Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2012

Alleen zijzelf worden gered

zondag, 11 maart, 2012

Ezechiël 14:12-23

Jezus van Nazareth heeft ons opgeroepen om zoutend zout in de samenleving te zijn. Zoals het zout in het brood niet meer terug te vinden is maar wel degelijk de smaak van het brood bepaald zouden ook de gelovigen in het Koninkrijk van de God van Israël in de samenleving de liefde voor de naaste moeten laten zien zodat die samenleving al de smaak krijgt van het Koninkrijk. De vraag die het boek Ezechiël vandaag aan ons stelt is of dat voldoende is. Als het handjevol gelovigen nu recht en vrede brengt en zorgt voor de minsten in de samenleving, wordt die samenleving daardoor dan alvast een beetje het Koninkrijk van God? Het antwoord dat Ezechiël krijgt is een keihard nee. Rechtvaardigen in de samenleving zijn geen garantie voor het goede van die samenleving zelf, ze zijn geen keurmerk dat maakt dat je je veilig aan een dergelijke samenleving kan overgeven.

In het verhaal dat we vandaag lezen worden drie namen genoemd. Het heeft lang geduurd voordat geleerden wisten over wie Ezechiël het nu eigenlijk had en nog zijn alle geleerden het er niet helemaal over eens. Noach en Job kennen we uit de Bijbel. Noach kwam uit Mesopetamië en Job uit Edom. Maar die Daniël dan? De Daniël uit de Bijbel had geen kinderen en de vraag is of hun rechtvaardigheid hun kinderen had kunnen redden. Nu is het woord “kinderen”dat hier wordt gebruikt ook van toepassing op alle jongeren van het land, de toekomst dus, de bloei van de natie, maar ook daarvan is bij de Bijbelse Daniël geen sprake. Er is echter een verhaal gevonden over een koning Daniël in Syrie die bekend stond als een wijs en rechtvaardig vorst. Hij had een zoon die zich tegen de goden had verzet en daardoor de dood had gevonden. De drie rechtvaardigen hadden dus met hun rechtvaardigheid zelfs hun kinderen niet kunnen redden. Ezechiël heeft het dus over drie niet Israëlische rechtvaardigen, in het kwade is Israël dus niet het voorbeeld voor de volken.

Het verhaal loopt uit op de mededeling dat de ballingen uitgebreid zullen worden met een nieuwe groep ballingen. De eerste ballingschap had de achterblijvers niet op andere gedachten gebracht, ze waren afgoden blijven nalopen, ze waren kinderoffers blijven brengen. Jeruzalem zou daarom nu helemaal verwoest worden en de inwoners zouden de dood vinden. Het handjevol dat overbleef was bedoeld om de ballingen rond Ezechiël duidelijk te maken wat er fout was gegaan. Wij leren er van dat we er niet komen als we goed blijven doen zonder ons te verzetten tegen het kwade. We zullen iedereen mee moeten krijgen in een eerlijke handel met de armsten in de wereld, met het houden van maaltijden met de vreemdelingen onder ons, met de zorg voor daklozen, vluchtelingen, kinderen, zieken en de ouden van dagen die zelf niet meer kunnen zorgen. Elke dag kunnen we gelukkig opnieuw roepen dat mensen moeten opstaan tegen het kwade en het goede moeten gaan doen, niets dan het goede, ook vandaag kan dat weer.

De wet van de HEER is volmaakt

zaterdag, 10 maart, 2012

Psalm 19

Er wordt nog wel eens gezegd dat je God ook kunt leren kennen uit de natuur. Dat is een misverstand. Pas als je God kent en God hebt ontmoet in de verhalen zoals die in de Bijbel staan ga je in de natuur herkennen hoe de God van Israël in mensen een welbehagen had.
De psalm die we vandaag met de kerk meezingen begint met het uitspansel, de hemel. Volgens het lied van de schepping waarmee Genesis begint werd die hemel boven de aarde gezet als bescherming tegen de wateren boven de aarde. Het uitspansel beschermt ons en dag aan dag kunnen we zien dat de God van Israël ook een beschermer wil zijn. Net als de dag en de nacht ons de gelegenheid geven te rusten van het werk en te genieten van de rust. Maar je herkent het pas als je het lied van de schepping weet mee te zingen.

Deze psalm zegt dan ook niet dat God in de hemel woont maar dat God zijn tent op aarde heeft opgeslagen. De psalmdichter kijkt zoals onbevangen mensen kijken, in de morgen gaat de zon op in de avond gaat zij onder, alleen natuurwetenschappers weten dat de aarde rond de zon draait, maar mensen die de Bijbel letterlijk zeggen te nemen vinden nog steeds dat de zon rond de aarde draait. Die zon brengt ons warmte, brengt ons vruchtbaarheid, door de zon groeien de planten, van het opgaan van de zon worden we vrolijk, vrolijk zoals een jonge bruidegom het bruidsvertrek verlaat na de bruidsnacht.

Zoveel vrolijkheid krijgen we dus ook van de Wet van de God van Israël. Ook die wet is gegeven ter bescherming van de mensen. Die Wet laat zich samenvatten als heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf. De Wet van het welbehagen in de mensen die door Israël in de Woestijn werd ontdekt. Toen alles was weggevallen was er toch nog de liefde voor elkaar en daarmee de liefde voor God. Maar de psalm weet ook dat we maar al te snel denken het voor elkaar te hebben. God zal ons immers wel helpen. Maar God is niet het knechtje van de mens, het is God die de macht heeft. God als Heer noemen betekent ook dat wij onze aardse macht opgeven en willen gehoorzamen aan de oproep dienaren van mensen te worden die in mensen een welbehagen vinden. Pas als het lijden van mensen over is, als we ons daartegen gewapend en verzet hebben, ertegen in opstand zijn gekomen, dan pas breekt de vreugde aan waarover hier gezongen wordt. Dat opstaan is niet een plastic kruis door de straten sjouwen, maar de hand uitsteken naar de minsten in de samenleving en zorgen dat op hen niet bezuinigd wordt. Dat kan elke dag opnieuw als de zon opgaat, ook vandaag.

U mag hem niet uitbuiten.

vrijdag, 9 maart, 2012

Deuteronomium 23:16-26

Het volk Israël heeft een direct verbond met zijn God. Dat was een God die het volk uit het slavenhuis van Egypte had geleid. Daarom ga je een slaaf die ontvlucht is niet opnieuw in slavernij brengen maar neem je die op in het volk van bevrijdde slaven en beschouw je die als een volksgenoot en buit je die dus ook niet uit. Die God van Israël was een jaloers God die geen andere goden voor zijn aangezicht duldde. Dus ga je jezelf of je kinderen ook niet aanbieden als tempelprostituees, die zijn er immers ten dienste van andere goden. Als er geld mee verdiend wordt dan gebruik je dat zeker niet om plichten in de Tempel van de God van Israël te voldoen, daarvoor is die God veel te jaloers.

De God van Israël had maar één echt gebod, alle andere regels laten zich daarin samenvatten: “Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf”. Israël was daarvoor als voorbeeld voor de volken uitgekozen. Daarom vraagt een Israëliet geen rente aan een volksgenoot, of er nu geld of voedsel is uitgeleend. Rente als vergoeding voor een lening is de motor van ons financiële systeem, maar de rente op leningen is tevens de valkuil van dat systeem en een bron van ellende voor heel veel mensen. Alleen in de Islam lijkt het verbod op het vragen van rente nog bewaard gebleven. Misschien moeten ook wij nog eens studeren op een verbod voor banken om rente te vragen op leningen. Wie de naaste lief heeft leert van Israël dat men in elk geval geen rente vraagt op leningen, leningen in geld of in voedsel.

Betrouwbaarheid is ook een kenmerk van iemand die zijn naaste liefheeft. Een belofte moet daarom nagekomen worden, niet pas na zeer lange tijd als iedereen het eigenlijk al weer vergeten was maar zo snel mogelijk, als teken van betrouwbaarheid en liefde. En omdat het leven nu eenmaal draait om het delen van elkaar kun je in een wijngaard gerust van de druiven eten en in een korenveld van het koren. Niet dat je daar moet gaan oogsten om zelf winst te maken met de producten van een ander, maar delen voor jezelf wordt uitdrukkelijk toegestaan. Zo zijn er tal van manieren om de naaste lief te hebben als jezelf, delen, geen rente vragen, bevrijden, niet uitbuiten. En elke dag kun je ook zelf manieren vinden om je naaste lief te hebben als jezelf, ook vandaag weer.

Om u te beschermen

donderdag, 8 maart, 2012

Deuteronomium 23:2-15

Er zijn twee begrippenparen die steeds in de Bijbel terugkomen. Dat zijn rechtvaardig en onrechtvaardig en rein en onrein.Rechtvaardig en rein horen bij God en onrechtvaardig en onrein horen niet bij God en moeten daarvan verre gehouden worden. Als je dus bij de God van Israël wil horen dan moet je rechtvaardig en rein zijn en je ook als rechtvaardig en rein gedragen. Je wordt niet zomaar rechtvaardig en rein. Rechtvaardig wordt je als je andere mensen tot hun recht laat komen, je naaste dus liefhebt als jezelf en rein wordt je doordat je jezelf reinigt van onreinheid. Die twee begrippen horen bij elkaar. Onrechtvaardigheid maakt je onrein en als je onrein blijft dan verwaarloos je dus de geboden van God. Door jezelf te reinigen bepaal je je ook weer bij de geboden en zul je het gebod van rechtvaardigheid, van je naaste liefhebben als je zelf ook weer gaan onderhouden.

In het gedeelte dat we vandaag lezen gaat het met name om wat we tegenwoordig in het Christendom, de kerk, de gemeente zouden noemen, daar waar de dienst aan God gevierd werd. In Israël dus in de Tabernakel of de Tempel. Daar waren de mensen van uitgesloten die niet bij de God van Israël hoorden. Bastaarden, kinderen van tempelprostituees, gecastreerden, die daardoor aan een andere god gewijd waren, hoorden er niet bij. Maar ook niet de Ammonieten en Moabieten, de volken die geweigerd hadden met Israël te delen en integendeel daarvan met Israël waren gaan vechten. Wie andere goden dient, wie niet wil delen maar oorlog voert, hoort dus niet bij de God van Israël.

In Israël heeft men vanouds raar aangekeken tegen datgene wat er bij mannen en vrouwen uit de genitaliën kan komen. Dat klopt niet, wat het lichaam zo verlaat kan niet bijdragen aan het leven en is dus onrein. Als het leger van de God van Israël optrekt om vijanden van het volk te bestrijden dan moet het leger dus rein zijn en rein blijven. Dit soort reinheid kennen we tegenwoordig als zeer verstandig omdat het ziekten voorkomt, maar Israël kende ook een aantal wetten die er voor zorgden dat verslagen vijanden soms menselijk werden behandeld. De reinheid van het leger maakte dat ook die wetten gehandhaafd werden. Onverschilligheid jegens het eigen lichaam leidt direct tot onverschilligheid jegens de naaste. Dat geldt ook vandaag nog, zorg dat je zelf gezond blijft, gezond leeft en je krijgt vanzelf oog voor wat een ander nodig heeft om gezond te leven en wat die ander daarin tekort komt, een tekort waarin je de naaste wellicht moet helpen, ook vandaag weer.

Het kwaad dat zich bij u aandient

woensdag, 7 maart, 2012

Deuteronomium 22:23–23:1

Wij passen de regels die in de wetten van Mozes staan nog wel eens gemakkelijk op onze eigen situatie toe. Daarbij vergeten we de grote veranderingen die de wereld heeft ondergaan sinds de dagen van Deuteronomium. Pas sinds de jaren zestig van de vorige eeuw kennen we de pil die vrouwen beschermd tegen ongewenste zwangerschappen. Pas sinds het begin van de vorige eeuw kennen we het condoom die tegen zwangerschap beschermt en voorkomt dat er ziekten worden overgedragen. Dat heeft de verhouding tussen mannen en vrouwen ingrijpend veranderd. Wat niet veranderd is is dat beiden de ander niet moeten beschouwen als een object, een voorwerp, om de eigen lusten te bevredigen. Dat blijkt ook uit deze regels weer.

De huwelijksregels in de dagen dat Deuteronomium geschreven werd hadden ook tot doel om de economische positie vooral van vrouwen te beschermen. Als een man en een vrouw in ondertrouw gingen dan moest er nog wel een huwelijk geregeld worden maar dan hoorden ze al wel bij elkaar. Kinderen die geboren werden ook tijdens de ondertrouw maakten aansprak op de erfenis van de familie. Daarom is een verhouding met een ander ook gelijk ontrouw, want van wie is een eventueel kind? Van welke familie moet het erven? Als man en vrouw het samen in de stad doen zijn ze beide schuldig, als een man en een vrouw het op het veld doen is in elk geval de man schuldig. De man heeft een grote verantwoordelijkheid. In onze dagen vergeten we dat nog wel eens. Waar bijvoorbeeld klinken de oproepen aan mannen om ten allen tijd te voorkomen dat een vrouw voor de keus komt te staan wel of geen abortus te ondergaan? Mannen zijn daarvoor even verantwoordelijk als vrouwen en mannen zouden er altijd voor moeten zorgen dat die keus niet gemaakt hoeft te worden.

Eigenlijk blijkt dat ook uit de regels in het tweede deel van het gedeelte dat we vandaag lezen. Als je wil vrijen met een meisje dat nog niet uitgehuwelijkt is dan doe je alsof je getrouwd bent, dan moet je ook maar met haar trouwen. Wie zou er anders voor haar zorgen? Welke familie neemt er anders verantwoordelijkheid voor haar? Waar moeten haar kinderen anders bij horen? Dat zijn de vragen die in de verhoudingen uit de dagen van Deuteronomium opkomen. Maar uit het laatste vers van het gedeelte van vandaag leren we ook dat seksueel gedrag uit godsdienstige gronden absoluut niet hoort bij het geloof in de God van Israël. Verminkingen aan mannen om aan te geven dat zij kuis zijn en zich niet kunnen voortplanten, in allerlei godsdiensten het summum van trouw aan een god, sluiten in de Bijbel mensen voorgoed uit van de eredienst. Het gaat in de Bijbel om verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar. Als twee mensen verantwoordelijkheid voor elkaar nemen en voor elkaar willen zorgen, dan dient niemand daar verder tussen te komen. Die regel is ook vandaag van toepassing en daar mogen we best mensen op wijzen en mensen bij helpen.

Het kwaad in de kiem smoren

dinsdag, 6 maart, 2012

Deuteronomium 22:13-22

Wij leven in een romantische tijd. Als twee mensen met elkaar gaan trouwen dan hebben ze allebei een carrière of in elk geval een baan. Wij gaan er van uit dat ze samen verantwoordelijk zijn voor hun gezamenlijk inkomen en de zorg voor de kinderen die er in hun verbintenis zullen komen. Ze kunnen dus trouwen uit liefde en niet anders dan uit liefde. In de tijden dat de Bijbel ontstond was dat wel heel anders. De mensen waren afhankelijk van de opbrengst van het land dat aan de familie was toegewezen. Verloor men dat land dan verviel men tot slavernij en pas na vijftig jaar, na twee generaties, mocht een familie weer opnieuw beginnen. Tenminste op papier want in de praktijk is die regel nooit toegepast voor zover we weten. Daarom ga je niet luchthartig om met het huwelijk tussen twee mensen.

Vrouwen nemen in de samenleving van Israël de meest zwakke positie in. Zij zijn afhankelijk van het land dat aan de familie van de man is toegewezen. De mannen van die familie zijn dan ook als eerste verantwoordelijk voor de zorg voor weduwen en wezen. Dat een vrouw die zorg luchthartig opneemt en eigenlijk meerdere families opzadelt met de zorg voor haar en haar kinderen kan niet, de last zou te zwaar worden en leiden tot ruzies tussen families die elkaar veel te hard nodig zouden kunnen hebben. Dat geld ook voor mannen die het met een getrouwde vrouw aanleggen, zij kunnen hun familie belasten met de zorg voor een vrouw en haar kinderen die door meerdere families onderhouden zouden moeten worden. In dit verhaal is de oplossing: zulke mensen kunnen doodvallen, daar beginnen we niet aan. Dat moet zo’n groot taboe zijn dat het mensen afhoudt op deze manier met elkaar om te gaan.

De Bijbel kent veel regels om er voor te zorgen dat er in Israël geen armoede voorkomt. Daarbij moet mensen recht worden gedaan en op de armen moet meer worden gelet bij het recht doen dan op de rijken. De regels die we vandaag lezen mogen ons wreed en vreemd voorkomen, de grondhouding die er uit spreekt, recht doen aan de armen, moet ons aanspreken. Want onze economische positie is dan wel veranderd de zorg voor de minsten in de samenleving blijft geboden. Als mensen gaan scheiden dan moet er toch voor de kinderen gezorgd worden. Een goede zorg voor de kinderen is voor onze toekomst van groot belang. Die zorg in de knel brengen door het al te gemakkelijk opleggen van plichten tot werken brengt schade toe aan onze gezamelijke toekomst. Scheiden moet dus niet te licht gebeuren, maar als het gebeurt hebben we als samenleving een bijzondere verantwoordelijkheid, net als de families in Bijbelse tijden. We zouden er bij de keuzes die we in de samenleving maken wat meer op mogen letten, ook vandaag nog.

Dan zullen zij mijn volk zijn

maandag, 5 maart, 2012

Ezechiël 14:1-11

Het werkt. Ezechiël heeft de opdracht eerst het volk Israël te laten zien waar het mee bezig is. En werkelijk, hij trekt de aandacht. De oudsten van het volk komen naar Ezechiël toe. Maar Ezechiël is geen waarzegger, geen toekomstvoorspeller, ook geen bemiddelaar met een God die boos is en die straffen stuurt. Ezechiël spreekt in Gods naam over dat wat de mensen doen. Daarom staat Ezechiël voor een dilemma, moet hij de oudsten van het volk te woord staan of weer weg sturen? De oplossing ligt in het zeggen wat hij ziet. Het volk was in ballingschap gestuurd omdat ze afgoden waren gaan aanbidden. En dat aanbidden van afgoden hadden ze nog steeds niet losgelaten. Daarom kan Ezechiël namens God zeggen: vlieg op met heel je afgodentroep.

Kan God trouwens iemand verleiden om verkeerd te doen? In het gedeelte dat we vandaag lezen zou je denken van wel. De profeet zou immers door God verleid kunnen worden om verkeerde dingen te zeggen? Dat komt dan door het niet willen loslaten van afgoden. Dan gaat de profeet in de geest van de afgoden profeteren en lopen de zaken verkeerd af voor het volk. Er staan in de Bijbel wel meer voorbeelden waarbij profeten namens God de verkeerde dingen zeggen, omdat het verkeerde gevraagd wordt. Dan wordt er niet naar recht en gerechtigheid gevraagd, maar naar overwinningen in oorlogen die niet nodig zijn en alleen maar leed en ellende brengen. In dit gedeelte wordt gedreigd dat ook de profeet gestraft zal worden. Het is een excuus om niet in te gaan op de vragen van de oudsten.

Kennen we in onze dagen ook het dilemma van de profeet die de boodschap moet brengen aan dienaren van afgoden? Het moet haast wel. Ook in onze dagen worden discussies gevoerd over onderwerpen waar je het gewoon niet over moet hebben. Vreemdelingenbeleid bijvoorbeeld, in dit gedeelte worden de vreemdelingen weer eens betrokken als behorende tot het volk zelf. Hebben we het over de minsten en proberen we daar recht voor te krijgen, recht te doen aan mensen in de knel, de onderliggenden, of hebben we het over de belangen van de rijken, van de gevestigden, de bovenliggenden? Dat is wat je voortdurend moet afvragen. Antwoord geven op vragen hoe de rijken beschermd moeten worden of hoe de positie van de bovenliggenden versterkt kunnen worden zijn antwoorden aan afgodendienaars. Gelukkig kunnen we elke dag opnieuw een andere weg inslaan, de Weg van de God van Israël, ook vandaag weer.

Wee de vrouwen die toverbanden naaien

zondag, 4 maart, 2012

Ezechiël 13:17-23

We spreken graag over profeten alsof het alleen maar mannen geweest zijn. Dat is natuurlijk onzin. Natuurlijk zijn er meer mannen geweest die er in geslaagd zijn vrouwen voor zich te laten werken zodat ze de tijd kregen moeilijke boeken te schrijven maar de Bijbel spreekt zeer zeker ook over vrouwelijke profeten, profetessen dus. Er waren zelfs valse profetessen die net zo moesten worden bestreden als hun mannelijke collegae. Ezechiël moest er speciaal tegen optreden. Gingen de mannen te keer over de samenleving, hoe mooi, veilig en rechtvaardig die wel niet was, de vrouwen gaven individuele bescherming. Sluiers beschermden je tegen de invloeden van kwade geesten en toverbanden om je polsen en over je handen voorkwamen dat je iets kwaads zou aanraken. Met die onzin en flauwekul worden ook vandaag nog mensen voor de gek gehouden, we kunnen er niet hard genoeg voor waarschuwen, geloof ze niet de kruidenmengers en water inblaassters.

Het verbod op tovenarij, door mannen zowel als vrouwen, is ook in Israël al heel oud. Het hoort bij de afgoderij die telkens weer in allerlei religies opduikt, maar krijgt in de Bijbel toch een aparte plaats. De machten en krachten die er ongezien zouden kunnen zijn kunnen nooit op tegen de God van Israël en andere beschermingen dan het volgen van het verbond met de God van Israël heb je niet nodig. Als je andere bescherming zoekt dan zeg je eigenlijk dat je de God van Israël niet helemaal vertrouwd. Het geld en de energie die je besteed aan die zogenaamde bescherming tegen machteloze krachten kun je beter besteden aan hulp aan de armen, aan de zorg voor de naaste, aan de bescherming van de weduwe en de wees. Het “heb God lief boven alles en de naaste als jezelf” geeft je alle bescherming tegen machten en krachten die je nodig hebt, iedereen daar in mee krijgen brengt zelfs op den duur de vrede op aarde.

De toverkollen die met sluiers en het lezen van sterren proberen de levens van mensen te beïnvloeden, we hebben er zelfs televisiekanalen voor in onze dagen, leiden af van waar het werkelijk om gaat in het leven. Ze wekken de illusie dat ons leven bestuurd wordt door iets anders dan door de liefde, dan door de God van Israël. Ze wekken de indruk dat we onrustig moeten worden als we het leven nemen zoals het komt en nooit loslaten de liefde voor de naaste omdat we door niets en niemand vervreemd willen raken van de liefde zoals die ons door Jezus van Nazareth is voorgeleefd. Ze wekken de illusie dat die liefde niet genoeg zou zijn en dat er meer is dat je nodig hebt tussen hemel en aarde. Volgens het Bijbelverhaal is die hemel boven de aarde gezet om de mensen te beschermen, gebouwd door de God van Israël. Gelukkig mogen we ons elke dag opnieuw afwenden van de kwade praktijken van astrologen en wichelaars, van instralers en geestenfluisteraars en ons wenden tot de liefde voor de naaste, tot recht en gerechtigheid. Ook vandaag kan dat weer.

‘Waar is jullie pleisterwerk gebleven?’

zaterdag, 3 maart, 2012

Ezechiël 13:9-16

Volgens de overlevering sprak minister president Colijn vlak voor dat ook ons land in de Tweede Wereldoorlog werd betrokken voor de radio de woorden “ga maar rustig slapen”, om het volk duidelijk te maken dat er geen onrust nodig was omdat er geen gevaar zou dreigen. Dat in een tijd dat er in Duitsland al concentratiekampen stonden, Joden werden buitengesloten van de samenleving en verstandelijk gehandicapten en psychiatrisch patiënten systematies ter dood werden gebracht. Hij deed als de profeten waarover we vandaag lezen in het boek van de profeet Ezechiël. Die voorspelden vrede terwijl iedereen kon aanvoelen dat er oorlog zou komen. Die verklaarden de samenleving tot ideaal terwijl onrecht nog welig tierde en de weduwe en de wees werden verwaarloosd.

Ezechiël krijgt van God een mooi beeld dat je ook vandaag de dag nog zou kunnen zien. Het volk Israël was gewend om muren te bouwen door stenen te stapelen, niet te metselen dus. Als je er dan witkalk overheen smeerde dan leken het sterke en hechte muren. Als je niet goed stapelt dan loop je de kans dat de muur bij de eerste windvlaag of regenstorm al inzakt. De Naardense Bijbel vertaalt die witkalk dan ook met slijmkalk. Met slijmen maak je alles mooi, maar dat hoeft het helemaal niet te zijn. In het Nieuwe Testament maakt Jezus van Nazareth de vergelijking tussen mensen die hun huis op een rots bouwen en mensen die hun huis op drijfzand bouwen. In Ezechiël gaat het om profeten die de richting zouden moeten aangeven waarheen de samenleving zou moeten begeven, meer recht, meer veiligheid in onveilige tijden.

Het oordeel over de valse profeten is hard. Ze horen er niet bij, ze maken geen deel uit van het volk Israël, ze zullen geen deel krijgen aan het land dat uiteindelijk gevormd zal worden, dat land dat overvloeit van melk en honing waar het altijd vrede zal zijn. De mooipraters, witkalkers worden ze genoemd, zijn voor een volk zeer gevaarlijk. Jezus van Nazareth zou ze zelfs witgepleisterde graven noemen, geestelijk leiders die de samenleving mooier voorstellen dan die is. Zoals het lijdensverhaal van Jezus binnenkort als amusement in de straten van Rotterdam vertolkt zal worden. Het is mooi, je kunt er van genieten, maar de gedwongen prostituees, de drugsverslaafden, de slachtoffers van zinloos geweld, de kinderen die de goedkope kleding hebben gemaakt, de slaven die de grondstoffen voor de mobiele telefoons delfden, de hongerenden in de wereld, komen in dat lijdensverhaal niet voor. Het lijdensverhaal wordt door een laag witkalk bedekt zodat het lijkt of Jezus ook voor gezonden, voor rijken, is gekomen om voor hen het leven draaglijk te maken. Het wordt tijd met Ezechiël op te staan tegen de witkalkers die onze samenleving mooier willen voordoen dan die is en daarbij misbruik willen maken van het verhaal over Jezus van Nazareth. Opstaan tegen onrecht kunnen we elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Hun voorspellingen zijn vals.

vrijdag, 2 maart, 2012

Ezechiël 13:1-8

Ook voor profeten geldt dat men het eerst moet zien. En dat zien gaat dan om een aantal zaken. Ezechiël ziet allereerst de goden van Babel, overheerst door hun donderwolk Mardoek. Maar tegelijk ziet Ezechiël hoe de God van Israël in dat verhaal past, de God van Israël laat zich rijden op een wagen gevormd door de goden van Babel. Die goden van Babel zijn niks van zichzelf, ze zijn onderworpen aan de God van Israël. Vervolgens ziet Ezechiël het dal bij de rivier waarin de ballingen moeten wonen. Een dal van diepe duisternis is het. Maar in dat dal is de ontmoeting met de God van Israël mogelijk. Dan wordt ook duidelijk dat het volk een weerspannig volk is dat niet zal willen luisteren naar de waarschuwingen die een profeet zal moeten geven. Als je slecht doet loopt het slecht met je af, als je goed doet moet je oppassen je niet tot het slechte te laten verleiden.

Als je op die manier kijkt naar je taak als profeet en de betekenis van de God van Israël daarin dan bouw je als het ware een muur om het volk heen waardoor het stand kan houden. Dan weet het volk dat ook in het donkerste dal de God van Israël hen wil steunen en uit de ellende wil leiden naar een land dat overvloeit van melk en honing, zoals een herder de kudde leidt naar grazige weiden. Je kunt de mensen wel naar de mond praten, goed praten wat ze aan onrecht doen, begrip opbrengen voor hun wensen en verlangens en dan net doen of de God van Israël dat ook wel goed zal vinden, maar dan zie je niet op de effecten die het volk heeft op de armen, op de minsten van het volk, op de weduwen en de wees. Dan komen voorspellingen niet uit, dan blijft het volk ronddwalen in het duister, dan schijnt daar wel een groot licht maar dan wil het volk het niet zien.

Ezechiël leert dat de valse profeten van zijn dagen niet ongestraft zullen blijven profeteren. Hun leugens zullen zich tegen zichzelf keren. We moeten bij het lezen van de Bijbel steeds bedenken dat als God straft dat het gevolg is van het verkeerd handelen van de gestrafte. Zoals bij ons ook dieven en moordenaars niet moeten klagen dat ze een tijd in de gevangenis moeten doorbrengen, ze hebben dat over zichzelf afgeroepen, van onrecht is geen sprake als ze inderdaad hetgeen gedaan hebben waarvoor ze zijn veroordeeld. Maar het geldt ook voor onze samenleving als geheel. Ook wij moeten leren te zien op de effecten die de inrichting van onze samenleving heeft op de armsten, op de minsten, op de zieken en gehandicapten, op de hongerenden elders in de wereld. Als we die aan hun lot overlaten zal dat lot zich tegen ons keren, dan roepen wij ellende over onszelf af. Als we durven te delen en samen te leven als samenleving dat zal het vanzelf beter gaan en komen we allemaal uit de diepste crisis die ons kan treffen. We kunnen daar elke dag opnieuw aan gaan werken, ook vandaag weer.