Selecteer een pagina

Jeremia 37:1-10

1 Koning Nebukadnessar van Babylonië liet Jechonja, de zoon van Jojakim, als koning van Juda opvolgen door Sedekia, de zoon van Josia. 2 Noch Sedekia, noch zijn hof, noch het volk luisterde naar de woorden van de HEER, die Hij bij monde van de profeet Jeremia sprak. 3 Op een dag stuurde koning Sedekia Juchal, de zoon van Selemja, en de priester Sefanja, de zoon van Maäseja, naar de profeet Jeremia met het verzoek: ‘Wilt u voor ons tot de HEER, onze God, bidden?’ 4 Jeremia was toen nog op vrije voeten, ze hadden hem nog niet gevangengezet. 5 En de Chaldeeën hadden kort daarvoor het beleg van Jeruzalem opgebroken, nadat ze hadden gehoord dat het leger van de farao vanuit Egypte naderde. 6 Toen richtte de HEER zich tot de profeet Jeremia: 7 ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tegen de koning van Juda, die jullie heeft gestuurd om Mij te raadplegen, dat het leger van de farao, dat jullie te hulp komt, naar Egypte zal terugkeren. 8 De Chaldeeën zullen terugkomen, de stad aanvallen, haar innemen en in vlammen doen opgaan. 9 Dit zegt de HEER: Misleid jezelf niet door te denken dat de Chaldeeën voorgoed weggaan, want zo is het niet. 10 En ook al zouden jullie de Chaldeese troepen, die jullie zullen aanvallen, verslaan, dan zouden zelfs de gewonden die overblijven uit hun tenten komen en deze stad in vlammen doen opgaan.’(NBV21)

Hoop doet leven. Die koningen van Juda hadden het zo mooi voor elkaar. Ze hadden gebroken met Babel en betaalden niet langer de belasting aan de koning van Babel zoals ze beloofd hadden. Jesaja had als profeet van de God van Israël gewaarschuwd voor een conflict met Babel en die waarschuwing was niet vergeefs. Babel had het leger van Chaldeën gestuurd die het beleg voor Jeruzalem had opgeslagen. Jeremia steeg daardoor weer een beetje in aanzien. Hij kon weer vrij door de stad lopen en zelfs de Koning had zich zijn waarschuwingen herinnert. De Koning stuurde een gezantschap naar Jeremia met de vraag of Jeremia niet voor de stad wilde bidden. Kennelijk had dat geholpen want de Chaldeën trokken weg.

Ze waren namelijk bang voor het leger van Egypte dat onderweg was naar Jeruzalem. Egypte was de nieuwe bondgenoot van Juda en had zogenaamde veiligheidsgaranties afgegeven. Wat nu? Worden we weer afhankelijk van Egypte? Jeremia realiseerde zich dat de God van Israël de enige bondgenoot van Israël wilden zijn. Dat verbond was in de Woestijn gesloten en zou als resultaat hebben dat Juda en Israël onder bescherming van God zouden blijven zolang ze geen andere goden na zouden lopen. Maar ja, wiens brood men eet dienst brood men spreekt en de Koning had besloten ruim baan te geven aan de aanbidding van de Goden van de bondgenoten.

Het antwoord van Jeremia liet zich dus raden. Dat leger uit Egypte zou hen niet redden. De Chaldeën waren weg en dus zou dat leger terugkeren naar Egypte. Dan komen de Chaldeën weer terug en die zouden nu echt wel Jeruzalem innemen. Zelfs als de Koning zou hebben gedacht dat hij gewonnen had dan zouden de gewonde Chaldeën nog in staat zijn Jeruzalem in te nemen. In onze dagen denkt niemand meer na over bondgenootschappen. Ons militaire bondgenootschap moet worden uitgebreid. Dan moeten mensen die we opnamen omdat hun volk word onderdrukt maar tot zwijgen worden gebracht. Dat uitbreiding ook betekent dat de kans op een oorlog met atoombommen groter wordt wordt verzwegen. De God van Israël wijst een andere weg, de Weg van vrede, vrede verkregen door liefde, zelfs liefde voor de vijand. Dat is een moeilijke weg, maar misschien moeten we wat beter naar de prediking van die weg luisteren.