Selecteer een pagina

Jeremia 38:1-13

1 Sefatja, de zoon van Mattan, Gedalja, de zoon van Paschur, Juchal, de zoon van Selemja, en Paschur, de zoon van Malkia, hoorden dat Jeremia de mensen bleef toespreken: 2 ‘Dit zegt de HEER: Wie in deze stad blijven, zullen sterven door het zwaard, de honger en de pest, maar wie zich overgeven aan de Chaldeeën zullen gespaard worden en het er levend afbrengen. 3 Dit zegt de HEER: Deze stad wordt in handen gegeven van de koning van Babylonië en zijn leger; hij zal haar innemen.’ 4 De raadsheren zeiden tegen de koning: ‘Die man moet ter dood gebracht worden. Door zulke dingen te zeggen ondermijnt hij immers het moreel van de inwoners en van de soldaten die hier nog overgebleven zijn. Hij heeft niet hun behoud voor ogen, maar hun ondergang.’ 5 Koning Sedekia antwoordde: ‘Doe met hem wat je wilt; ik kan jullie niet tegenhouden.’ 6 Ze brachten Jeremia naar de waterkelder van prins Malkia, in het kwartier van de paleiswacht, en lieten hem aan touwen zakken. In de put stond geen water meer; er was alleen modder, waarin Jeremia wegzakte. 7 Ebed-Melech, een hoveling afkomstig uit Nubië, hoorde daarvan. Hij bevond zich in het koninklijk paleis, terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort. 8 Ebed-Melech verliet het paleis, ging naar hem toe en zei: 9 ‘Mijn heer en koning, het is misdadig dat deze mannen Jeremia in een waterkelder hebben gegooid. Waarom moet hij juist daar van honger omkomen? Elders in de stad is ook geen brood meer.’ 10 De koning beval Ebed-Melech: ‘Ga met dertig man naar die waterkelder en haal Jeremia naar boven, voordat hij sterft.’ 11 Ebed-Melech riep toen dertig man bij elkaar en ging naar de kelder van het magazijn van het koninklijk paleis, waar hij wat versleten kleren en oude lappen haalde. Hij liet deze aan touwen naar Jeremia in de put zakken 12 en zei tegen hem: ‘Stop die kleren en lappen onder uw oksels en haal de touwen eronderdoor.’ Jeremia deed wat hij zei, 13 en zo trokken ze hem uit de put omhoog. Vanaf dat moment verbleef hij weer in het kwartier van de paleiswacht.(NBV21)

Een op het eerste gezicht spannend verhaal. De held uit ons verhaal, Jeremia, zit in de gevangenis van het Koninklijk Paleis en roept de mensen op zich over te geven aan de vijand. De adviseurs van de Koning vinden dat maar niks en vragen de koning hen Jeremia de mond te laten snoeren. Dat mag. Ze gooien hem daarom in een lege waterput. Het brood in Jeruzalem was door het beleg van de Chaldeën opgeraakt, honger stond voor de deur. Maar Jeremia zal niet sterven van de honger in de put want er is een hoveling die de Koning vraagt hem te mogen redden, dat mag ook. En zo wordt Jeremia weer uit de put gehesen en teruggebracht naar de gevangenis in het Paleis. Mooi verhaal, fraai beschreven, maar wat hebben we er aan. Er worden in dit verhaal een aantal conflicten geschetst waar wij ook wat aan kunnen hebben.

Het eerste conflict gaat over het belang dat sommige meningen kunnen hebben. De adviseurs van de Koning zijn van mening dat ze kunnen winnen van de Chaldeën. Als het volk hongert dan neemt de steun voor die mening snel af. Jeremia ziet geen enkel heil in een voortgaande strijd met de Chaldeën. Dat zal aan beiden zijden een heleboel mensenlevens kosten. Mensen die in leven zouden blijven als men zich overgeeft aan de Chaldeën. Zijn oproep ondermijnt dus de steun aan de edelen in het hof van de koning. Het is een discussie die wij ook kennen. Het bombardement in 1940 op Rotterdam leidde tot overgave aan de vijand. De verwoesting van steden in Oekraïne lijkt het verzet alleen maar te sterken. Een eenvoudig antwoord is er niet.

Het tweede conflict is dat van de redding. De edelen die de koning hadden overgehaald Jeremia het zwijgen op te leggen worden uitvoerig met naam en familie genoemd. Dat waren Judeeërs van naam, aanvoerders van het volk. De redder van Jeremia heeft een naam en een afkomst. Hij komt uit Nubië en is dus geen Judeeër. Uit Nubië betekent in de Bijbel dat hij een zwarte huidskleur heeft. Geleerden nemen aan dat hij in het paleis de functie van Eunuch heeft, bewaker van de vrouwen van de koning. Een belangrijke functie maar hij is zijn mannelijkheid kwijt en dus geen gevaar voor de vrouwen. Moreel stond een Eunuch zeer laag op de maatschappelijke ladder. Jeremia kreeg daardoor zijn positie als gevangene in het paleis weer terug. Maar als wij mensen om hun huidskleur of positie minderwaardig gaan vinden, hun cultuur ook afwijzen, dan lopen we zeker het gevaar niet Gods kant te kiezen maar de kant van de goddelozen. Let op dus.