Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2016

Wij moeten niet uit zijn op het kwade

donderdag, 21 januari, 2016

1 Korintiërs 10:1-13

1 ¶  Broeders en zusters, ik wil graag dat u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk werden beschermd en allemaal door de zee trokken, 2  dat ze zich allemaal in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee. 3  En ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel 4  en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde-en die rots was Christus. 5  Toch wees God de meesten van hen af, want hij liet hen bezwijken in de woestijn. 6 ¶  Dit alles strekt ons tot voorbeeld: wij moeten niet uit zijn op het kwade, zoals zij. 7  Dien geen afgoden, zoals een deel van hen, over wie geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken en het stond op om te dansen.’ 8  Laten we geen ontucht plegen, zoals een aantal van hen, want daardoor stierven er op één dag drieëntwintigduizend. 9  En laten we Christus niet tarten, zoals anderen deden, want daardoor werden ze door slangen doodgebeten. 10  En kom niet in opstand, zoals weer anderen deden, want daardoor werden ze door de doodsengel vernietigd. 11  Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen. 12  Laat daarom iedereen die denkt dat hij stevig overeind staat oppassen dat hij niet valt. 13  U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn. God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd: hij geeft u mét de beproeving ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan. (NBV)

We vergeten zo gemakkelijk, wanneer we de brieven van Paulus lezen, dat hij schreef aan Joden en Heidenen. De Joden die zijn brieven lazen, of liever voorgelezen hoorden, snapten direct waar het over ging, maar de Heidenen zullen toch even heel erg hebben moeten wennen aan de samenvatting die Paulus hier van het Exodus verhaal maakt. Het verhaal van het volk Israel in de woestijn. Samen gingen ze door de Rode Zee het nieuwe leven van vrije mensen in, uit de slavernij van Egypte, uit de dood naar het leven. Maar hou dat nou eens vol. Blijf eens bij de beslissing opnieuw te gaan leven in dat verhaal van samen werken, samen leven en samen delen. Dat is niet altijd gemakkelijk. Feest vieren waarbij je alleen om jezelf hoeft te denken en anderen tot object van jouw genot maakt is verleidelijk, de Heidenen tot wie Paulus zich ook richtte zullen dat snel herkent hebben.

Over het dienen van afgoden hebben we het al eens gehad. De afgoden van vandaag, winst en profijt, uiterlijke schoonheid en eeuwige jeugd, materieel bezit en mateloze carriere, zijn wat minder duidelijk dan die goden uit de oudheid die tempels hadden met priesters en rituelen, maar het zijn niet minder herkenbare afgoden als je ze benoemd. En de afgoden van winst en profijt, die zich niet lieten dwingen door regels en toezicht, hebben velen inmiddels in problemen gestort en zelfs enkelen in het verderf. Alleen de allerrijksten en de machtigen werden door hen beloond. Ook de valse genezers met hun instralingen en valse kruidenmengsels zijn bekend. Genezers die wanhopige kankerpatienten, die in het laatste stadium zijn, het laatste geld uit de zak weten te kloppen in ruil voor valse hoop en des te groter teleurstelling. Het zijn de zaken waarvoor we ons ook vandaag moeten hoeden. Niet alleen in het Romeinse rijk van eeuwen geleden waren deze verleidingen aanwezig. Ze komen ook nu elke dag en elk moment weer op ons af.

En als je geen geld hebt voor de verleidingen dan kun je gemakkelijk lenen. De politieagent uit West Friesland die ooit aan arme mensen geld leende tegen een redelijke rente werd uiteindelijk multi milionair met eigen bank, museum en voetbalclub, groot was dus dan ook de val en de ellende die hij achterliet toen zijn zeepbel uiteenspatte. De sociale diensten en kredietbanken hebben ellenlange wachtlijsten van mensen die niet konden lenen maar toch werden verleid. En we hebben nog steeds een overheid die de armen niet beschermd. Die geen paal en perk wil stellen aan de uitbuiting van de zwakken en de armen in ons land. Een waarschuwing dat lenen geld gaat kosten is het enige dat de overheid weet op te brengen. We zullen daarom zelf pal moeten staan om regels in onze samenleving doorgevoerd te krijgen, die mensen tegen verleidingen beschermen. Het kan wel, we zullen het samen moeten willen, en er om blijven vragen bij de politici van ons land. Zeker nu het gemakkelijk verstrekken van leningen de hele samenleving in problemen gebracht lijkt te hebben.

Een bloedbruidegom

woensdag, 20 januari, 2016

Exodus 4:18-31

18 ¶  Mozes ging terug naar zijn schoonvader Jetro en zei tegen hem: ‘Ik zou graag teruggaan naar Egypte, om te zien of de mensen van mijn volk nog in leven zijn.’ ‘Ga in vrede, ‘antwoordde Jetro. 19  De HEER zei Mozes nog in Midjan dat hij veilig naar Egypte kon terugkeren, aangezien iedereen die hem naar het leven had gestaan gestorven was. 20  Mozes zette zijn vrouw en kinderen op een ezel en ging op weg, terug naar Egypte. De staf van God hield hij in zijn hand. 21  Toen zei de HEER tegen Mozes: ‘Nu je teruggaat naar Egypte, moeten jullie daar de farao alle wonderen laten zien waartoe ik je de macht het gegeven. Ik zal ervoor zorgen dat hij hardnekkig weigert het volk te laten gaan. 22  En dan moet jij tegen de farao zeggen: “Dit zegt de HEER: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon. 23  Ik heb je bevolen mijn zoon te laten gaan om mij te vereren, maar dat heb je geweigerd. Daarom zal ik je eerstgeboren zoon doden.”’ 24 ¶  Onderweg, toen Mozes en de zijnen ergens overnachtten, kwam de HEER op hem af en probeerde hem te doden. 25  Sippora pakte een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon weg en raakte daarmee Mozes’ voeten aan, terwijl ze zei: ‘Een bloedbruidegom ben jij voor mij.’ 26  (Ze noemde hem toen ‘bloedbruidegom’ vanwege die besnijdenis.) Toen liet de HEER hem met rust. 27  De HEER had tegen Aäron gezegd: ‘Ga de woestijn in, Mozes tegemoet.’ Aäron was op weg gegaan en ontmoette Mozes bij de berg van God. Hij kuste hem 28  en Mozes vertelde Aäron wat de HEER hem had opgedragen: wat hij moest zeggen en welke wonderen hij moest doen. 29  Toen gingen Mozes en Aäron samen naar Egypte en daar riepen ze de oudsten van Israël bij elkaar. 30  Aäron herhaalde woord voor woord wat de HEER tegen Mozes gezegd had, en liet het volk de wonderen zien. 31  De Israëlieten werden hierdoor overtuigd; toen ze hoorden dat de HEER oog had gekregen voor hun ellende, knielden ze en bogen ze zich diep neer.(NBV)

Dat de taak die Mozes wacht niet gemakkelijk is laat zich raden, die staf waarmee hij wonderen kan doen zal hem nog van pas komen. En of hij terug zal keren en hoe blijft ook nog een raadsel, geen wonder dat hij vrouw en kinderen met zich meeneemt. Hij neemt dus afscheid van zijn schoonvader die hier anders lijkt te heten dan op andere plaatsen in het boek Exodus. Geleerden wijten dat aan het eigenaardige van de Hebreeuwse taal. Die kent alleen medeklinkers en de klinkers moet je te weten komen door vaak naar het voorlezen te luisteren. Pas nadat het volk Israël door de Romeinen over de aarde werd verspreid hebben Joodse geleerden een systeem ontwikkeld waarmee de klinkers konden worden toegevoegd aan de medeklinkers. Maar verschillen zijn soms niet uit te sluiten en de naam van de schoonvader van Mozes waarschuwt ons nog maar eens de vertaling van de Bijbel al te letterlijk te nemen. Het wordt dus voor Mozes wel een onzekere reis.  Als je op weg gaat om de armen te bevrijden dan moet je er ook echt bij willen horen. Het heeft geen zin om aan de kant van de rijken te blijven staan en vanuit die luxe positie te pleiten voor bevrijding van de armen.

Jezus van Nazareth zou later zijn volgelingen oproepen om alles in de steek te laten en hem te volgen. Zo wordt ook Mozes geconfronteerd met de keus tussen Israël en Egypte, tussen leven en dood. Zo zal hij het gevoeld hebben, als hij geloofde dat de God van Israël het volk zou bevrijden uit de slavernij en naar het beloofde land zou leiden dan betekende een keuze voor het hof van Egypte de dood. Zijn vrouw Sippora begreep het. Jongens werden in Israël besneden, dat was het teken van het verbond tussen God en zijn volk. Ook de zoon van Mozes en Sippora zou daarom besneden moeten worden, dan pas zouden ze de Hebreeën zijn voor wie ze waren uitgetrokken. En die besnijdenis werd direct in verband gebracht met Mozes zelf. Aangezien Mozes drie maanden lang door zijn moeder verborgen was gehouden wordt aangenomen dat ook Mozes besneden is geweest, maar de besnijdenis had zijn waarde verloren doordat Mozes was opgevoed aan het hof van Egypte. Nu Mozes en zijn gezin volop Hebreeën waren geworden konden ze op weg. Dat beeld van een Man met zijn gezin op een ezel op weg naar Egypte wordt later door Matteüs gebruikt om Jezus van Nazareth als bevrijder te kunnen schilderen.

Maar Mozes is niet langer op de vlucht, net als Jakob keert hij terug naar huis en net als Jakob eens komt ook Mozes zijn broer, Aäron, tegen. Nu niet een broer waarvoor je bang moet zijn zoals Jakob bang voor Esau was, maar een broer die je te hulp komt en die welsprekend als hij is de boodschap aan het volk kan overbrengen. Het volk boog dan ook diep voor deze hoop brengende boodschap, tenminste de oudsten van het volk deden dat. Dat ging wel heel gemakkelijk. Er komt een man uit de woestijn, met zijn gezin, die wordt voorgesteld als een Hebreeër die opgekomen was voor zijn volksgenoten en daardoor had moeten vluchten en nu de God van Israël had ontmoet en de overtuiging had gekregen dat hij ze moest bevrijden uit de slavernij in Egypte. Het waren de wonderen die hij liet zien die kennelijk diepe indruk maakten. Mozes kon immers zijn staf in een slang laten veranderen en zijn hand melaats maken en weer laten genezen. Maar is dat het meest overtuigend geweest? We weten het niet, de schrijver van het verhaal laat het in het midden. Wat we wel weten is dat een volk dat in slavernij wordt gehouden altijd zal verlangen naar vrijheid. Wat we wel weten is dat de God van Israël zich altijd aan de kant van de verdrukten zal opstellen.

Wie heeft de mens een mond gegeven?

dinsdag, 19 januari, 2016

Exodus 4:1-17

1 ¶  Weer maakte Mozes bezwaar. ‘Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren, ‘zei hij. ‘Ze zullen zeggen: “De HEER is helemaal niet aan jou verschenen.”’ 2  De HEER vroeg: ‘Wat heb je daar in je hand?’ ‘Een staf, ‘antwoordde Mozes. 3  ‘Gooi hem op de grond, ‘beval de HEER, en toen Mozes dat deed, veranderde de staf in een slang. Mozes deinsde achteruit, 4  maar de HEER zei tegen hem: ‘Grijp de slang bij zijn staart.’ Toen Mozes dat deed, veranderde in zijn hand de slang weer in een staf. 5  De HEER zei: ‘Hierdoor zullen ze geloven dat de HEER, de God van hun voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, aan jou verschenen is.’ 6  Ook zei hij: ‘Steek je hand eens in je kleed.’ Mozes deed dat, en toen hij zijn hand er weer uit trok, zat die onder de uitslag, hij was sneeuwwit. 7  ‘Steek je hand nog eens in je kleed, ‘zei de HEER. Mozes deed het en toen hij zijn hand er opnieuw uit trok, zag die er weer net zo uit als de rest van zijn huid. 8  ‘Als ze je niet geloven en zich niet door het eerste wonderteken laten overtuigen, ‘zei de HEER, ‘dan zullen ze zich wel laten overtuigen door het tweede. 9  Maar zijn ze door geen van deze beide wonderen te overtuigen en blijven ze weigeren naar je te luisteren, dan moet je water uit de Nijl scheppen en dat over het land uitgieten; het water zal op het droge in bloed veranderen.’ 10 ¶  Maar Mozes antwoordde: ‘Neemt u mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu u tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan nooit de juiste woorden vinden.’ 11  De HEER zei: ‘Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind? Wie anders dan ik, de HEER? 12  Ga nu, ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen.’ 13  Maar Mozes hield vol: ‘Neemt u mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie u maar wilt.’ 14  Nu werd de HEER kwaad op Mozes. ‘Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron!’ zei hij. ‘Ik weet dat hij welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg en zal blij zijn je te zien. 15  Vertel jij hem wat hij moet zeggen. Ik zal bij jullie zijn als je moet spreken en jullie ingeven wat je moet doen. 16  Hij zal in jouw plaats het volk toespreken: hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn. 17  En neem je staf in de hand, want daarmee moet je de wonderen doen.’ (NBV)

Mensen zijn halsstarrig als het gaat om het goede te doen en niet dan het goede. We zorgen liever eerst voor onszelf en dan voor een ander. Dat Mozes zich verzette vinden we over het algemeen niet zo vreemd, die God mag dan een machtig God zijn, de Farao van Egypte mocht er ook wezen. Met paarden en ruiters hield hij woestijnvolken buiten Egypte en rond de Nijl was de landbouw zeer zorgvuldig en succesvol georganiseerd. Het volk Israël was bovendien als slavenvolk ingeschakeld in de bouw van steden voor de Farao. Die Farao had er dus alle belang bij dat volk bij zich te houden en niet vrij te laten. Het volk zelf wist inmiddels best wat verzet tegen de Farao zou betekenen. Als zo’n Egyptische bastaardprins na jaren uit de woestijn zou terugkeren, na eerst wegens moord en doodslag daarheen te zijn gevlucht, dan was het onwaarschijnlijk dat het volk naar hem zou luisteren als hij het zou uitnodigen met hem de woestijn in te gaan. Maar de drang om het volk te verlossen uit de slavernij is sterker.

Mozes heeft een staf die in een slang kan veranderen. Als Mozes zijn hand in eigen boezem steekt dan krijgt hij de Egyptische ziekte, huidvraat. Dat beeld was zo sterk dat de hand in eigen boezem steken via de Statenvertaling zelfs in ons dagelijks taalgebruik terecht is gekomen. Kijk eens wie je zelf bent betekent het. Mozes moet inzien dat zijn Egyptische opvoeding hem kan helpen bij de Farao en zijn Hebreeuwse achtergrond hem kan helpen bij zijn eigen volk. De Egyptenaren kan hij laten inzien dat de Nijl hun leven betekent, water geschept uit de Nijl is het bloed op de aarde. En die God die met je meetrekt zal je de juiste woorden geven. Want zoals zoveel mensen is ook Mozes bang niet op het juiste moment de juiste woorden te kunnen vinden. Mensen kunnen in een klein gezelschap soms honderduit vertellen maar voor een zaal vol mensen staan ze te stamelen en te stotteren, als ze zich zouden inbeelden slechts tegen enkelen te spreken zou het een stuk beter gaan. De ontdekker van de moderne psychiatrie Sigmund Freud zag overigens in dit bezwaar van Mozes een bewijs dat die Mozes eigenlijk een Egyptenaar was geweest, zijn eigen volk, de Hebreeën zouden hem nauwelijks hebben kunnen verstaan.

Maar als je spreekt in de Geest van de God van Israël, woorden van vrede spreekt, aandacht vraagt voor de slaven die om bevrijding schreeuwen, wijst op de armen in de samenleving, dan geeft die God vanzelf de goede woorden. We hebben tegenwoordig zelfs een Bijbel vol met de goede woorden. God heeft alleen meer mensen nodig die hun mond open willen doen om het onrecht aan de kaak te stellen en stem te geven aan hen die monddood zijn gemaakt. Zoals Mozes zijn hand in eigen boezem moet steken mogen ook wij beseffen dat de mensen tot wie wij spreken geen andere mensen zijn dan wij zelf. Het is de enige Heer van de wereld die ons roept op weg te gaan voor de bevrijding van de onderdrukte mens, er zijn geen andere heren die ons daarvan zouden kunnen weerhouden, alleen onze eigen bezwaren zitten ons in de weg, wat dat betreft verschillen we zelfs niet van Mozes toen hij bij de brandende struik zijn God tegenkwam.  Langzaam ziet Mozes in dat al die tegenwerpingen drogredenen zijn. Hij had toch ooit nog een broer die goed van de tongriem was gesneden? Aäron  heette die. Hier wordt hij al aangeduid als Leviet, het loopt vooruit op het priesterschap dat Aäron later zou gaan bekleden en priesters verkondigen immers het woord van de God van Israël. Dat God ons vrede mag geven, en kracht.

Maar wie ben ik

maandag, 18 januari, 2016

Exodus 3:11-22

11 ¶  Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’  12  God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’ 13  Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’ 14  Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.”’ 15  Ook zei hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: “De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En hij heeft gezegd: ‘Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.’ ” 16 ¶  Laat de oudsten van Israël bij elkaar komen en zeg tegen hen: “De HEER, de God van uw voorouders, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, en hij heeft gezegd: ‘Ik heb gezien wat jullie in Egypte wordt aangedaan en ik heb mij jullie lot aangetrokken. 17  Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.’ ” 18  Je zult bij de oudsten van Israël gehoor vinden, en dan moet je samen met hen naar de koning van Egypte gaan. Zeg hem dat de HEER, de God van de Hebreeën, naar jullie toe gekomen is, en vraag hem toestemming om drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, jullie God, offers te brengen. 19  Ik weet dat de koning jullie dat niet zal toestaan, tenzij hij daartoe met harde hand wordt gedwongen. 20  Daarom zal ik met krachtige hand ingrijpen en Egypte straffen, ik zal er wonderbaarlijke daden verrichten, en dan zal hij jullie laten gaan. 21  Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren jullie goedgezind zijn: mijn volk zal niet met lege handen vertrekken. 22  Alle vrouwen moeten aan hun buurvrouw en aan de vrouwen die bij hen in huis wonen, zilveren en gouden sieraden en ook kleren vragen. Die moeten jullie je zonen en dochters laten dragen. Zo zullen jullie de Egyptenaren beroven.’ (NBV)

Een vraag die we ons vaak stellen. Wie ben ik dat ik mijn mond open kan doen of wie ben ik dat ik deze taak op mij kan nemen? Het kan een eerlijk aangeven van je grenzen zijn maar ook een smoes geboren uit angst. Dat laatste kan fataal zijn. Als niemand zijn stem verheft tegen onrecht dan heerst het onrecht over iedereen. Als niemand opstaat tegen het kwade dan heerst het kwade over iedereen. En we doen het zo gemakkelijk. Als Moslims worden beledigd omdat hun Islam voor achterlijk wordt uitgemaakt dan zwijgen we want we zijn toch geen Moslims en hangen de Islam niet aan. Als homo’s worden gepest dan gaan we een straatje om, want we zijn toch geen homo’s en als we dat wel zijn kijken we helemaal wel uit want het zou ons ook eens kunnen overkomen. Als zwervers worden weggejaagd dan kijken we een andere kant op want we zijn geen zwervers en we konden hun stank ook al niet verdragen. Zo kunnen we natuurlijk nog een tijdje doorgaan.  Maar als jouw opvattingen voor achterlijk worden uitgemaakt, als jezelf wordt gepest, als je zelf ergens wordt weggejaagd, als het jou allemaal overkomt, wie staat er dan voor jou op?

Mozes was opgevoed als een prins van Egypte maar had moeten vluchten omdat hij een moordenaar was geworden. Nu hij doorkrijgt hoe het goede voor zijn volk gedaan zou moeten worden bekruipt hem dezelfde angst. Hij maakt kennis met een God die meegaat in het goede. Die meeging toen Abraham zijn land uit trok, die meetrok met Izaaäk in Kanaaän, die meeging met Jacob toen die naar Laban ging, die met Jozef was in Egypte. Die God belooft ook met ons mee te gaan in het goede. Wij noemen dat de Heilige Geest die in ons zal zijn als wij het goede doen en niet dan het goede, ja zonder die Geest zouden we het goede niet eens kunnen doen. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en naar zijn eigen volk. Beiden moeten de God van Israël leren kennen. Hier klinkt bij het voorlezen niet de naam van God,” Ik zal er zijn “, of de vier letters waarmee die naam wordt geschreven: JHWH, maar gesproken wordt van de Heer. Een politieke belijdenis. Want niet de Farao is de Heer van de wereld, maar de God van Israël, niet Mozes is de Heer van de Hebreeën, maar de God van Israël.

Zo is voor gelovigen in de God van Israël ook in onze dagen geen mens Heer over andere mensen. Ieder mens heeft een eigen taak en bij het uitvoeren van die taak mogen we allemaal hopen dat de Geest van de God van Israël met die mens is, dan kan die mens het goede doen bij het uitvoeren van de taak die die mens gegeven is, maar wie het kwade doet zal daar door iedereen op aangesproken en tegengesproken moeten worden, want het kwade zal niet mogen heersen op aarde. Zo wil volgens dit verhaal deze God gedacht worden. Hier wordt gesproken van aangeroepen, maar letterlijk staat er “dit is mijn gedachtenis van geslacht op geslacht”, dat betekent dat er telkens mensen geroepen worden om te gaan naar mensen in nood. Dat betekent voor ons dus dat wij ons geroepen mogen weten als we ons wenden tot mensen die in nood zijn, als we opstaan tegen het onrecht, als we spreken voor mensen die sprakeloos gemaakt zijn. Elke dag kan dat opnieuw, maar een extra verantwoordelijkheid is er als er verkiezingen komen, dan kunnen we onze stem eerst recht uitbrengen.

God hoorde hun jammerkreten

zondag, 17 januari, 2016

Exodus 2:23–3:10

23 ¶  Jaren gingen voorbij, en de koning van Egypte stierf. Maar de Israëlieten gingen nog altijd onder dwangarbeid gebukt. Ze klaagden luid en hun hulpgeroep steeg op naar God. 24  God hoorde hun jammerkreten en dacht aan het verbond dat hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. 25  Hij zag hoe de Israëlieten leden en trok zich hun lot aan. 1 ¶  Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. 2  Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. 3  Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. 4  Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ik luister, ‘antwoordde Mozes.  5  ‘Kom niet dichterbij, ‘waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. 6  Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken. 7 ¶  De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. 8  Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. 9  De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. 10  Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’ (NBV)

“Dit zijn de namen”, zo begint het boek dat wij Exodus noemen, maar dat in het Hebreeuws dus “de namen” heet. In het gedeelte dat we vandaag lezen krijgt de God van Israël eindelijk een naam. Die naam wordt nooit uitgesproken. Niet omdat die naam geheim is maar omdat die naam voor mensen zo geweldig is dat je siddert bij de gedachte er aan alleen al. Die naam heeft namelijk een bijzondere betekenis en die betekenis wordt in het gedeelte van vandaag al zichtbaar. Allereerst heeft die God een verbond gesloten, met Abraham, met Isaäk en met Jakob. De Nieuwe Bijbelvertaling laat die laatste twee keer “met” weg, maar God heeft zowel met Abraham als met Isaäk en met Jakob telkens een nieuw verbond gesloten. Telkens wel dat het land Kanaän een land zou worden van een groot volk dat zou afstammen van Abraham en van Isaaäk en van Jakob. Die belofte was er niet zomaar, dat verbond hield verplichtingen in, wederzijdse verplichtingen en daarom hoorde die God ook de jammerkreten van dat volk en trok die God hun lot aan.

En dan? Schieten er bliksemschichten van omhoog om de Farao en zijn volk te vernietigen? Komt er een engelenleger om tegen het leger van Egypte te vechten? Nee, zo werkt de God van Israël niet! Bevrijding van ellende gaat niet op gebed of op jammerkreten maar gaat door het werk van mensen. Mozes in dit geval. Die zag een boodschapper in een vuur dat uit een doornstruik ontvlamde op de berg van die God, een struik die brandde maar niet verteerde. Geleerden zeggen dat het een soort struik is die, als die bloeit, de indruk wekt in brand te staan. Zo’n struik groeit in de woestijn. Maar Mozes ziet er een boodschap van zijn God in. Dit is heilige grond, daar bloeien planten in de woestijn. Zou zo het volk Israël kunnen bloeien? Was er niet een land beloofd waar ze net zo konden bloeien als al die andere volken buiten Egypte? Zou er niet een land zijn overvloeiende van melk en honing? Zou je dan niet de hulp van die God kunnen krijgen als je naar de Farao gaat om de vrijheid voor dat volk te verkrijgen? Dat zou het moeten zijn.

Als je de God van dat volk zelfs achter in de woestijn kunt ontmoeten, want achter de woestijn ligt immers dat beloofde land. Wat is dat voor een God die zegt geen naam maar een boodschap te hebben: “Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal” De God die er was voor Abraham, die er was voor Izaaäk. die er was voor Jakob, die er voor elk van hen was zoals hij er voor hen wilde zijn, die er voor Mozes was zoals hij er voor hem wilde zijn, die er voor zijn volk wilde zijn zoals hij voor dat volk wilde zijn, die er voor elk van ons is zoals hij voor elk van ons wil zijn. En zeg nu niet dat de God van een ander, de God die met die ander meegaat, een andere God is dan de God die er voor jou is, die met jou meetrekt. Samen kun je die God aanbidden, door er voor elkaar te zijn, door elkaar te bevrijden van angst voor elkaar, elkaar te bevrijden van slavernij en dat wat je vasthoudt en weg van elkaar. Die God stuurt elk van ons op weg, dezelfde weg die Mozes moet gaan, maar elk van ons met een verschillende opdracht. Want voor elk van ons is die God de God die met ons meetrekt omdat hij het geroep van zijn kinderen heeft gehoord, omdat hij hen een wereld beloofd heeft waar alle tranen gedroogd zijn. Daarom hoeven wij niet meer de naam van die God te noemen: we moeten voor hem op weg gaan.

 

Ik ben een vreemdeling

zaterdag, 16 januari, 2016

Exodus 2:11-22

11 ¶  Toen Mozes volwassen geworden was, zocht hij op een dag de mensen van zijn volk op. Hij zag welke zware dwangarbeid ze verrichtten en was er getuige van dat een Hebreeër, een volksgenoot van hem, door een Egyptenaar werd geslagen. 12  Hij keek om zich heen, en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar dood; hij verborg hem onder het zand. 13  De dag daarop zag hij hoe twee Hebreeuwse mannen met elkaar op de vuist gingen. ‘Waarom sla je iemand van je eigen volk?’ vroeg hij aan de man die begonnen was. 14  Maar die antwoordde: ‘Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? Wou je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar?’ Mozes schrok, hij dacht: Dan is het dus toch bekend geworden! 15  Toen de farao ervan hoorde, wilde hij Mozes laten doden. Daarom vluchtte Mozes voor de farao. Zo kwam hij in Midjan terecht, en daar ging hij bij een put zitten. 16 ¶  De priester van Midjan had zeven dochters. Zij kwamen daar water putten en vulden de drinkbakken om de schapen en geiten van hun vader te drinken te geven. 17  Maar er kwamen ook herders, die hen wilden wegjagen. Daarop schoot Mozes hun te hulp en gaf het vee te drinken. 18  Toen ze thuiskwamen, vroeg hun vader, Reüel, hoe het kwam dat ze die dag zo snel terug waren. 19  ‘Er was een Egyptenaar die ons te hulp kwam tegen de herders, ‘antwoordden ze, ‘en hij heeft ook water voor ons geput en de dieren te drinken gegeven.’ 20  ‘En waar is hij nu?’ vroeg hun vader. ‘Waarom hebben jullie die man daar achtergelaten? Nodig hem uit om te komen eten.’ 21  Mozes liet zich overhalen om bij die man te blijven, en deze gaf hem zijn dochter Sippora tot vrouw. 22  Zij bracht een zoon ter wereld, en Mozes noemde hem Gersom, ‘want, ‘zei hij, ‘ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.’ (NBV)

Wat zou er worden van die zoon van de God zonder naam, dat betekent de naam “Mozes” immers? Hij groeide op aan het Hof van de Farao van Egypte. Het Hof waar de dood heerste, waar levens niet telden maar waar de angst regeerde. De angst voor het vreemde, voor mensen met een ander geloof, zo’n geloof kan immers best radicaal zijn, kan best tot doel hebben dat alle andere geloven moeten worden onderworpen aan dat ene ware geloof? Mozes groeide op tot een voorbeeldig Egyptenaar. Zijn antwoord op onrecht was het doodslaan van de onrechtvaardige. Zijn poging vrede te stichten opende zijn ogen voor wat de gevolgen kunnen zijn van het gebruik van geweld. Maar het antwoord van Mozes was de vlucht, de angst die ook aan het Hof heerste. Mozes moest nog veel leren.  Maar Mozes droeg al één eigenschap met zich mee, hij kwam op voor de zwakkere, hij verzette zich tegen geweld, al gebruikte hij het wel. Hij kwam dan ook niet zomaar bij een waterput. Die waterput staat al eerder in Bijbelse verhalen die gaan over de tijd van voor Mozes.

Bij die waterput trof de dienstknecht van Abraham Rebekka aan, die later met Izaäk zou trouwen. Bij diezelfde waterput ontmoette Jakob zijn lieveling Rachel. Mozes trof er zeven zusters, dochters van een priester  van Midian, zeven het getal van de volheid. De vrouwen werden verjaagd door herders uit diezelfde landstreek. Wie de macht over het water heeft in een woestijn heeft ook de macht over mensen. Weer grijpt Mozes in ten gunste van de zwakken in het conflict. Hij bevrijdde de vrouwen, in de Nieuwe Bijbelvertaling is dat element van bevrijding verdwenen, de Statenvertaling had het zelfs over verlossen, maar ook de Naardense Bijbel spreekt over bevrijding van de macht van de herders. Dat scheelt natuurlijk een hoop tijd voor de vrouwen, als je altijd achteraan komt dan gaat er ook veel tijd in je leven verloren. Mozes blijft bij hen wonen, trouwt en krijgt een zoon. Dan blijkt dat hij geleerd heeft wat het is om vreemdeling te zijn in een vreemd land. Voor Abraham, Izaäk en Jakob waren er nog nauwe banden geweest met het land waar Mozes heen vluchtte, Mozes werd aangesproken als Egyptenaar.

Geweld en angst zijn dus geen oplossingen voor de verhouding tussen mensen, zelfs niet tussen mensen van verschillende afkomst of mensen van verschillend geloof. Wat voor priester die schoonvader van Mozes is weten we niet, later zal hij zich bij het volk Israël aansluiten. Mozes blijft zijn hele leven een vreemdeling, zwervend door de woestijn, zelfs het land waarheen hij zijn volk zou brengen zal hij niet binnengaan. Wie wil leven als Mozes moet dus allereerst leren dat je een vreemdeling bent. Maar als je zelf een vreemdeling bent hoef je geen geweld te gebruiken tegen andere vreemdelingen, hoef je je niet af te zetten tegen een andere godsdienst van die andere vreemdelingen. Als je zelf vreemdeling bent kijk je wel uit geweld te gebruiken. Als je vreemdeling bent dan zoek je mensen, mensen op wie je onvoorwaardelijk kunt vertrouwen en die onvoorwaardelijk op jou kunnen bouwen. Zorg voor zwakken en verdrukten is daarbij het eerste waar je je op richt, die zullen weten hoe belangrijk het is om van je naaste te houden als van jezelf. Vandaag kunnen we al verder gaan als vreemdelingen, zelfs in ons eigen land.

Ik kan niet anders

vrijdag, 15 januari, 2016

1 Korintiërs 9:15-27

15 ¶  Maar ik heb van geen van deze rechten ooit gebruik gemaakt, en dat schrijf ik niet om ze nu bij u op te eisen. Ik zou liever sterven. Geen mens zal me deze roem ontnemen. 16  Dat ik verkondig is niet iets om me op te laten voorstaan. Ik kan niet anders, en het zou me slecht vergaan als ik het niet zou doen. 17  Als ik het uit eigen beweging zou doen, zou ik recht op betaling hebben. Maar ik doe het niet uit vrije wil; deze opdracht is mij toevertrouwd. 18  Wat is nu mijn loon? Dat ik het evangelie verkondig zonder er iets voor terug te vragen en dus geen gebruik maak van de rechten die de verkondiging mij geeft. 19 ¶  Vrij als ik ben ten opzichte van iedereen, ben ik de slaaf van iedereen geworden om zo veel mogelijk mensen te winnen. 20  Voor de Joden ben ik als een Jood geworden om hen te winnen. Ikzelf sta niet onder de Joodse wet, maar toch heb ik me eraan onderworpen om hen die er wel onder staan te winnen. 21  En voor hen die niet onder de Joodse wet staan, ben ik als iemand geworden die de wet niet heeft, om hen te winnen. Dit betekent niet dat ik de wet van God heb losgelaten, maar dat ik mij heb onderworpen aan de wet van Christus. 22  Voor de zwakken ben ik zwak geworden om hen te winnen. Ik ben voor iedereen wel íets geworden, om in elke situatie althans enkelen te redden. 23  Ik doe alles voor het evangelie om ook zelf aan de beloften ervan deel te krijgen. 24 ¶  Weet u niet dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen? Ren als de atleet die wint. 25  Iedereen die aan een wedstrijd deelneemt beheerst zich in alles; atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, wij echter voor een onvergankelijke. 26  Daarom ren ik niet als iemand die geen doel heeft, vecht ik niet als een vuistvechter die in de lucht slaat. 27  Ik hard mezelf en oefen me in zelfbeheersing, want ik wil niet aan anderen de spelregels opleggen om uiteindelijk zelf te worden gediskwalificeerd. (NBV)

In het gedeelte dat we vandaag lezen uit de eerste brief aan de gemeente in Korinte verdedigt Paulus zich tegen aanvallen en stelt hij zichzelf ten voorbeeld. In zijn verdediging neemt hij anderen in bescherming. Paulus werd er kennelijk van beschuldigd rijk te worden van het stichten van gemeenten. Hij zou de gemeenten laten betalen om naar ze toe te komen en er het Evangelie te verkondigen. Paulus vindt dat zendelingen, Apostelen in het Grieks, het recht hebben op een vergoeding. Daarmee beschermt hij zijn mede apostelen die wel gedwongen zijn zo hier en daar de hand op te houden. Een visser als Petrus zal het niet gemakkelijk hebben gehad de kost te verdienen in vreemde gebieden. Hij hoorde thuis op het meer van Galilea en dat is maar een klein meer. Voor een rondreizende riemensnijdende tentenmaker als Paulus was het gemakkelijker zelf de kost te verdienen. Paulus ziet daarom af van het recht op een vergoeding voor zijn werk, al noemt hij het nadrukkelijk een recht.

Toegepast op de discussies over betaalde en onbetaalde predikanten in de PKN staat dus  in dit gedeelte eigenlijk dat beiden gelijk hebben. Een redelijk traktement is het recht van een voorganger die volledig in dienst is van een gemeente, die op zondag voorgaat en door de week de gemeente leiding geeft, zorgt voor de ouderlingen en diakenen en als een herder is voor de gelovigen door zijn of haar pastoraal werk. Maar het is mogelijk van dat recht op een redelijk traktement af te zien als op een andere manier in eigen onderhoud kan worden voorzien. Soms hebben mensen een beroep, opleiding of erfenis die hen dat mogelijk maken. Waar niet vanaf kan worden gezien is het voorbeeld dat een voorganger is. Paulus schetst hier hoe hij Jood met de Joden is, Romein met de Romeinen, zwak met de zwakken en sterk met de sterken. Hij past zich aan om mensen maar te kunnen winnen voor het Evangelie. Al die verschillen verdwijnen immers in de gemeente van Jezus van Nazareth. Iedereen kan zich in dat Evangelie herkennen.

In onze dagen leggen we graag de nadruk op verschillen. Verschillen in taal, afkomst, maatschappelijke positie, inkomen, geslacht en gewoonten. Door die nadruk op verschillen te leggen maak je het mogelijk dat de een zich beter kan voordoen dan de ander. Ongelovigen zijn slimmer dan gelovigen omdat ze door hebben dat er niets te geloven valt. Gelovigen zijn optimistischer dan ongelovigen omdat zij kunnen geloven in een rechtvaardige toekomst waar vrede heerst en iedereen genoeg heeft. Nederlanders zijn beter dan niet Nederlanders omdat zij betere gewoonten hebben dan niet Nederlanders. Maar niet Nederlanders zijn beter dan Nederlanders omdat zij een frissere kijk hebben op vastgeroeste gewoonten en zich beter aan kunnen passen aan omstandigheden die veranderd zijn. Voor gelovigen in Jezus van Nazareth tellen die verschillen dus niet. Hen gaat het om een samenleving waar niet de een zich beter acht dan de ander maar waar samen oog is voor de minsten, voor hen die een uitgestoken hand nodig hebben, omdat zij altijd onder alle omstandigheden hun naaste lief willen hebben als zichzelf, dat is het doen waar Paulus het over had en waar nog steeds elke dag opnieuw mensen voor in beweging komen, ook vandaag weer.

 

Ik zou geen apostel zijn?

donderdag, 14 januari, 2016

1 Korintiërs 9:1-14

1 ¶  Ik zou zelf niet vrij zijn? Ik zou geen apostel zijn? Maar heb ik dan niet Jezus, onze Heer, gezien? Bent u niet het werk dat ik dankzij de Heer tot stand heb gebracht? 2  Ook al erkennen anderen mij niet als apostel, u zou het wel moeten doen, want u bent door uw geloof in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap. 3 ¶  Ziehier mijn verdediging tegen wie zich een oordeel over mijn apostelschap aanmatigen. 4  Hebben wij geen recht op eten en drinken? 5  Zouden wij niet het recht hebben een gelovige echtgenote op onze reizen mee te nemen, zoals de andere apostelen, de broers van de Heer en Kefas? 6  Of zouden nu uitgerekend Barnabas en ik in ons eigen levensonderhoud moeten voorzien? 7  Wie gaat er nu op eigen kosten in krijgsdienst? Wie plant er een wijngaard en eet niet van de vruchten? Of wie hoedt er een kudde en drinkt niet van de melk? 8  Dit is niet alleen een algemene waarheid, het staat ook in de wet, 9  want in de wet van Mozes staat: ‘U mag een dorsend rund niet muilbanden.’ Maar bekommert God zich dan om runderen? 10  Of zegt hij dit om ons? Om ons natuurlijk, want het is ook om ons dat er staat: ‘Een ploeger en een dorser werken beiden in de hoop op een aandeel in de oogst.’ 11  Als wij geestelijke zaken onder u hebben gezaaid, is het dan te veel gevraagd dat we materiële zaken van u oogsten? 12  Als anderen hierop al aanspraak kunnen maken, kunnen wij het dan niet des te meer? We hebben echter geen gebruik gemaakt van onze rechten; integendeel, we verdragen alles, omdat we de verkondiging van het evangelie van Christus niets in de weg willen leggen. 13  U weet toch dat wie in de tempel dienst doen daarvan leven, en dat wie aan het altaar dienen een deel van het offervlees krijgen? 14  Voor hen die het evangelie bekendmaken geldt hetzelfde: de Heer heeft bepaald dat zij door te verkondigen in hun levensonderhoud mogen voorzien. (NBV)

Je trapt Paulus op zijn ziel als je beweert dat hij niet een verkondiger is van het Evangelie van Jezus van Nazareth, namelijk dat die Jezus de Messias is, de bevrijder van de armen en de Koning van Israël, de Heer van de hele bewoonde aarde. Er waren in Korinte kennelijk mensen die beweerden dat die Paulus maar rondreisde, van gemeenten geld vroeg voor het levensonderhoud voor hem en zijn gezelschap, maar dat hij niet echt was, anders zou zijn God wel voor hem zorgen. Dat doet die God dus ook geeft Paulus als antwoord. Die God heeft zijn richtlijnen gegeven, de richtlijnen waarlangs een volk zo kan leven dat het in het land komt dat overvloeit van melk en honing. In die richtlijnen staat dat een arbeider zijn loon waardig is. Dat de stieren die de ploeg trekken goed verzorgd moeten worden en als stieren goed verzorgd moeten worden moeten de arbeiders dan verwaarloosd worden?

Het is een discussie die ook in onze dagen weer opspeelt. In Zwolle heeft een PKN gemeente een tijd geleden een predikant gekregen die ze niet hoeven te betalen. De man heeft nog een baantje en daar verdient hij genoeg mee om in zijn levensonderhoud te voorzien. Paulus deed dat ook vaak, hij schrijft zelf dat hij een riemensnijdende tentenmaker is die meestal in zijn eigen onderhoud voorziet. Maar dat hoeft dus niet. Soms nemen apostelen als Petrus, of de broers van Jezus van Nazareth, zelfs hun vrouwen mee als ze op zendingsreis gaan. Ook in de Protestantse Kerken is het regel dat een predikant een traktement krijgt, er is zelfs een vakbond van predikanten. Maar het is geen loon, de plaatselijke gemeente is geen “baas” van een predikant, alleen God is de baas, bij conflicten beslist uiteindelijk de landelijke vergadering van vertegenwoordigers van de gemeenten, de synode. Een predikant kan dan ook niet rijk worden van zijn werk. Hoeveel geld hij bij zijn gemeenteleden ook weet los te praten, het gaat nooit naar zijn eigen vermogen.

Dat is bij sommige valse profeten nog wel eens anders. Er zijn voorgangers die miljonair geworden zijn alleen al van de opbrengsten die ze uit hun gemeenten wisten te krijgen. De hoeveelheid geloof van de gemeenteleden moest dan worden uitdrukt in de hoeveelheid geld die werd gegeven. Wie dit gedeelte uit de brief van Paulus leest ziet hoe on-Bijbels dat eigenlijk is. De collecte in een Protestantse Eredienst is dan ook niet voor de voorganger, maar soms voor de gemeenschap en meestal voor een zogenaamd diaconaal doel. Daarmee wordt werk voor de armen gesteund, de voedselbanken, individuele hulp, een project in een arm land om mensen weer een nieuwe kans te geven, bezoekwerk in gevangenissen, zorg voor verslaafden en zo. In die Eredienst oefenen mensen in het delen van hetgeen ze hebben. Ze oefenen zodat ze het door de week maar al te goed kunnen, want de zorg voor de ander, de liefde voor de naaste staat voorop. Daarom zijn er ook voorgangers in de PKN die er niet aan verdienen, des te meer geld is er voor hen die het echt nodig hebben. Iedereen mag daaraan bijdragen, elke dag opnieuw, ook vandaag.

Alleen de liefde bouwt op.

woensdag, 13 januari, 2016

1 Korintiërs 8:1-13

1 ¶  Dan nu over heidens offervlees. Zeker, het is waar dat wij allen kennis bezitten. Maar kennis maakt verwaand; alleen de liefde bouwt op. 2  Wanneer iemand zich inbeeldt dat hij kennis bezit, is het toch nog niet de ware kennis. 3  Maar wanneer iemand God liefheeft, is hij door God gekend.4 ¶  Wat nu het eten van offervlees betreft: wij weten dat er in de hele wereld niet één afgod echt bestaat en dat er maar één God is. 5  Ook al zijn er zogenaamde goden in de hemel of op aarde-en zo zijn er immers heel wat goden en heren-, 6  wij weten: er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven. 7 ¶  Maar niet iedereen bezit deze kennis. Sommigen van u zijn zo aan hun afgod gewend dat ze het offervlees nog altijd als een offer aan die afgod zien. hierdoor wordt hun geweten, dat zwak is, bezwaard. 8  Nu zal ons voedsel ons niet bij God brengen: eten wij niet, dan zal ons dat niet tot nadeel strekken; eten wij wel, dan zal ons dat niet tot voordeel strekken. 9  Maar let erop dat de vrijheid die u hebt geen struikelblok wordt voor de zwakken onder u. 10  Wanneer namelijk iemand met een zwak geweten ziet dat u, met uw kennis, in een afgodentempel deelneemt aan een maaltijd, wordt hij er dan niet toe verleid dat offervlees te eten? 11  Zo gaat de zwakke door uw kennis verloren, een broeder of zuster voor wie Christus gestorven is. 12  Op die manier zondigt u tegen hen, en door hun zwakke geweten te ondermijnen zondigt u tegen Christus. 13  Als ik dus door vlees te eten mijn broeder of zuster ten val breng, wil ik het nooit ofte nimmer meer eten; dan breng ik hen niet ten val. (NBV)

Er zijn door die jonge gemeenten die door Paulus waren gesticht allerlei vragen gesteld waar wij tegenwoordig bijna geen weet meer van hebben. Het kost daarom enige moeite om te begrijpen wat nu eigenlijk de betekenis is van het onderwerp dat Paulus aansnijdt. Zegt Paulus hier nu dat we vegetariërs moeten worden of zegt hij dat we nu juist geen vegetariërs moeten worden, of, en daar lijkt het nog het meeste op, zegt hij dat we het zelf maar moeten uitzoeken? Om het te begrijpen moeten we eerst iets weten over vlees eten, dat is het onderwerp dat Paulus in dit gedeelte behandeld. Vlees was en is duur voedsel. Armen komen in veel samenlevingen niet toe aan het eten van vlees, dat blijft gereserveerd voor de rijken en, voor wat de armen betreft, voor de feestdagen en bijzondere gelegenheden. De Amerikaanse zanger Tom Paxton maakte begin jaren 80 zelfs een lied dat zong van “you can eat cat food” je kan kattenvoer eten, om te laten horen en voelen hoe het eten van de armen “normale” producten ontbeerd. Wij hebben voedselbanken nodig om er in te voorzien.

In de Romeinse samenleving waren de bijzondere en feestdagen waarop vlees gegeten kon worden door de armen de dagen die gewijd waren aan goden en keizers. Ter ere van de god of van de goddelijk gemaakte keizer at je thuis of in de tempel een overvloedige maaltijd, met vlees dus. Alleen de rijken konden het zich permiteren om daarbuiten ook vlees te kopen. Dat was vaak vlees afkomstig uit Tempels. Dat was daar niet nodig voor de Priesters en werd door die Priesters dan te koop aangeboden. Sommigen aten dat dan speciaal om in de gunst te komen bij de god waaraan dat vlees was geofferd. Vlees en heidense goden hadden dus in de belevenis van mensen veel met elkaar te maken. Paulus zegt om te beginnen dat je dat vlees gerust kunt eten. Die goden, krachten en machten die met dat vlees in verband werden gebracht bestaan al helemaal niet, er is immers maar één God, de God van Israël en die zit niet op jouw offers te wachten maar wil juist dat je deelt van je bezit. Maar alleen maar wijzen op de vrijheid van een mens is te kort door de bocht.

Je kunt met je gedrag anderen laten zien wat er goed en wat er fout zit in de samenleving. Zo waren er mensen die geen benzine meer gingen tanken bij Shell omdat die investeerde in de Apartheid van Zuid-Afrika. Mensen haalden hun geld weg bij ABN-AMRO omdat die hetzelfde deed. Tegenwoordig zijn er mensen die hun geld stallen bij Triodos of ASN bank omdat die beter met milieu, armoede en arbeidsverhoudingen omgaan. Zo pleit Paulus er voor geen offervlees te eten als je dat kunt doen als teken dat je die afgoden en vreemde krachten en machten geen plaats geeft in je leven. Er zijn tegenwoordig mensen die geen vlees meer eten omdat het vlees afkomstig is uit de bio-industrie die onvriendelijk is voor dieren en voor mensen. Het gaat er ook hierbij om dat alleen de liefde opbouwt zegt Paulus. Als we ons bewust zijn dat ons gedrag onrecht en onderdrukking in stand houdt dan moeten we met dat gedrag ophouden. Of het nu eten en drinken is, of het kopen van kleding die door slaven is gemaakt, of wat dan ook. We veranderen de samenleving als we het goede zoeken te doen en niet dan het goede. Ook in ons eigen dagelijks handelen, ook vandaag weer.

Als u de Zoon van God bent

dinsdag, 12 januari, 2016

Lucas 4:1-13

1 ¶  Vervuld van de heilige Geest trok Jezus weg van de Jordaan, en geleid door de Geest zwierf hij veertig dagen rond in de woestijn, 2  waar hij door de duivel op de proef werd gesteld. Al die tijd at hij niets, en toen de veertig dagen verstreken waren, had hij grote honger. 3  De duivel zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel die steen dan in een brood te veranderen.’ 4  Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen.”’ 5  Toen bracht de duivel hem naar een hooggelegen plaats en liet hem in een en hetzelfde ogenblik alle koninkrijken van de wereld zien. 6  De duivel zei tegen hem: ‘Ik geef u de macht over dat alles en ook de roem die ermee gepaard gaat, want ik kan daarover beschikken en ik geef het aan wie ik wil; 7  als u in aanbidding voor mij neervalt, zal dat allemaal van u zijn.’ 8  Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’ 9  De duivel bracht Jezus naar Jeruzalem en zette hem op het hoogste punt van de tempel, en hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. 10  Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal hij opdracht geven om over u te waken.” 11  En ook: “Op hun handen zullen zij u dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ 12  Maar Jezus antwoordde: ‘Er is gezegd: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 13  Toen de duivel Jezus aan al deze beproevingen had onderworpen, ging hij voor een tijd bij hem vandaan. (NBV)

Een overbekend verhaal lezen we vandaag, dat van de verzoeking in de woestijn. Mooi ook zo’n afloop dat Jezus van Nazareth al die verzoekingen heeft weerstaan. Maar wat moeten we in de eenentwintigste eeuw nog met een figuur als de duivel. Misschien wel net zoveel als Jezus van Nazareth, namelijk helemaal niks. Jezus van Nazareth was kennelijk voor de duivel niet bang en waarom zouden wij dat dan wel zijn? Bovendien geloven we in God en dus niet in de duivel. Het is een verhaal en dat verhaal wil ons iets vertellen. Dat verhaal vertelt ons in elk geval niks over het al of niet bestaan van een duivel. Het vertelt ons over de manier waarop Jezus van Nazareth begon met het vertellen van zijn boodschap. Hij ging eerst terug naar de woestijn. Daar waar ooit het volk Israel haar God had ontmoet en had ontdekt dat het belangrijkste van haar religie de zorg voor elkaar is. Daarmee kwam aan alle religie eigenlijk een einde.

Als “God dienen” hetzelfde is als “van je naaste houden als van jezelf”, blijft er van religie weinig meer over. In dit verhaal komen het absoluut goede, de God van Israel, en het absoluut kwade, de duivel genoemd, tegenover elkaar te staan. Mensen zijn kinderen van het Goede had Lucas in het geslachtsregister van Jezus van Nazareth al geschreven. Jezus van Nazareth zelf is daar geen uitzondering op. Maar we weten dat mensen ook graag het kwade doen. Als iedereen voor elkaar zorgt waarom laat jij dan niet voor jou zorgen en de zorg voor anderen aan de anderen over? Geen wonder dat aardige mensen vaak het gevoel hebben dat er misbruik van ze gemaakt wordt. Tot ze ontdekken dat het kansen geven aan een ander om zich te ontplooien als liefdevolle en zorgzame mens ook tot zorg voor die ander hoort. We leven immers niet bij brood alleen. Zo zit het ook met de macht. Alleen het kwade kan een mens absolute macht over anderen geven. En een mens die het goede wil doen en niets dan het goede waakt er wel voor al te lichtvaardig om hulp te vragen, dagelijks brood is ons immers genoeg. Zo weten we het kwade te weren, door aan het goede vast te houden.

We hebben het ook kunnen lezen in de brief van Paulus aan de mensen in Efeze: “trek de wapenrusting aan”. We herkennen na dit verhaal het kwade ook, wie misbruikt maakt van jou dient het kwade, wie macht over je wil uitoefenen dient het kwade, en wie je verleidt tot meer vragen dan je nodig hebt dient het kwade. En als je het goede wilt doen en niets dan het goede dan hoef je voor de duvel niet bang te zijn. Aanpakken en benoemen dat kwade dus vanaf vandaag. We weten immers wat de Bijbel zegt over oorlog. Stond er niet geschreven dat gij niet doden zult? We weten immers wat de Bijbel zegt over ons verlangen rijker en nog rijker te worden. Want stond er niet geschreven dat we niet zouden begeren het huis van onze naaste en al het andere dat van onze naaste is? We weten dat we van mensen moeten houden en niet van een ander mens als van een voorwerp, een object dat onze lusten kan bevredigden, we weten ook dat we niet liegen moeten en niet stelen. We weten bovenal dat we niets en niemand tot god moeten verheffen en moeten aanbidden, want de God die ons die regels heeft voorgehouden had ons juist bevrijdt van de slavernij van hebben en houden en van meer en steeds meer. Benoem dus het kwade als je het tegenkomt want dan verdwijnt het op den duur.