. En als je daar dan heen gaat dan wordt je als een vorst onthaald. De Koning, regeringsdelegaties, provinciebesturen, burgemeesters, allemaal gaan ze naar China, niemand spreekt daar over het record aantal doodstraffen die daar worden uitgesproken, over democratie, vrijheid van meningsuiting, rechten van de mens spreekt al helemaal niemand. Net als de oudsten van Israël proeft men het oude brood en kijkt men de ogen uit naar de door de verre reis versleten kleren. Hoe het afloopt wordt in het gedeelte van vandaag niet verteld. Maar er zit genoeg in het verhaal om ons aan het denken te zetten, daar is het verhaal voor bedoeld, ook vandaag weer.

 

Ook de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen

zondag, 18 maart, 2018

Jozua 8:30-35

30 Hierna bouwde Jozua op de Ebal een altaar voor de HEER, de God van Israël, 31  zoals Mozes, de dienaar van de HEER, het volk van Israël had opgedragen. Hij bouwde het altaar volgens de voorschriften van Mozes: een altaar van ruwe stenen, die niet met ijzeren gereedschap bewerkt waren. De Israëlieten brachten daarop brandoffers en vredeoffers voor de HEER. 32  Jozua maakte op stenen een afschrift van de wet die Mozes in aanwezigheid van het volk had opgeschreven. 33  Ondertussen stond Israël, met alle oudsten, griffiers en rechters ter weerszijden van de ark van het verbond met de HEER, tegenover de Levitische priesters die de ark droegen. Zowel de geboren Israëlieten als de vreemdelingen die bij hen woonden waren aanwezig. De ene helft van het volk keek uit op de Gerizim en de andere helft keek uit op de Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. Eerst zegende Jozua het volk van Israël, zoals Mozes had opgedragen, 34  en daarna las hij heel diens wetboek voor, woord voor woord, ook alle zegeningen en vervloekingen die in dat boek zijn opgeschreven. 35  Er was geen voorschrift van Mozes dat Jozua niet voorlas aan de Israëlieten, die daar allemaal bijeengekomen waren. Ook de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij hen woonden waren daar aanwezig. (NBV)

Zo kwam het land in het bezit van Israël, de God van Israël had gegeven, het volk had genomen. Nu komt de vraag of het volk ook had ontvangen. Het boek Jozua is geen geschiedenisboek. Jozua wordt door het volk Israël bij de profeten gerekend en profeten houden het volk bij de Tora, de leer van Mozes. In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap wordt nog steeds de vertaalfout herhaald die gemaakt is toen de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks werd vertaald, een fout die herhaald werd toen die Griekse Bijbelvertaling in het Latijn werd vertaald. Voor het Hebreeuwse woord “Dabar” werd toen “Wet” ingevuld, maar wie een modern woordenboek Bijbels Hebreeuws raadpleegt leest voor “Dabar” woord, zaak of ding. De “Wet” van Mozes, moeten we dus lezen als het onderricht van Mozes. Het verhaal van Jozua lijkt dus meer op een preek in een kerkdienst dan op een geschiedenisboek van Simon Schrama.

Er zijn dus twee manieren waarop het land werd gegeven en genomen. Een geweldloze manier zoals over Jericho wordt verteld, en een gewelddadige manier zoals over Ai wordt verteld. Wij kiezen in onze dagen voor de manier waarop Jericho werd ingenomen, we verafschuwen een verhaal als over Ai wordt verteld. Op zich is die keus een volstrekt Bijbelse keus, wie denkt dat de Hebreeuwse Bijbel een boek vol bloederige verhalen is waar we niks meer mee kunnen leest die eerste Bijbel als een boek van Simon Schrama. Tussen de verhalen over Jericho en Ai staat het verhaal over Achan en over de hebzucht die er in het volk aanwezig was. De boodschap is dus dat als je hebzucht blijft tolereren je gedwongen wordt om bloedig geweld te gaan gebruiken tegen je vijanden. Zo zullen we ook naar Bankdirecteuren moeten kijken die zich met extreem hoge bonussen laten belonen. Spaarders en hypotheekgevers zullen daar op enig moment weer het slachtoffer van worden.

Het wordt dus tijd om het onderricht van Mozes weer te laten spreken. De boeken met die leer besluiten met de oproep die leer dag en nacht ter harte te nemen en het volk van Israël geeft in het gedeelte van vandaag daar een voorbeeld van. Er wordt een altaar opgericht waarop vrede offers gebracht kunnen worden. Als je samen eet dan moet er wel vrede komen. Daarom geen altaren van pracht en praal, waar afstand geschapen wordt tussen gewone mensen en de buitengewone God en zijn vertegenwoordigers, maar altaren van bruikbare stenen die verder onbewerkt blijven. Op die altaren geen fraaie afbeeldingen van de macht van de God waaraan geofferd wordt, maar in steen gebeiteld de leer van Mozes zoals die de leer van God had ontvangen. Rond die altaren de bestuurders van de samenleving, stamoudsten, groepsvertegenwoordigers, de Priesters en Levieten. Daarachter het leger en daarachter de rest. Een rest die wij ter harte moeten nemen. Vrouwen en kinderen spreken vanzelf, maar waarom worden die vreemdelingen hier zo uitdrukkelijk genoemd? Rachab en haar familie kennen we, maar er moeten er dus veel meer geweest zijn die tot het volk werden gerekend, zonder Israëlieten geworden te zijn. Zo zullen wij in woord en daad ook de leer van Mozes, de leer van de God van Israël in woord en daad moeten onderwijzen. Ook door de vreemdelingen als horend bij ons volk te beschouwen. Gelukkig mag dat elke dag opnieuw.

De inwoners van Ai zweepten elkaar op

zaterdag, 17 maart, 2018

Jozua 8:13b-29

13.b De nacht daarop trok Jozua met het leger het dal door. 14  Toen de koning van Ai hen zag naderen, rukte hij onmiddellijk met al zijn mannen uit om Israël aan te vallen. Hij trok regelrecht naar het terrein dat uitziet op de Jordaanvallei. Hij wist echter niet dat zich achter de stad een troepenmacht schuilhield. 15  Jozua liet zich met heel Israël terugdringen. Ze sloegen op de vlucht in de richting van de woestijn, 16  en de inwoners van Ai zweepten elkaar op om hen na te jagen, maar door achter hen aan te gaan werden ze van de stad weggelokt. 17  Er bleef in Ai en Betel niet één man over die niet achter Israël aan ging, maar door de achtervolging in te zetten lieten ze de stad onbeschermd achter. 18  Toen zei de HEER tegen Jozua: ‘Strek je zwaard uit naar Ai, want ik geef je de stad in handen.’ Jozua strekte zijn zwaard uit naar Ai, 19  en op dat teken kwam de achterhoede onmiddellijk te voorschijn, stormde de stad binnen, nam haar in en stak haar in brand. 20  Toen de soldaten van Ai omkeken en zagen dat er uit de stad rook opsteeg, stonden ze zo verlamd van schrik dat ze niet in staat waren om nog te vluchten. Ook werden ze nu bestookt door het leger van Israël, dat niet langer naar de woestijn vluchtte. 21  Want toen Jozua en het leger zagen dat de achterhoede de stad had ingenomen en dat er rook uit opsteeg, keerden ze om en vielen het leger van Ai aan. 22  Tegelijkertijd werd het vanuit de stad door de achterhoede aangevallen, zodat het door de Israëlieten was omsingeld. Israël doodde de soldaten van Ai tot er niemand meer over was, 23 maar de koning van Ai namen ze levend gevangen en ze brachten hem naar Jozua. 24  Zo doodde Israël alle soldaten van Ai op de akkers en in de woestijn waar ze Israël hadden achtervolgd; ze werden omgebracht tot de laatste man. Daarna ging Israël opnieuw naar Ai en doodde het de rest van de bevolking. 25  Er stierven op die dag twaalfduizend mannen en vrouwen uit Ai, 26  want Jozua hield zijn zwaard uitgestrekt totdat alle inwoners van Ai waren gedood. 27  Maar het vee en de goederen van die stad maakte Israël voor zichzelf buit, zoals de HEER aan Jozua had opgedragen. 28  Jozua liet Ai in vlammen opgaan en maakte die stad voor eeuwig tot een ruïne. Deze is daar tot op de dag van vandaag. 29  De koning van Ai hing hij op aan een boom en hij liet hem hangen tot de avond. Pas bij zonsondergang gaf Jozua bevel het lijk van de boom te halen en het in de stadspoort neer te gooien. Daar bedolven ze hem onder een grote hoop stenen, en die is er tot op de dag van vandaag. (NBV)

Had dat niet anders gekund? Twaalf keer duizend mensen doden op één dag? Dat getal roept bij ons als het goed is afkeer en walging op. Maar twaalf keer duizend is in de Bijbel ook een symbolisch getal. Je kunt er uit lezen dat de bevolking van Ai op den duur niet meer als zelfstandig volk te kennen was. Ze waren opgegaan in Israël of Kanaän. Alleen een steenhoop, een puinhoop bleef over. Daaronder lag de Koning van Ai en een volk, een stam een stad was immers in Kanaän kenbaar aan de koning. Dat hadden alle volken. Allen Israël had niet zo’n Koning. Israël had een militair leider, Jozua, maar die handelde in opdracht van zijn God. Had het echt niet anders gekund? Was de verwoesting van Jericho niet voldoende geweest? Ai had immers ook al een keer van Israël gewonnen, toen had Israël de strijders van Ai onderschat en waren ze gedreven door hebzucht, dat had tot verlies geleid.

Het verhaal over Ai vertelt ons dus dat hebzucht tot verlies leidt. Verlies van Israël in de oorlog met Ai, verlies van Ai als ze niet de akkers, het land dat overvloeit van melk en honing, willen delen met dat volk van woestijnzwervers. Na Jericho waren ze bang geweest. Heel Kanaän was vervuld geweest van angst had Rachab aan Israël bevestigd. Maar door de eerste overwinning waren ze overmoedig geworden. Het is een verhaal dat zich vele malen in de menselijke geschiedenis heeft herhaald. Onderschatting, hebzucht, overschatting van eigen mogelijkheden, arrogantie, het klinkt altijd weer door in de verdediging en de beschrijving van menselijke oorlogen. Of het nu de oorlog in Vietnam was, de oorlogen om Koeweit en Irak of de huidige oorlog in Syrië en de oorlog tegen IS.

In onze moderne samenleving proberen we dit soort conflicten soms ook te beslechten met onderhandelingen. Die komen op gang als beide partijen geen belang denken te hebben bij een oorlog. Of ze zijn te bang voor elkaar, of ze wegen de sympathie die met onderhandelen tegenwoordig te verwerven is af tegen het leed dat elke oorlog kost. Soms staan we verbaasd over de weigeringen om te onderhandelen. Toen in 1948 de Algemene Vergadering instemde met een voorstel om het mandaatgebied Palestina te delen tussen de Joden en de Palestijnen hadden velen onderhandelingen verwacht. Die kwamen er niet, er werd een Joodse staat opgericht die in een oorlog haar grenzen vaststelde. Maar toen Palestijnen eindelijk akkoord gingen met het idee van twee staten in vrede naast elkaar, weigerde Israël nog steeds echt te onderhandelen, ze weigeren het nu opnieuw. De geschiedenis van Ai dreigt zich voortdurend te herhalen. Aan ons de oproep van Jezus van Nazareth om zelfs je vijanden desnoods lief te hebben. Met die oproep zullen we volken moeten benaderen. Elke dag mogen gelukkig onze eigen regering daartoe oproepen, ook vandaag weer.

 

Laat je door niets ontmoedigen.

vrijdag, 16 maart, 2018

Jozua 8:1-13a

1 De HEER zei tegen Jozua: ‘Maak je gereed om met het voltallige leger tegen Ai ten strijde te trekken. Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen. Ik lever de koning van Ai met heel zijn leger, heel zijn stad en heel zijn gebied aan je uit. 2  Doe met Ai en de koning hetzelfde als wat je met Jericho en de koning hebt gedaan. Maar nu mogen jullie de goederen en het vee voor jezelf buitmaken. Laat een troepenmacht zich verdekt achter de stad opstellen.’ 3 Jozua en het leger maakten zich toen gereed om tegen Ai ten strijde te trekken. Jozua koos dertigduizend soldaten uit, die hij ‘s nachts naar Ai stuurde. 4  ‘Stel je verdekt op achter de stad, ‘beval hij hun, ‘maar niet al te ver ervandaan. Blijf paraat. 5  Wanneer ik met het leger de stad nader, zullen ze net als de vorige keer op ons afkomen. Dan slaan we voor hen op de vlucht.  6  Ze denken dan natuurlijk dat we net als de vorige keer echt vluchten en zullen ons achterna komen. We vluchten net zo lang tot we ze van de stad hebben weggelokt. 7  Dan moeten jullie te voorschijn komen en haar innemen. De HEER, jullie God, zal jullie de stad in handen geven. 8  Dus neem haar in en steek haar in brand, zoals de HEER heeft opgedragen. Dit zijn jullie orders.’ 9  Hierna liet Jozua de mannen vertrekken, die zich ten westen van Ai, tussen Ai en Betel, verdekt opstelden. Jozua zelf sliep die nacht bij het leger. 10  De volgende ochtend vroeg inspecteerde Jozua het leger. Daarna trok hij samen met de oudsten van Israël aan het hoofd van het leger ten strijde naar Ai. 11  Al het krijgsvolk rukte met hem op, en toen ze in de omgeving van Ai waren gekomen, sloegen ze hun kamp op ten noorden van de stad. Ze werden alleen van haar gescheiden door een dal. 12  Verder liet Jozua ongeveer vijfduizend man zich ten westen van de stad, tussen Ai en Betel, verdekt opstellen. 13  Daar bevond zich dus de achterhoede van het leger, terwijl het leger zelf zijn kamp ten noorden van Ai had opgeslagen. (NBV)

Waar de besmetting met hebzucht toe kan leiden beginnen we vandaag te lezen. Het is een bekend verhaal, knappe generaals verzinnen listen om de overwinning te behalen en het overwinnende leger gaat dan plunderen. Dit keer mag het van God. De knappe listen waarmee Jozua op de proppen komt worden toegeschreven aan de God van Israël. Dezelfde God die het volk had geboden niet te doden, dezelfde God die bij Jericho het volk een geweldloze overwinning had geschonken. Het volk had dit zich niet eigen gemaakt. De zucht naar goud en goederen was sterker geweest dan de liefde voor de God van Israël. Toch laat die God niet af met dat wat hij begonnen is, het land te schenken aan het volk dat hij gekozen heeft om zijn Naam groot te maken onder de volken.

Nu is van achteren aanvallen een gemene truc. Israël had in de woestijn de Amelekieten ontmoet die de woestijnzwervers geen water en doortocht hadden verleend maar integendeel hen in de rug hadden aangevallen. De Amelekieten hadden daarmee een eeuwige haat van Israël over zich afgeroepen. Amelekiet was het scheldwoord geworden waarmee iedereen werd aangeduid die het volk kwaad had willen doen en in de Bijbel vind je daarvan de sporen terug in bijna elk verhaal dat over strijd ging. Niet in het verhaal van vandaag, in de strijd tegen Ai is het God zelf die het volk opdraagt om zich verdekt op te stellen achter de stad. Het is een strategie geworden die in talloze oorlogen is herhaald. Lok de tegenpartij weg bij de plaats die ze wil verdedigen en sla dan toe met troepen die je verdekt hebt opgesteld.

Jozua zorgt er voor dat er voor het leger van Ai geen ontsnappen mogelijk is. Maar wat moeten we met dit verhaal. Uit alle volken in de wereld en uit elke geschiedenis sinds mensenheugenis vallen dergelijke verhalen te vertellen. Het innemen van Jericho spreekt ons vandaag de dag meer aan. We herdenken de mars van Martin Luther King in Selma. De macht van de demonstranten daar lag juist in hun geweldloosheid. Tegelijk herinneren we de tocht die Gandi maakte dwars door India om de zoutbelasting te ontlopen, ook hij werd machtig door zijn geweldloosheid. Het inzetten van legers, het verzinnen van listen om de ander in de val te lokken brengt slechts leed en ellende. Dat de bevolking van Ai dat land dat overvloeide van melk en honing niet wilde delen had tot gevolg dat ze er aan zouden sterven, maar dat een volk van de God van Israël zoveel leed zou moeten veroorzaken valt ons telkens weer tegen. Misschien dat die verhalen daarom worden verteld, om ons te leren afschuw te krijgen van al dat militarisme en op zoek te gaan naar geweldloze wegen om maatschappelijke conflicten op te lossen

Een prachtige mantel uit Sinear

donderdag, 15 maart, 2018

Jozua 7:16-26

16 De volgende ochtend vroeg liet Jozua Israël aantreden volgens de stammen en de stam Juda werd aangewezen. 17  Daarna liet Jozua de stam Juda aantreden en de HEER wees het geslacht van Zerach aan. Daarna liet Jozua van het geslacht van Zerach de familiehoofden aantreden en Zabdi werd aangewezen. 18  En van diens familie liet Jozua de mannen aantreden en Achan werd aangewezen: een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en afkomstig uit de stam Juda. 19  Jozua zei tegen hem: ‘Kom, Achan, eerbiedig de HEER, de God van Israël, en leg voor hem een bekentenis af. Zeg me wat je hebt gedaan. Houd het niet voor me verborgen.’ 20  Achan antwoordde: ‘Ik beken dat ik heb gezondigd tegen de HEER, de God van Israël. Dit is wat ik heb gedaan: 21  Ik zag dat er onder de buit een prachtige mantel uit Sinear was en tweehonderd sjekel zilver en een goudstaaf die wel vijftig sjekel woog. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden en heb het gestolen. Het ligt allemaal in mijn tent onder de grond verborgen. Het zilver ligt onder de mantel.’ 22  Jozua stuurde een paar mannen, die snel naar de tent gingen en daar de mantel vonden, met het zilver eronder. 23  Ze namen het allemaal mee uit de tent, brachten het naar Jozua en de Israëlieten en spreidden het voor de ark van de HEER uit op de grond. 24  Hierna brachten Jozua en de Israëlieten Achan, de nakomeling van Zerach, naar het Achordal, samen met het zilver, de mantel en de goudstaaf, en met zijn zonen en dochters, runderen en ezels, schapen en geiten en zijn tent-kortom, met alles wat hij bezat. 25  Jozua zei: ‘Jij hebt ons in het ongeluk gestort! Daarom zal de HEER jou vandaag in het ongeluk storten.’ Hij en al de zijnen werden door heel Israël gestenigd en verbrand. 26  Daarna bedolven ze hen onder een grote hoop stenen. Toen bekoelde de woede van de HEER. Deze steenhoop is er tot op de dag van vandaag en deze plaats wordt het Achordal genoemd, tot op de dag van vandaag. (NBV)

Goud en goed hebben altijd al een bijzondere aantrekkingskracht gehad. De Grieken hadden er zelfs een eigen God voor, de Mammon. Mensen die afzien van het verwerven en nastreven van geld en goed zijn door de eeuwen heen als bijzondere mensen apart gezet. Ze worden overigens niet altijd gewaardeerd overigens. Toen Franciscus van Assisi zijn kostbare kleren uit trok en naar zijn vader wierp moest hij blootsvoets de stad uit vluchten. De zucht naar geld en goed is ons mensen dus in het geheel niet vreemd. Maar in de Bijbel wordt ons verteld dat alle bezit, alle goederen die te bezitten zijn, van de God van Israël afkomstig zijn. Wij mogen zaaien en oogsten en delven en van hetgeen we van en uit de aarde winnen producten maken waar we in kunnen handelen, wie het slimste of het  brutaalste is verdient daaraan het meeste, maar we moeten nooit vergeten dat we dat alles kunnen maken, verhandelen en verdienen omdat God het ons heeft gegeven. Ons bezit beschouwen we daarom als een lening en met die lening moeten we het goede doen en niet dan het goede. Israël zou een bijzonder volk moeten zijn waaraan duidelijk zou worden wie de God van Israël eigenlijk wel was en wat die God voor alle volken op aarde zou kunnen betekenen.

Het volgen van die God zou bijvoorbeeld vrede op aarde kunnen betekenen. Voor het voeren van oorlogen kunnen heel veel redenen worden gegeven. Maar ze komen allemaal op twee hoofdredenen neer, de ene partij wil meer bezitten als de andere, en de beide partijen willen niet met elkaar delen of de ene partij vindt zich beter dan de andere en wil dat die andere partij dat erkent en daarom aan de ene gehoorzaamt. Bezit en macht tekenen de verhoudingen tussen mensen in de wereld. Paulus schreef al eens ergens dat geld de wortel van alle kwaad is. Dat was voor hem niet iets nieuws maar dat had hij al uit het boek Jozua kunnen leren. De Tora had Israël opgeroepen alle ongerechtigheid uit haar midden te verwijderen. En het streven naar bezit dat verboden was door de God van Israël was een directe belediging van die God en dus onduldbaar. Het ging weer om bezit, een kostbare mantel uit Sinear, wij kennen dat als Babel, en om  goud en zilver. Die mantel is voor ons vreemd maar bedenk dan dat de Assyrische generaal Naäman voor zijn genezing tien van zulke mantels over had, een geweldige schat wordt het in de Bijbel genoemd.

De procedure die Jozua moet volgen komt ons nogal omslachtig voor. Eerst moeten de twaalf stammen aantreden en moet er gezocht worden naar de stam die de ongerechtigheid bevat. Dat blijkt Juda te zijn. Dan moeten van Juda alle families aantreden en moet daar de schuldige in gevonden worden. Uiteindelijk blijkt dat Achan te zijn die bekend en wordt veroordeeld nadat ook inderdaad het gestolene bij hem is gevonden. Het gaat dus wel heel zorgvuldig. Uiteraard moet Achan gestraft worden, dat gebeurd dan ook en ook in onze dagen ondervind het gezin van een crimineel daar de gevolgen van. Maar waarom die stammen en al die families van de betreffende stam? Het verhaal gaat er kennelijk van uit dat hebzucht besmettelijk is en dat een crimineel niet los staat van de maatschappelijke omgeving waarin de misdaad is gepleegd. In onze dagen dringt dat heel langzaam door. Meestal nog in negatieve zin, we speuren met de overheid naar misdadigers, we geven misdrijven aan als we ze tegenkomen. We zijn als samenleving nog niet zo ver dat we fundamenteel nadenken over het voorkomen van misdrijven. Dat werd in Israël wel gedaan. De idee dat alles een lening is die je moet delen met de armsten kan op zich hebzucht beteugelen en misdaden voorkomen. Daar kunnen wij nog hard aan werken. Gelukkig mag dat elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Israël schond de ban

woensdag, 14 maart, 2018

Jozua 7:1-15

1 Maar Israël schond de ban. Er was een zekere Achan: hij was een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en hij was afkomstig uit de stam Juda. Deze Achan vergreep zich aan de goederen die onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd waren. Hierop ontstak de HEER in woede tegen het volk van Israël. 2 Jozua stuurde een paar mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, ten oosten van Betel. Hij droeg hun op dat gebied te verkennen. De mannen verkenden Ai, 3 en toen ze teruggekomen waren rapporteerden ze aan Jozua: ‘U hoeft niet het hele leger naar Ai te laten uitrukken. Zo’n twee- of drieduizend man is voldoende om de stad te verslaan. Het is echt niet nodig dat u het hele leger met een veldtocht naar die stad vermoeit, want Ai heeft maar weinig inwoners.’ 4  Er gingen toen een drieduizend man. Maar ze werden op de vlucht gejaagd door het leger van Ai, 5  dat hen achtervolgde vanaf de poort tot op de helling even voorbij het ravijn. Daar doodde het zesendertig man. Toen sloeg de angst het volk om het hart en het werd radeloos. 6 ¶  Jozua en de oudsten van Israël scheurden hun kleren, wierpen zich voor de ark van de HEER ter aarde en gooiden stof over hun hoofd. Zo bleven ze tot de avond liggen. 7  Jozua riep uit: ‘Nee, HEER ! Nee, mijn God! Waarom hebt u dit volk eigenlijk de Jordaan laten overtrekken? Alleen om ons over te leveren aan de Amorieten en ons door hen te laten doden? Waren we maar zo verstandig geweest aan de overzijde van de Jordaan te blijven. 8  Ach Heer, wat kan ik anders zeggen nu Israël voor zijn vijanden op de vlucht geslagen is? 9  Als de Kanaänieten en alle andere inwoners van dit land het horen, zullen ze ons van alle kanten aanvallen en onze naam van de aardbodem wegvagen. En hoe wilt u dan uw grote naam instandhouden?’ 10 De HEER sprak hierop tot Jozua: ‘Sta op! Wat lig je daar nu op de grond! 11  Israël heeft gezondigd. Ze hebben het gewaagd de regels van het verbond te overtreden die ik hun gegeven heb. Ze hebben zich vergrepen aan de goederen waarop mijn ban rustte. Ze hebben die gestolen, en dat ook nog eens proberen te verdoezelen door ze tussen hun eigen bezittingen te verbergen. 12  Daarom kan het volk van Israël niet standhouden tegen zijn vijanden. Het zal voor zijn vijanden op de vlucht slaan, omdat het nu zelf aan de vernietiging is prijsgegeven. Ik zal jullie niet meer bijstaan als jullie je niet van de gestolen goederen ontdoen. 13  Zorg ervoor dat het volk zich reinigt. Geef het volgende bevel: “Wees morgen rein, want dit zegt de HEER, de God van Israël: jullie hebben goederen in je bezit waarop mijn ban rust, Israëlieten. Jullie zullen niet kunnen standhouden tegen je vijanden totdat jullie die hebben weggedaan. 14  Treed morgenochtend aan volgens jullie stammen. De stam die de HEER aanwijst moet volgens de geslachten aantreden. En het geslacht dat de HEER aanwijst moet volgens de families aantreden. En van de familie die de HEER aanwijst moeten de mannen aantreden. 15  Dan moet degene die wordt aangewezen als de schuldige, verbrand worden, hij en al de zijnen, want hij heeft het verbond met de HEER geschonden. Wat hij gedaan heeft is voor het volk van Israël een schanddaad.”’ (NBV)

Rond de Franse revolutie was er een filosoof die riep dat eigendom diefstal was. Hij wilde alle eigendom afschaffen. Nu wil de Bijbel zeker niet zo ver gaan maar diefstal is onrecht. Israël heeft het land Kanaän niet gekregen om zich op een gewelddadige manier te kunnen verrijken. Het land dat overvloeit van melk en honing zou een land van delen en gerechtigheid moeten worden. De verovering van Jericho zou model moeten staan voor de verovering van heel Kanaän. Het geweld ging niet van het volk uit. Het hele volk nam deel aan de ceremonie waarmee de stad veranderd werd in een puinhoop. En de belofte van leven aan hen die willen delen wordt gestand gedaan, Rachab en haar familie werden gered. Alle buit, het goud, het zilver, het koper en het brons waren voor de God van Israël. Het volk zou het land moeten bewerken en er op vertrouwen dat het land zoveel zou opbrengen dat ze er van zouden kunnen leven. Bij het Pesachmaal hadden ze daar al een eerste teken van gehad.

Nu kwam de volgende stap in de verovering van Kanaän. En nu bleek dat Israël het gebod uit Deuteronomium om de ongerechtigheid uit haar midden te verwijderen niet nagekomen was. Er was een zekere Achan en die had zich vergrepen aan de goederen die voor de God van Israël bestemd waren. Had men op elkaar gelet? Had men elkaar geholpen om te leven naar de Tora? Heeft men de les van Jericho geleerd? Het lijkt er niet op. Opnieuw stuurt Jozua verspieders om het land te verkennen. Dat land laten ze links liggen, ze verkennen de stad Ai. Dat is geen grote machtige stad als Jericho was geweest. Dat zouden ze zelf wel even kunnen veroveren, daar had je niet het hele volk voor nodig, zelfs niet het hele leger. Maar het werd een smadelijke nederlaag. Nu het volk zich had gedragen als het volk van Kanaän, niet delen, geen gerechtigheid maar stelen en onrecht, was het gevolg hetzelfde, het volk sidderde van angst. Zou men net als Jericho omsingeld kunnen worden? Jozua roept de God van Israël aan die hem wijst op de ongerechtigheid en hem opdraagt te doen wat de Tora vraagt, de ongerechtigheid uit Israël te verwijderen. Stam voor stam, familie voor familie, man voor man.

Hebzucht regeert ook in onze dagen de samenleving. De kosten van de gezondheidszorg rijzen de pan uit, maar de managers in de gezondheidszorg krijgen beloningen die ver uitstijgen boven de normen die in ons parlement aanvaardbaar worden geacht. Hetzelfde geld voor de managers bij de woningcorporaties, ook al wordt er geklaagd over een gebrek aan sociale huurwoningen. Hetzelfde geld voor bankdirecteuren, hoewel de banken wankel zijn en gesteund moesten worden door de armen via hun belastingen. Hetzelfde geld voor de managers in het bedrijfsleven, die met elkaar zoveel verdienen dat met hun beloningen de werkloosheid zou kunnen worden opgeheven. De diefstal die op de maatschappelijke nood wordt gepleegd voorkomt in hoge mate dat onze maatschappelijke problemen kunnen worden opgelost. De mensen die dikke rapporten schrijven waarin staat dat er flink bezuinigd moet worden om gezondheidszorg, veiligheid en arbeid betaalbaar te houden steken zelf onverantwoord grote bedragen in de zak om die rapporten te schrijven. Ook wij worden dus opgeroepen de ongerechtigheid uit onze samenleving te verwijderen. Anders wordt het bij ons net zo’n grote puinhoop als in Jericho. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw beginnen om er wat aan te veranderen, ook vandaag weer en zeker morgen.

Bij de zevende maal

dinsdag, 13 maart, 2018

Jozua 6:15-27

15  Op de zevende dag stonden ze bij dageraad op en trokken op dezelfde wijze zevenmaal om de stad. Alleen op deze dag trokken ze zevenmaal om de stad, 16  en bij de zevende maal, toen de priesters de ramshoorns lieten klinken, riep Jozua tegen het volk: ‘Schreeuw, want de HEER heeft u Jericho in handen gegeven! 17 Maar op de stad en alles wat erin is rust de ban van de HEER: ze is onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd en moet vernietigd worden. Alleen de hoer Rachab mag in leven blijven, samen met iedereen die bij haar in huis is, want zij heeft onze verkenners een schuilplaats gegeven. 18  Maar denk eraan dat op al het andere een ban rust. Dus vernietig de stad maar maak niets buit, zodat u niet Israëls eigen kamp aan de vernietiging prijsgeeft en Israël in het ongeluk stort. 19  Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper, brons en ijzer zijn aan de HEER gewijd; alles gaat naar de schatkamer van de HEER.’ 20  Toen de ramshoorns klonken, brak het volk uit in een donderend geschreeuw. De muur stortte in en iedereen klom de stad binnen vanaf de plaats waar hij zich bevond. Ze namen de stad in 21  en doodden alles wat erin was, zowel mannen als vrouwen, zowel kinderen als bejaarden, zowel runderen en schapen als ezels. 22  Maar Jozua zei tegen de twee mannen die het gebied hadden verkend: ‘Ga naar het huis van die hoer en breng haar met haar hele familie naar buiten, zoals jullie haar hebben gezworen.’ 23  De verkenners brachten Rachab naar buiten, samen met haar vader en moeder, broers en verdere familie. Kortom, ze brachten haar met al haar verwanten naar buiten en gaven hun een verblijfplaats buiten het kamp van Israël. 24  De Israëlieten lieten de stad met alles wat erin was in vlammen opgaan; alleen het zilver en goud en de koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen brachten ze in de schatkamer van het heiligdom van de HEER. 25  Maar de hoer Rachab werd door Jozua gespaard, samen met iedereen die tot haar familie behoorde. Hun nakomelingen wonen tot op de dag van vandaag onder de Israëlieten, want Rachab had de mannen die in opdracht van Jozua Jericho moesten verkennen een schuilplaats gegeven. 26  Jozua liet het volk de volgende eed zweren: ‘Wij vervloeken ten overstaan van de HEER iedere man die het waagt deze stad, Jericho, weer op te bouwen. Hij zal de fundamenten leggen ten koste van zijn oudste zoon en de poortdeuren bevestigen ten koste van zijn jongste zoon.’ 27  En de HEER stond Jozua bij en zijn roem ging door het hele land. (NBV)

Heel lang moet de voormalige stad Jericho een puinhoop gebleven zijn. De Israëlieten vertelden hun kinderen graag het verhaal hoe die puinhoop ontstaan was. Aan die puinhoop was de macht van de God van Israël af te lezen. Toen het volk het land dat God hen gegeven had wilde innemen hadden de inwoners van Jericho de poorten gesloten gehouden, niemand kon er in of kon er uit. Maar de God van Israël had de stad in handen van Israël gegeven. Niet dat het volk er voor had moeten strijden. Ze waren er wel klaar voor, zelfs de mannen die aan de andere kant van de Jordaan konden wonen waren mee de Jordaan overgetrokken om samen als één volk het land dat God hen gegeven had ook in bezit te nemen. Maar Jozua had de aanvoerder van het leger van de Heer ontmoet. God zelf zou in het strijdperk treden voor Israël. Het volk mocht toeschouwer zijn. Zes dagen hadden ze de stad bekeken. In een grote optocht, voorop het leger, daarachter zeven Priesters die op de ramshoorn bliezen en dan de rest van het volk. Maar op de zevende dag gebeurde het.

Zes dagen had het volk gewerkt, de zevende dag was de dag van God. Op die dag was de macht van God pas echt te zien geweest. Zeven keer waren ze zwijgend rond de stad getrokken. Alleen het geluid van de ramshoorns was te horen geweest. Toen sprak Jozua, het was klaar, de stad was in handen van Israël, maar alle bezit, alle buit was voor de overwinnaar, de God van Israël. Het was tijd om te juichen, om werkelijk de stad binnen te gaan. En gejuicht werd er, de ramshoorns klonken weer en de muren van Jericho stortten in. Toen werd de stad een puinhoop. Niets bleef er over, de brand er in, dit was de stad die niets wilde toelaten, die met niets en niemand wilde delen. Alle buit werd naar die tent gebracht waar de Ark van het verbond haar plaats had. Waar de Priesters werkten en waar het volk haar God kon ontmoeten. Niet alleen het goud en het zilver, maar ook de koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen werden naar die tent gebracht waar een speciale schatkamer was gebouwd.

Doet God zijn belofte gestand? Er was één inwoonster van Jericho geweest die erkend had dat het land Kanaän gegeven was aan het volk van Israël. Zij had ingezien dat haar redding zou liggen in de bereidheid dat land te delen met die woestijnzwervers. Nu waren de muren van de stad ingevallen. Maar één muurhuis was blijven staan. Daar hing een rood koord naar buiten. Daar was het bordeel van de hoer Rachab. Zij had al haar familie daar verzameld, de twee verspieders aan wie zij onderdak geboden had mochten haar nu uit de puinhoop halen. Die familie van Rachab had nog eeuwenlang in Israël gewoond, ze konden worden aangewezen als nakomelingen van Rachab. Daardoor waren ze levende monumenten geworen van de trouw van de God van Israël. In het kamp bij de overtocht door de Jordaan waren er stenen opgericht om die bijzondere gebeurtenis te herdenken. Nu waren de stenen van Jericho zelf een gedenkteken geworden, niemand mocht dat gedenkteken verstoren. Wij kunnen als levend bewijs van de kracht van de God van Israël zelf levende monumenten zijn als we zijn levensregel volgen en onze naaste liefhebben als ons zelf, dat mag elke dag weer, elke morgen opnieuw, ook vandaag weer.

De plaats waar u staat is heilig

maandag, 12 maart, 2018

Jozua 5:13-6:14

13 Toen Jozua eens in de omgeving van Jericho liep, zag hij plotseling een man tegenover zich met een getrokken zwaard in de hand. Jozua ging op hem af en vroeg: ‘Hoor je bij ons of bij de vijand?’ 14  De man antwoordde: ‘Bij geen van beide, ik ben de aanvoerder van het leger van de HEER. Daarom ben ik hier.’ Jozua viel op zijn knieën, boog diep voorover en vroeg hem: ‘Mijn heer, ik ben uw dienaar, wat beveelt u mij?’15  De aanvoerder van het leger van de HEER zei tegen Jozua: ‘Trek je sandalen uit, want de plaats waarop je staat is heilig.’ Jozua deed wat hem bevolen was. 1 Jericho was toen al volkomen afgegrendeld uit angst voor de Israëlieten, er kon niemand in of uit. 2  De HEER zei tegen Jozua: ‘Ik lever Jericho met zijn koning en al zijn dappere helden aan je uit. 3  Jullie moeten om de stad trekken; alle weerbare mannen moeten eenmaal om de stad gaan, en dat zes dagen achter elkaar. 4  Er moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark van het verbond uit gaan. Maar op de zevende dag moeten jullie zevenmaal om de stad trekken. De priesters moeten op de ramshoorns blazen, 5  en als het volk die hoort klinken moet het uitbarsten in luid geschreeuw. De muur van de stad zal dan instorten en iedereen zal de stad binnenklimmen vanaf de plaats waar hij zich bevindt.’ 6 Jozua, de zoon van Nun, liet toen de priesters komen en gaf hun de opdracht: ‘Neem de ark van het verbond op. Zeven priesters moeten met zeven ramshoorns voor de ark van de HEER uit gaan.’ 7  En tegen het volk zei hij: ‘Trek op naar de stad, trek eromheen en laat de voorhoede van het leger voor de ark van de HEER uit gaan.’ 8  Het gebeurde zoals Jozua het volk had opgedragen. Zeven priesters gingen met zeven ramshoorns voor de HEER uit; ze trokken al blazend op de ramshoorns op naar de stad. De ark van het verbond met de HEER kwam achter hen aan, 9  de voorhoede ging voor de priesters uit die op de ramshoorns bliezen en de rest van het volk kwam achter de ark. De ramshoorns klonken onophoudelijk, 10  maar Jozua had strijdkreten verboden. ‘Laat uw stem niet horen, ‘had hij gezegd, ‘slaak geen enkele kreet tot het moment waarop ik u dat beveel.’ 11  Jozua liet de ark van de HEER eenmaal om de hele stad trekken. Daarna ging het volk terug naar het kamp, waar het overnachtte. 12  De volgende dag stond Jozua in alle vroegte op. De priesters namen de ark van de HEER op, 13  de zeven priesters met de zeven ramshoorns trokken al blazend op de hoorns voor de ark van de HEER uit, de voorhoede ging voor hen uit en de rest van het volk kwam achter de ark van de HEER. Onophoudelijk klonken de ramshoorns. 14  De Israëlieten trokken ook op de tweede dag eenmaal om de stad en gingen daarna terug naar het kamp. Zo deden ze zes dagen. (NBV)

Overwinnaars hebben achteraf altijd gelijk. Wie wint had het beste legers en de dapperste krijgers. Andere factoren spelen geen rol. Het volk Israël moest dus leren dat overwinnen niet ligt aan de bewapening, niet aan de kracht van krijgers, niet aan de slimme strategie van de generaals, overwinnen is in handen van de Heer van Hemel en Aarde, de God van Israël. Die had hen het land gegeven, dat moet bij de verovering van het land duidelijk worden. Jericho staat in dit verhaal voor heel het land Israël. Wat er staat te gebeuren in Jericho is geschied in heel Kanaän. Hier is het niet Jozua die “fit the battle of Jericho” Het is God zelf die voor zijn volk in het strijdperk treed. Het begint dan ook met het leger van de Heer, niet dat kinderleger in Afrika dat misbruikt wordt door uitbuiters en machthebbers. Hier staat een boodschapper van God zelf, wiens boodschap samenvalt met de verschijning van de God van Israël in het verhaal. Zoals eens Mozes de God van Israël ontmoette bij een brandende braambos ontmoet Jozua de aanvoerder van het leger van de Heer. En net als Mozes moet Jozua zijn schoenen uit doen omdat de grond waarop hij staat Heilig is.

Het blijft soms lastig om uit te leggen wat Heilig betekent. Soms betekent het volmaakt, zoals God volmaakt is, maar het betekent ook dat het afgezonderd is voor de God van Israël. De grond op de vlakte van Jericho, de grond van het land Kanaaän is heilig, is afgezonderd van alle grond in de wereld, alle grond op aarde, voor de God van Israël. Die grond daar, was uitgekozen om te laten zien hoe groot en machtig de God van Israël eigenlijk wel niet is. Het blaast Jozua van zijn voeten. Jozua krijgt instructies over het innemen van Jericho, zeg maar de verovering van het beloofde land. Zes keer zal de bevolking van Jericho de kans krijgen de poorten te openen, de stad en het land te delen met het woestijnvolk dat kon zwerven maar geen land had om van te leven en een land dat overvloeit van melk en honing kan best gedeeld worden met arme woestijnzwervers. Centraal staat de Ark van het verbond. Die kist van acaciahout waarin de stenen platen liggen met de tien woorden. Zes keer moet het leger met die Ark en zeven priesters die met hun blazen op de ramshoorn aandacht voor die Ark vragen rond Jericho trekken. Elke dag een keer. Op die platen staat onder andere: “Gij zult niet doden” en geweld komt er niet aan te pas.

Jozua breidt de opdracht van zijn God uit. Alle weerbare mannen gaan eerst, dan de priesters, dan de Ark, maar dan ook het hele volk, vrouwen, kinderen, bejaarden, zieken, gehandicapten, alles en iedereen die bij het volk hoort trekt rond de stad. Maar daar heerst angst. Jericho had zich opgesloten achter haar muren, niets kon er in, niets kon er uit. Er zijn politici die ook vandaag nog de arme woestijnzwervers op deze manier buiten willen houden. Bouw maar een hoge muur langs de randen van ons land, met soldaten en tanks om de muur te bewaken. Niemand mag er meer in. Het gevolg zal zijn dat er ook niemand meer uit kan. Jozua gaat met zijn volk zes dagen lang rond Jericho, zes dagen is het werken geblazen. Geen strijdkreten klinken er, geen grootspraak is te horen. Maar ook geen smeekbeden. Alleen het sonore doordringende geluid van de ramshoorns die vooraf gaan aan de Woorden van God, zoals ze klonken bij de berg waar het volk de Woorden van God, de Tora had ontvangen. De God van Israël staat centraal in dit verhaal, het volk laat zien wie die God is, wat die God wil en wat het betekent de weg te volgen van die God. Wij zouden wat minder moeten lijken op de inwoners van Jericho, minder bang zijn en onze welvaart moeten zien te delen met de armsten in de wereld. Elke dag kunnen we daar samen aan werken, ook vandaag weer.