Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor augustus, 2015

Toon ontzag voor je God

vrijdag, 21 augustus, 2015

Leviticus 25:35-46

35  Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven, moet je hem bijstand verlenen, zoals je ook een vreemdeling zou helpen die bij je te gast is; je mag hem niet laten verkommeren. 36  Toon ontzag voor je God en laat je volksgenoten niet verkommeren. Wanneer je een volksgenoot iets leent, mag je hem vooraf noch achteraf rente vragen. 37  Je mag van hem geen rente vragen als je hem geld leent, en geen winst maken als je hem voedsel geeft. 38  Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie Kanaän in bezit te geven en jullie God te zijn. 39 ¶  Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zichzelf aan jou verpandt, mag je hem niet als slaaf behandelen. 40  Je moet hem beschouwen als een loonarbeider of als een vreemdeling die bij je woont. Tot aan het jubeljaar zal hij voor je werken, 41  dan hoeft hij je niet meer te dienen en kan hij met zijn gezin terugkeren naar zijn eigen familie en naar de grond van zijn voorouders. 42  Het volk dat ik uit Egypte heb weggeleid behoort mij toe, Israëlieten kunnen dus niet als slaaf verkocht worden. 43  Toon ontzag voor je God en beul hen niet af als slaven. 44  Als slaven en slavinnen kun je mensen kopen uit de omringende volken, 45  of vreemdelingen die bij jullie wonen of de nakomelingen die zij in jullie land hebben gekregen. Die slaven en slavinnen zijn je eigendom,46  je kunt hen als erfelijk bezit aan je nakomelingen nalaten; zij zullen voor altijd als slaaf voor je blijven werken. Maar je volksgenoten, de Israëlieten, je eigen verwanten, mag je nooit als slaven afbeulen. (NBV)

Met een groot deel van wat er vandaag gelezen wordt  uit Hij Roept, wat wij het boek Leviticus zijn gaan noemen zijn we het volstrekt oneens. Zelfs de Christenen die de Bijbel zogenaamd letterlijk nemen en alle voorschriften van kaft tot kaft volgen zullen het wel uit hun hoofd laten om de geboden te volgen zoals ze hier staan. Zij hebben dan de smoes dat Paulus ons bevrijd heeft van deze geboden en een onderscheid maakt tussen wat voor de Heidenen geld en wat voor het volk Israël geld. Het is een smoes want we zijn het niet oneens met een deel van dit Bijbelgedeelte omdat wij ons er niet aan zouden hoeven te houden. Wij vinden dat ook het volk Israël zich er volstrekt niets aan gelegen moest hebben. Slavernij is verkeerd, door en door verkeerd. Dat is niet zo sinds de negentiende eeuw toen na lang aarzelen de slavernij werd afgeschaft maar dat is al zo vanaf de schepping van de hemel en de aarde. In de Tora is te lezen dat alle mensen Gods kinderen zijn, alle mensen mogen we aannemen stammen van dezelfde voorouders af. Alle mensen horen dus tot één volk en van je eigen volk mag je volgens deze bepalingen geen mens tot slaaf nemen. Al die mensen zijn al slaven, eigendom van de God van Israël.

Natuurlijk vinden we dat iemand die in nood is geraakt geholpen moet worden. Onze broeders en zusters die gedwongen zijn door oorlogsgeweld, onderdrukking en uitbuiting te vluchten uit landen als Syrië, Eritrea en zo zullen we moeten behandelen alsof het volksgenoten zijn en in ons midden opnemen. Christenen doen dat ook graag. Tegelijk wordt ruimhartig bijgedragen aan de opvang van vluchtelingen die ergens in de eigen regio een onderkomen hebben gevonden. Ook aan het einde maken van oorlogsgeweld, onderdrukking en uitbuiting wordt hard gewerkt. Ieder mens behoort in vrijheid en veiligheid te kunnen leven nietwaar. Waarom staat dit gedeelte dan op deze manier in de Bijbel? Waarom is het er niet uitgescheurd? Ook de huidige staat Israël kent toch wetten tegen slavernij en stelt het in slavernij houden van mensen strafbaar? Dat begint er mee dat de Bijbel erkent dat er volken zijn. God heeft ooit de mensen in verwarring gebracht door hen verschillende talen te geven en als antwoord daarop hebben de mensen niet geprobeerd toch de ander te verstaan maar hebben ze volken gesticht en grenzen getrokken rond gebieden.

Die volken hebben elk hun eigen manier van doen. Die volken vinden ook allemaal dat hun manier van doen de beste is. Geen van die volken volgt de God van Israël maar koopt eigen en eigengemaakte goden om, om voor hen te zorgen. Dat die goden niet werken blijkt pas als die volken overwonnen zijn, dan verdwijnt hun god en verdwijnt meestal ook dat volk als zelfstandige eenheid. De God van Israël doet het anders en wil het anders. Daarom heeft die God een groep slaven uitgekozen en bevrijd uit Egypte. Die groep slaven werd tot een volk gemaakt dat een begin maakte in de woestijn. Daar kreeg het richtlijnen van die God om in het nieuwe land dat ze kregen een echte menselijke samenleving in te richten. Ze zouden namelijk een voorbeeld moeten worden voor alle andere volken. Ze kregen dan ook de overtuiging dat er ooit een dag zou komen dat alle volken hun samenleving zouden inrichten volgens de richtlijnen die aan Israël waren gegeven. Daarom zijn we het met een deel van de richtlijnen uit het gedeelte van vandaag niet eens. Wij willen dat onze samenleving zo is ingericht dat iedereen in nood geholpen wordt, dat niemand meer slaaf is. Wij willen dat iedereen gaat beseffen tot hetzelfde volk te behoren waarvoor de God van Israël met Noach een verbond heeft gesloten. Wij kunnen dat verhaal vertellen aan iedereen op aarde, aan ieder in zijn eigen taal, totdat de aarde voltooid is. Slavernij is dus overal en altijd verkeerd en onmenselijk, ook vandaag en ook in onze geschiedenis.

Land mag nooit verkocht worden

donderdag, 20 augustus, 2015

Leviticus 25:23-34

23 ¶  Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand, want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn. 24  In heel jullie land moet voor grond altijd het lossingsrecht blijven gelden. 25  Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en een deel van zijn grond moet verpanden, kan zijn losser, zijn naaste verwant, zich aanmelden om het pand voor hem in te lossen. 26  Gebeurt dat niet, maar beschikt hij na verloop van tijd zelf over voldoende middelen om het pand in te lossen, 27  dan moet hij nagaan hoeveel jaar het verpand is geweest en het resterende deel van het oorspronkelijke bedrag terugbetalen aan degene aan wie hij het verpand had. Dan kan hij naar zijn eigen grond terugkeren. 28  Vindt hij niet voldoende middelen om het pand in te lossen, dan blijft het tot aan het jubeljaar in handen van de pandnemer. Maar in het jubeljaar valt het aan hem terug en kan hij naar zijn eigen grond terugkeren. 29  Als iemand een woonhuis in een ommuurde stad verpandt, geldt het lossingsrecht niet langer dan een jaar na het moment van verpanding; in dat geval geldt het lossingsrecht dus tijdelijk. 30  Wordt het pand niet binnen het jaar ingelost, dan vervalt het huis-indien het dus in een ommuurde stad staat-voorgoed aan de pandnemer en diens nakomelingen. Het valt in het jubeljaar niet aan de oorspronkelijke eigenaar terug. 31  Huizen in dorpen die niet ommuurd zijn, worden gerekend bij het land waarop ze staan. Daarvoor geldt het gewone lossingsrecht en in het jubeljaar vallen ze aan de oorspronkelijke eigenaars terug. 32  In de door de Levieten bewoonde steden, die zij als grondgebied toebedeeld hebben gekregen, geldt voor hen onbeperkt lossingsrecht voor huizen. 33  Zo’n huis kan door een Leviet worden ingelost en valt-indien het op hun grondgebied staat-in het jubeljaar aan de oorspronkelijke eigenaar terug, want de huizen in de steden die bij de verdeling van het land onder de Israëlieten aan de Levieten zijn toegewezen, gelden als hun grondbezit. 34  De akkers en weidegronden bij die steden mogen helemaal niet verpand worden, want die vormen hun onvervreemdbaar bezit. (NBV)

Zo gaan wij niet met het land om. We kijken wel uit. Als we zo met land om zouden gaan als hier wordt beschreven zou er niemand rijk kunnen worden van grondspeculatie. In de Bijbel is het land van God en zijn de mensen daar te gast als vreemdelingen. De Bijbel kent het verschil dan ook niet zo erg tussen autochtonen en allochtonen. Dat maken wij mensen er van en als dat gebeurt zegt de Bijbel dat we de vreemdelingen lief moeten hebben. Maar waar mensen wonen moeten ze ook eten. En daar gaat dit gedeelte uit Leviticus over. Hij roept als het ware tegen ons dat we er altijd op bedacht moeten zijn dat iedereen mee kan eten. En dan niet omdat de rijken aalmoezen geven waar de armen van kunnen leven maar iedereen moet zelfstandig mee kunnen aan de samenleving. In Israël had iedere familie daarvoor een stuk land gekregen. Daar kon je als het nodig is ook een boerderij op bouwen. Als je gedwongen werd je bezit te gelde te maken dan kreeg je familie na vijftig jaar weer een kans opnieuw te beginnen. Geen wonder dat juist de armen konden zeggen dat God bevrijd en dat er aan de armoede een einde zou komen. Het hoort bij de richtlijnen voor een menselijke samenleving.

De Levieten zijn als voorbeeld gesteld van die bevrijding. Levieten zijn de nakomelingen van Levi. De stam levi neemt een aparte plaats in in de geschiedenis van Israël. Toen het wat lang duurde voordat Mozes de richtlijnen van God voor de menselijke samenleving had gekregen maakte het volk zich een gouden kalf om te aanbidden. Aäron de hogepriester hield hen daarbij. De Levieten deden er niet aan mee. Zij bleven wachten op Mozes en toen die eindelijk van de berg af kwam met de stenen platen hielpen zij Mozes het volk te straffen. Als beloning kregen ze de taak de priesters te helpen in de Tabernakel, de voorloper van de Tempel, en ze mochten recht spreken in Israël. Bij de verdeling van het land Israël onder Jozua kregen de Levieten geen deel van het land maar werden in elk deel, dus bij elke stam, steden bestemd voor de Levieten. Daar kon je je recht halen. Maar ook de Levieten moeten leven en gewoon hun geld verdienen. De Levieten hadden daarom rond die steden gemeenschappelijke akkers en hun huis in die steden werd beschouwd als de bron van inkomsten. Als ze die te gelde hadden moeten maken dan viel het de familie na vijftig jaar weer toe.

Radicaal wordt in dit Bijbelgedeelte een nieuwe orde voor de samenleving geschetst. De invoering van die nieuwe samenleving gaat niet vanzelf. Wij houden nu eenmaal van winst maken, rijk worden en macht over anderen uitoefenen. Er zijn mensen die dat de meest normale gang van zaken vinden. Het volk Israël was zich daarvan zeer bewust. Elk jaar moest men daarom opnieuw beginnen met de inrichting van de samenleving volgens de richtlijnen van God. Op grote verzoendag gebeurde dat als alle ongerechtigheden uit het volk werden verwijderd en alle zonden weggedragen. Het aanhoren van richtlijnen zoals we vandaag lezen gaf de armen weer hoop en wees de rijken op hun verantwoordelijkheid. Als iemand zijn bezit te gelde had moeten maken dan moest je er eigenlijk met elkaar voor zorgen dat die situatie werd opgeheven en dat het niet meer voor hoefde te komen. Een verwant kon dus de schuld aflossen en de verpanding opheffen. Wij zijn zover nog niet. In ons systeem van schuldhulpverlening zit wel een stuk bevoogding waardoor een ander de schuldenaar helpt de schulden af te lossen en de schuldeiser er altijd van verzekerd is een deel van zijn bezit terug te krijgen maar de schuldenaar helpen te voorkomen dat er opnieuw schulden ontstaan is er nog niet bij. Misschien moeten ook wij onze samenleving anders inrichten, uitgaan van de waarde van de medemens en gaan denken over bezit als over een geschenk dat bestemd is om met anderen te delen. Vandaag zouden we kunnen beginnen.

Onbezorgd in je land kunnen leven.

woensdag, 19 augustus, 2015

Leviticus 25:13-22

13  In het jubeljaar zal ieder naar zijn eigen grond terugkeren. 14  Wanneer je een stuk grond aan een ander verpandt of van een ander in pand neemt, mag je elkaar niet benadelen. 15  Het aantal jaren dat na een jubeljaar verstreken is, bepaalt de prijs die de pandnemer moet betalen; het aantal jaren dat de pandgever heeft kunnen oogsten, bepaalt de prijs die hij mag vragen. 16  Hoe meer jaren er nog resten, des te hoger de prijs; hoe minder jaren, des te lager, want wat verhandeld wordt is het aantal oogsten. 17  Benadeel je volksgenoten niet. Toon ontzag voor je God; ik ben de HEER, jullie God. 18  Leef mijn bepalingen na, houd je aan mijn regels en handel ernaar, dan zul je onbezorgd in je land kunnen leven. 19  Het land zal vruchtbaar zijn en jullie zullen volop te eten hebben. Je zult er onbezorgd kunnen wonen, 20  en mochten jullie je afvragen waarvan je het zevende jaar moet leven als je niet mag zaaien en oogsten, 21  bedenk dan dat ik jullie het zesde jaar zal zegenen met een oogst die voor drie jaar toereikend is, 22  zodat je in het achtste jaar weer kunt zaaien en tot in het negende jaar kunt leven van de oude oogst, totdat je dat jaar de oogst kunt binnenhalen. (NBV)

Uitgangspunt is dus dat ooit te eniger tijd je naar je eigen grond mag terugkeren. Het noodlot dat de ouderen treft mag nooit  blijvend gevolgen hebben voor de kinderen. Iedereen kan ziek worden, een ongeluk krijgen of veroorzaken. Daar is ook in onze dagen niets aan veranderd. Maar als je in onze dagen een erfenis aanvaard dan moet je de schulden op de koop nemen. Een nieuwe start maken is er niet bij. In Israël was dat anders. Ooit werd het land dat God had gegeven weer het land van jouw familie. Dat was de plaats die God jou had toegewezen. Eeuwen en eeuwen later bleek dit woord van God nog steeds te leven in Israël. Dat teruggeven van het land is vermoedelijk nooit gebeurd. Nooit hield de samenleving het zo lang voor dat er werkelijk een jubeljaar zou aanbreken. Zeker na de ballingschap en de bezettingen door Grieken en Romeinen die er op volgden was de regel over het jubeljaar uit Hij Roept niet uit te voeren.

Toch kennen juist Christenen nog de werking van de herinnering aan juist dit stukje van het boek Hij Roept. Toen de Romeinse Heidense Keizer Augustus het volk beschreven wilde hebben. Wie woonde waar en met hoeveel. Met natuurlijk tot doel van iedereen belasting te heffen, het zogenaamde kopgeld, met als gevolg dat de armen het zwaarst getroffen zouden worden. Toen waren er inwoners van Galilea en Judea die zich herinnerden dat niet Keizer Augustus hun plaats in het land had bepaald maar de God van Israël. Wij kennen een verhaal over twee van die mensen die uit Nazareth kwamen. Daar woonden ze, daar waren ze van plan te trouwen. Zij was al zwanger en hij had nog getwijfeld. Maar de liefde had overwonnen. Zij herinnerden zich waar God hun een plaats had toegewezen. Zij waren uit het huis en geslacht van David. En David was de zoon van Isaï die de zoon van Ruth en Boaz was. Die laatste hadden elkaar op de akker van Boaz leren kennen, de akker die de familie gekregen had van God bij de verdeling van het land. Naar die akker in Bethlehem trokken ze dus, niet dat daar een herberg was, toen hun kindje geboren werd legden ze hem in een voederbak. Maar ze noemden hem Jehosjoea, Jozua vertaald uit het Hebreeuws, Jezus in het Grieks.

Dat jubeljaar was niet zomaar een dagdroom. Het was een geschenk. Het staat er bij. Een jaar er voor zou je voor drie jaar kunnen oogsten. Ooit was het volk van Jacob gered door een zoon die in Egypte het overschot van de oogst bewaarde voor slechte tijden. In de Tora staat ook het voorschrift in elke stad en in elk dorp een bewaarplaats voor graan te bouwen. Zorg voor de armen, zorg ook voor de mensen die in de problemen waren gekomen staat in de Bijbel hoog in aanzien. Bij het delen van het voedsel moeten overigens ook altijd de vreemdelingen meedelen. Maar de armen uit het dorp hadden tenminste het vooruitzicht dat zij of hun kinderen ooit weer een zelfstandige en daarmee volwaardige plaats in de samenleving zouden kunnen innemen. In de tijd van de Romeinen bleek het een effectief wapen tegen onderdrukking te zijn. De eerste volkstelling slaagde volgens Lucas pas toen Quirinius stadhouder over Syrië was en dat was twaalf jaar na de geboorte van Jezus. Of die de belasting van het kopgeld wel betaalde bleef dan ook de vraag. Eigenlijk is de richtlijn die we vandaag uit de Bijbel lezen ook de aanleiding om onszelf de vraag te stellen of er niet een tijd moet zijn dat schulden uit het verleden kwijt worden gescholden en mensen weer een nieuwe start kunnen maken. Wie aan schulden van andere verdient zal het een onzinnige vraag vinden, maar gelovigen in de samenleving die God ons wil geven zullen er verder over denken en naar een antwoord zoeken, vandaag al.

Een Sabbatsrust

dinsdag, 18 augustus, 2015

Leviticus 25:1-12

1 ¶  De HEER zei tegen Mozes, op de Sinai: 2  ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik je zal geven, moet het land rust krijgen, een sabbatsrust gewijd aan de HEER. 3  Zes jaar achtereen mogen jullie je land inzaaien, je wijngaard snoeien en de oogst binnenhalen. 4  Maar het zevende jaar moeten jullie het land laten rusten. Het is een sabbatsjaar dat aan de HEER gewijd is. Je mag dan je land niet inzaaien, je wijngaarden niet snoeien, 5  het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. Het moet een jaar zijn van volstrekte rust voor het land. 6  Wat er in dat jaar op het land groeit is voor jullie allen. Je mag er zelf van eten, maar ook je slaven en slavinnen, je loonarbeiders en de vreemdelingen die bij je te gast zijn; 7  ook voor je veestapel en voor de in het wild levende dieren kan het als voedsel dienen.8 ¶  Na verloop van zeven sabbatsjaren, na zeven maal zeven jaar, wanneer er negenenveertig jaren verstreken zijn, 9  moeten jullie op de tiende dag van de zevende maand de ramshoorn luid laten schallen. Op Grote verzoendag moet in heel het land de ramshoorn schallen. 10  Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn, waarin kwijtschelding wordt afgekondigd voor alle inwoners van het land. Dit is het jubeljaar, waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren. 11  Elk vijftigste jaar zal voor jullie een jubeljaar zijn. Je mag dan niet zaaien, het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. 12  Het is een jubeljaar, dat als heilig beschouwd moet worden. Jullie zullen dat jaar leven van wat er vanzelf opkomt. (NBV)

Het staat er niet voor niks: ” De HEER zei tegen Mozes, op de Sinaï  ” Het gaat niet om regels die door een volksvergadering, zoals in het boek Jozua is beschreven, of later door een Koning als David zijn uitgevaardigd. Het gaat om de richtlijnen voor een menselijke samenleving. Richtlijnen die ons zeker in onze dagen raar zullen voorkomen. Het geloof is immers voor elk individu, je moet je hartje in alle vroomheid aan de Here Jezus schenken en er veel over vertellen of  je moet je geloof achter de voordeur houden, het geloof is een particuliere zaak. Buiten de deur moet er gewerkt worden. Zeven dagen in de week en vierentwintig uur per dag. Natuurlijk mag er rust zijn maar dat is net als geloof voor iedereen particulier en dus apart. Als je de verdedigers van de inrichting van onze economie hoort lijkt het er soms op dat het vormen van een samenleving van mondige mensen sterk bestreden moet worden. Samen sporten, samen van de natuur genieten, samen buurt of dorp zijn moet eigenlijk onmogelijk gemaakt worden. Maar de Bijbel gaat altijd twee stappen verder.

Voor de Bijbel is een  menselijke samenleving een samenleving waarin het hele volk om de zeven jaar samen vakantie neemt. Niemand en niets werkt meer. Je leeft van wat er op het land spontaan groeit, dat zou je dus samen kunnen inzamelen, maar verder ga je samen na hoe een samenleving onder de richtingwijzers van God er hoort uit te zien en wat je zou moeten doen om van je samenleving een nog betere samenleving te maken. Een heel jaar  vakantie, er zijn werkgevers en politici die bij een dergelijk wetsvoorstel spontaan een hartverlamming zouden krijgen. De narren in onze samenleving zouden extra zendtijd krijgen om het voorstel te bespotten. Niemand kan immers zomaar een jaar er tussenuit, laat staan een heel volk. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd het idee van het Sabbatsjaar weer ontdekt en in sommige beroepen namen enkelen zomaar een sabbatsjaar. Ze ervoeren dat ze slaaf geworden waren van hun werk en dat ze weer bevrijd moesten worden van die slavernij. Daar is die regel dan ook voor bedoeld, het geldt den arbeid te bevrijden. Maar daarvoor zouden we samen moeten durven werken.

We lezen in het gedeelte van vandaag ook een stukje van de achtergrond van het kerstverhaal dat Lucas in zijn Evangelie verteld. Eén maal in de vijftig jaar dat is er ook een vakantiejaar. Maar dat vakantiejaar is een jubeljaar. Dan houdt niet alleen het werken op maar dan worden ook alle slaven vrijgelaten. Israëlieten die schulden hadden gemaakt raakten hun bezittingen kwijt en moesten als slaaf werken voor hun schuldeisers. Dat ging soms generaties zo door. Maar het ging niet eindeloos door. Aan elke ellende komt uiteindelijk een eind belooft de God van Israël. In het boek Jozua kunnen we lezen hoe het land onder de families van het volk werd verdeelt. Dat stuk familieland zou een eeuwig erfdeel zijn. Als het verloren ging dan kwam het in het Jubeljaar weer terug. Duidelijk is dat deze regel al helemaal niet werkt. De rijken zullen afzien van het door hen verworven bezit. Dan maar geen menselijke samenleving maar je moet van het bezit van de rijken afblijven. Toch is dat stuk grond, die akker van groot belang in Israël. Het is de plek die God je gegeven heeft om er een menselijke samenleving van te maken. Als Jozef en Maria dan ook het bevel van de Keizer krijgen om thuis te blijven teneinde geteld te kunnen worden dan gaan ze naar het huis dat God heeft gegeven, de akker van Isaï, de akker van de familie van Koning David. Daar begint voor hen het Jubeljaar. Wij zouden eens kunnen beginnen met het kwijtschelden van alle schulden die mensen hebben. De mensen bevrijden van hypotheken en leningen die ze niet meer kunnen dragen. De komende kerst zou daar een mooi moment voor kunnen zijn.

Een leven voor een leven

maandag, 17 augustus, 2015

Leviticus 24:10-23

10 ¶  Met de Israëlieten was een man meegekomen die geboren was uit een Israëlitische vrouw en een Egyptische man. Toen deze man op zekere dag slaags raakte met een Israëliet 11  en een vloek uitsprak waarin hij Gods naam lasterde, werd hij aan Mozes voorgeleid. Zijn moeder heette Selomit; ze was een dochter van Dibri en behoorde tot de stam Dan. 12  De man werd in voorlopige hechtenis genomen tot een uitspraak van de HEER uitsluitsel zou geven over wat er moest gebeuren. 13  En de HEER zei tegen Mozes: 14  ‘Breng degene die gevloekt heeft buiten het kamp. Allen die het gehoord hebben, moeten hun hand op zijn hoofd leggen en hij moet door de voltallige gemeenschap gestenigd worden. 15  En tegen de Israëlieten moet je zeggen: “Wie zijn God vervloekt, zal de gevolgen van zijn zonde dragen. 16  Wie de naam van de HEER lastert moet ter dood gebracht worden, die moet door de voltallige gemeenschap worden gestenigd. Of het nu een vreemdeling is of een geboren Israëliet, wie mijn naam lastert moet ter dood gebracht worden. 17  Ook wie een mens doodt moet ter dood gebracht worden, 18  en wie een dier uit andermans veestapel doodt, moet het vergoeden: een leven voor een leven. 20 Wanneer iemand letsel toebrengt aan een ander, moet hem hetzelfde letsel worden toegebracht: een breuk voor een breuk, een oog voor een oog, een tand voor een tand. Wat hij de ander heeft aangedaan zal ook hem aangedaan worden. 21  Dus wie een stuk vee doodt moet het vergoeden en wie een mens doodt moet ter dood gebracht worden. (NBV)

Het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek “Hij roept” sluit direct aan op het verhaal over de zevenarmige kandelaar met het licht dat elke nacht in de Tempel moest branden en de tafel met het brood dat uiteindelijk door de Priesters gedeeld moet worden. Als we kiezen om dat licht uit te stralen en van ons dagelijks brood te delen met de behoeftigen hoe brengen we dan vrede. We zijn geneigd iemand die ons iets aan doet de hersens in te slaan. In de Bijbel worden een aantal verhalen verteld die een richting aangeven waar het verspreiden van het licht en het delen van het brood te vinden is. Het verhaal van vandaag vormt een geheel met het verhaal over het Heilige in de Tempel. Dat is ook het begin van het verhaal van vandaag. Ooit werd de mens in verleiding gebracht om gelijk te worden aan God. En als je gelijk bent aan God dat kun je de Naam van God en ook zijn daden vervloeken, jij kan het immers zelf ook. Er wordt in dit verhaal een man opgevoerd in wie wij ons misschien herkennen. Voor de ene helft hoorde hij bij het volk van God, de naam van zijn moeder betekent Vredevrouw, aan de andere kant hoorde hij bij Egypte, het land van de doodscultuur, zijn vader was een Egyptenaar.

Maar wie of wat hij ook was maakt voor het vervolg niet uit. Iemand die zich gelijk stelt aan de God van Israël hoort er niet bij, in de woestijn betekent dat de dood. De steniging door het hele volk klinkt wreed. Jezus zou tegen zijn volk zeggen dat wie zonder het Egyptische kwaad is maar de eerste steen moet werpen. We hebben allemaal iets van die gewelddadige Egyptenaar in ons. Zelfs het verhaal van Mozes was ooit echt begonnen na een moord. Maar dat we dat gewelddadige, het gelijk willen worden aan de God die beslist over dood en leven, moet uitbannen uit ons midden is volkomen duidelijk. Wie god lastert of een mens dood moet ter dood gebracht worden. Maar wie een ander berooft van zijn leeftocht, het vee of het graan? Zo’n diefstal kan toch ook uitlopen op de dood van het slachtoffer? Bezit kan echter altijd vervangen worden, zeker als we samen willen delen, daarom is een vergoeding voor het geroofde de meest passende oplossing. En als je een ander dan beperkt in zijn gezondheid, zijn vermogen om te werken wat dan? Dan zul je zelf net zo beperkt worden in je leven, oog om oog, tand om tand.

De vragen die aan Mozes worden gesteld zijn niet eenvoudig. Dat kwaad met kwaad vergeld moet worden lijkt onontkoombaar. Maar zo is het niet. In stelen, roven, martelen, slaan, verminken, zit allemaal iets van het als God willen zijn. Wij dichten God immers het vermogen toe alles te kunnen, dus ook het kwade? Dat God louter liefde is komt niet altijd bij ons op. De dood komt dan ook alleen van pas als iemand de gemeenschap verbreekt, als je God lastert, als je een naaste dood. Dan blijft er geen gemeenschap meer over, de straf die wordt geschetst zet dat heel plastisch neer, alle leden van de gemeenschap moeten deel hebben aan de straf van de dader. In een lege woestijn blijft alleen de doodstraf over. In een wereld met vele volken dan dat dus ook verbanning betekenen. Maar als je echt samen een gemeenschap vormt dan is het bezit dat jou is toegevallen ook niet alleen jouw bezit, zelfs jouw arbeidsvermogen is jouw arbeidsvermogen niet alleen van jezelf. Bezit is eigenlijk altijd ook van de gemeenschap, jouw arbeidsvermogen komt eigenlijk ook altijd de gemeenschap ten goede. Reken maar dat een samenleving die zo het kwade met het goede wil bestrijden een licht voor de wereld is. Het zal zijn als een stad op een berg die voor niemand verborgen kan zijn. “Hij roept” ons elke dag op om aan een dergelijke samenleving vorm te geven.

 

De lampen moeten elke nacht voor de HEER branden

zondag, 16 augustus, 2015

Leviticus 24:1-9

1 ¶  De HEER zei tegen Mozes: 2-3 ‘Draag de Israëlieten op om je voor de verlichting zuivere olijfolie te brengen: er moet in de ontmoetingstent, buiten het voorhangsel dat de ark met de verbondstekst afschermt, altijd licht branden. Aäron moet ervoor zorgen dat de lampen de hele nacht voor de HEER blijven branden. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, voor alle komende generaties. 4  De lampen moeten elke nacht voor de HEER branden, in een lampenstandaard van zuiver goud. 5  Bak van tarwebloem twaalf broden van twee tiende efa per stuk. 6  Leg ze voor de HEER neer in twee rijen, twee rijen van zes, op de met zuiver goud overtrokken tafel. 7  Brand bij elke rij zuivere wierook, als teken voor de hele gave, als offergave voor de HEER. 8  Elke sabbat opnieuw moet de priester twee rijen brood voor de HEER neerleggen, uit naam van alle Israëlieten. Deze verplichting geldt voor altijd. 9  Het brood is bestemd voor Aäron en zijn zonen. Ze moeten het eten op een heilige plaats, want het is allerheiligst. Het is voor altijd voor hen bestemd, als hun aandeel in de offergaven voor de HEER.’ (NBV)

Vandaag beginnen we met een serie lezingen uit het derde Bijbelboek dat wij in de loop van de geschiedenis Leviticus zijn gaan noemen. Het is een onderdeel van de Tora, de leer van Mozes en komt dus uit de Hebreeuwse Bijbel. In die Hebreeuwse Bijbel hebben de vijf boeken van de Tora een naam die ontleend is aan de eerste woorden van het betreffende boek. En als we de eerste woorden van Leviticus vertalen dan staat er “Hij roept”. We moeten ons dat bewust zijn als we dit Bijbelboek lezen. Het is dus niet alleen bestemd voor priesters en levieten, het personeel van de Tabernakel, de tent der ontmoeting en vanaf Salomo het personeel van de Tempel in Jeruzalem. Alle gelovigen worden geroepen tot de Weg van de God van Israël en als er zo uitdrukkelijk staat dat Hij roept dan zullen wij ons dat ook moeten aantrekken. Vandaag lezen we hoe het zit met de ingang van de Tempel. Die Tempel is twee maal verwoest en twee maal heeft de oproep geklonken om die verbondstekst in je hart te laten beitelen. Maar hoe ziet dat dan vanaf de buitenkant uit?

In het gedeelte van vandaag vinden we daar een antwoord op. We zien licht en we zien brood. Dat brood is uitdrukkelijk niet bestemd voor de God van Israël maar voor de Priesters, Aäron was de eerste en zijn zonen volgden hem op. Paulus zou de gelovigen veel later beschrijven als een volk van Priesters en Koningen. Dat licht is de zevenarmige kandelaar. Veel gelovigen hebben een afbeelding van die kandelaar thuis staan. Aan het brengen van de zuivere olijfolie en het opnieuw aansteken van die kandelaar heeft volk Israël nog een prachtig feest te danken, het Chanoeka feest. Dat gaat terug op gebeurtenissen in de tweede eeuw voor het begin van de jaartelling. Een Griekse Koning had toen van de Tempel in Jeruzalem een Tempel voor Zeus gemaakt. Judas de Makkabeeër had toen een leger gevormd en de Tempel bevrijd van de afgodendienst. Maar waar haal je nu zuivere olie vandaan? Men vond ergens nog een klein kruikje olie. Als door een wonder konden ze met deze “olie voor een dag” de kandelaar acht dagen brandende houden, tijd genoeg om nieuwe zuivere olie te maken. De Chanoeka kandelaar telt dan ook acht armen en een klein armpje er voor waarmee de olie kan worden ontstoken.

Licht en brood is dus wat wij als “Tempel van God” moeten uitstralen. De hele week door, elke dag opnieuw. Dat brood kennen we, Jezus van Nazareth gaf zijn leerlingen de opdracht dat brood te breken en te delen, in navolging van een gebod uit Deuteronomium breken en delen we in de eerste plaats met de armen. Maar dat licht. Het is het symbool geworden van medeleven, inzicht en vrede. Het licht speelt een grote rol in onze kerstperiode, gevierd in dezelfde tijd als het Chanoekafeest. In de diepste duisternis brand altijd nog het licht van de Bevrijder, de Messias, de met olie Gezalfde, de Christus. Dat licht moeten we dus verspreiden. In bijna elke kerk kun je een kaarsje opsteken voor iemand met wie je je verbonden voelt, dat kan zelfs op MijnKerk.nl onze internet gemeente van de PKN. Dat licht is het symbool van vrede en we moeten dus vrede verspreiden, als we het kwade willen bestrijden met het goede moeten we zelfs de oorlog bestrijden met de vrede. Eenvoudig en voor de hand liggend is het niet. De kandelaar en het brood staan dan ook in het Heilige, het volmaakte betekent dat. We mogen er dus naar streven en ons niet af laten schrikken door elke mislukking die we tegenkomen. Gewoon elke dag opnieuw aan beginnen, dan blijft het licht branden.

Hun oren zijn doof

zaterdag, 15 augustus, 2015

Handelingen 28:17-31

17 ¶  Na drie dagen riep hij de Joodse leiders bij zich. Toen ze bijeengekomen waren, zei hij tegen hen: ‘Broeders, ofschoon ik ons volk niets heb misdaan en de gebruiken van onze voorouders niet heb geschonden, ben ik door de Joden in Jeruzalem gevangengenomen en uitgeleverd aan de Romeinen, 18  die me na verhoor wilden vrijlaten omdat er geen enkele grond was om mij ter dood te veroordelen. 19  De Joden tekenden daar echter bezwaar tegen aan, zodat ik me gedwongen zag me op de keizer te beroepen, overigens zonder mijn volk van iets te willen beschuldigen. 20  Dat is de reden waarom ik u verzocht heb hier met mij te komen spreken, want het is juist omwille van de hoop die Israël koestert dat ik deze boeien draag.’ 21  Ze zeiden tegen hem: ‘We hebben uit Judea geen brief over u ontvangen, en ook heeft niemand van onze broeders ons bezocht om iets slechts over u te berichten of kwaad van u te spreken. 22  Wel zouden we graag van u horen wat uw denkbeelden zijn, want het is ons bekend dat de groep waartoe u behoort overal op verzet stuit.’ 23 ¶  Ze maakten een afspraak en kwamen op de vastgestelde dag in groten getale naar hem toe. Van de ochtend tot de avond legde Paulus getuigenis af en sprak hij uitvoerig met hen over het koninkrijk van God, terwijl hij hen op grond van de Wet van Mozes en de Profeten voor Jezus probeerde te winnen. 24  Sommigen lieten zich overtuigen door zijn woorden, maar anderen bleven ongelovig. 25  Ze werden het niet met elkaar eens en gingen uiteen, maar niet voordat Paulus nog een laatste woord had gesproken: ‘Volkomen terecht heeft de heilige Geest bij monde van de profeet Jesaja tegen uw voorouders gezegd: 26  “Ga naar dat volk en zeg: ‘Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. 27  Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen.’ ” 28  U moet dan ook weten dat God deze boodschap van redding al aan de heidenen bekendgemaakt heeft; zij zullen wel luisteren.’ 29  {-(28:29) Andere handschriften hebben dit als een extra vers: ‘29 Toen hij dit gezegd had, vertrokken de Joden onder hevig geredetwist.’ } 30 ¶  Paulus verbleef twee jaar in het huis dat hij gehuurd had en ontving daar iedereen die naar hem toe kwam. 31  Hij verkondigde het koninkrijk van God en onderrichtte vrijmoedig over de Heer Jezus Christus, zonder dat hem iets in de weg werd gelegd. (NBV)

Zo zit Paulus in Rome dus in een privé gevangenis. Je zou kunnen denken dat hij begraven is. Soldaat voor de deur, zoals er soldaten stonden voor het graf van Jezus en dat was het. Maar Paulus mocht ontvangen wie hij wilde en na drie dagen nodigde hij de Joodse leiders uit Rome bij zich uit. Die drie dagen staan er natuurlijk niet voor niets. In heel het boek Handelingen vinden we parallellen tussen de geschiedenis van Paulus en wat we over Jezus van Nazareth weten uit het Evangelie van Lucas. Paulus leeft in Christus zou hij er zelf over zeggen een opvatting die zijn reisgezelschap kennelijk duidelijk wil  maken. Zelfs bij de ontmoeting tussen Paulus en de Joodse religieuze leiders gebeurd hetzelfde als bij de ontmoeting die Jezus had met de religieuze leiders van zijn dagen. Hij kon hen nog zoveel uitleggen over de leer van Mozes en de profeten, ze luisterden nauwelijks en gingen onderling twisten aan. Met onderling ruzie maken daar kom je niet verder mee, er ontstaat nooit een betere samenleving uit schelden en anderen vernederen.

Je kunt er daarom soms wanhopig van worden. Heel het volk vraagt om verandering, om meer samen en minder tegenover elkaar, om meer liefde en minder zinloos geweld en wat is het antwoord van deze regering? Vervreemding, geef Antilliaanse jongeren geen kansen, geen hulp maar stuur ze terug naar hun uitzichtloze bestaan op de eilanden die wij toch moeten onderhouden. Het is alsof je Paulus weer hoort op het eind van het boek Handelingen, in Hoofdstuk 28, met hun ogen willen ze niet zien, met hun hart niet begrijpen. Paulus liet het er overigens niet bij zitten, hij bleef daar twee jaar en ontving iedereen en bleef vertellen over het verhaal van Jezus, hoe God de liefde voor de mensen wilde delen met de hele bewoonde wereld. Daar in Rome zat Paulus immers in het hart van de bewoonde wereld. Maar door de eeuwen heen zijn er mensen die niet willen luisteren, niet met hun oren, niet met hun hart, die voortdurend de andere kant op blijven kijken.

Al in de jaren 50 van de vorige eeuw verschenen er ook in ons land studies waarin werd beschreven hoe de Maffia in Amerika was ontstaan uit tweede generatie immigranten die moreel tussen wal en schip vielen en geen uitzicht hadden op een fatsoenlijk bestaan in de normale samenleving. Die inzichten zijn ook in Nederland onderwezen, en daar werd de waarschuwing aan verbonden dat het met de kinderen van gastarbeiders de zelfde kant op zou kunnen gaan. Maar projecten die werden opgezet om het een andere kant op te laten gaan werden wegbezuinigd, succesvol of niet, en waarschuwingen genegeerd. Nu zitten we met een generatie Marokkaanse jongeren die beantwoorden aan wat wij van hen verwacht hebben. Niet allemaal gelukkig, ondanks ons hebben de meesten zich ontwikkeld tot burgers die een nuttige bijdrage aan ons samenleving leveren, We zullen dus moeten blijven vertellen over het goede en het kwaad bestrijden door het goede te doen, dat was ook wat Paulus dag in dag uit probeerde duidelijk te maken aan iedereen die het horen wilde.

Die man is zeker een moordenaar

vrijdag, 14 augustus, 2015

Handelingen 28:1-16

1 ¶  Pas toen we veilig en wel aan land waren gekomen, hoorden we dat het eiland Malta heette. 2  De plaatselijke bevolking gedroeg zich buitengewoon vriendelijk: ze verwelkomden ons en staken een vuur aan omdat het was gaan regenen en het koud was. 3  Paulus sprokkelde een grote bos dor hout en legde die op het vuur, maar door de hitte kwam er een gifslang uit kruipen die zich in zijn hand vastbeet. 4  Toen de Maltezers het beest aan zijn hand zagen hangen, zeiden ze tegen elkaar: ‘Die man is vast een moordenaar. Hij is aan de zee ontsnapt, maar Dikè wil niet dat hij blijft leven.’ 5  Paulus schudde de slang echter van zich af in het vuur en bleef volstrekt ongedeerd. 6  De Maltezers verwachtten dat zijn hand zou opzwellen of dat hij plotseling dood zou neervallen. Maar toen ze na geruime tijd zagen dat hem nog steeds niets mankeerde, veranderden ze van mening en zeiden dat hij een god was. 7  Niet ver daarvandaan lag een landgoed, dat het eigendom was van de gouverneur van het eiland, een zekere Publius. Hij liet ons bij zich komen en onthaalde ons drie dagen lang bijzonder gastvrij. 8  Het geval wilde dat de vader van Publius ernstig ziek op bed lag, gekweld door koorts en buikloop. Paulus ging naar hem toe, legde hem o nder gebed de handen op en genas hem. 9  Daarna kwamen ook de andere zieken op het eiland naar hem toe en kregen hun gezondheid terug. 10  Ze overlaadden ons met eerbewijzen en voorzagen ons bij ons vertrek van alles wat we nodig hadden. 11 ¶  Na drie maanden vertrokken we met een schip dat op het eiland had overwinterd. Het was een schip uit Alexandrië met de Dioscuren als boegbeeld. 12  We deden de haven van Syracuse aan, waar we drie dagen bleven liggen. 13  Daarna lichtten we de ankers weer en kwamen we aan in Regium. De volgende dag stak er een zuidenwind op, zodat we binnen twee dagen Puteoli bereikten.14  Daar troffen we leerlingen aan, die ons uitnodigden om een week bij hen te blijven. Vervolgens gingen we op weg naar Rome. 15  De leerlingen, die van onze komst hadden gehoord, kwamen ons vanuit Rome tegemoet tot Forum Appii en Tres Tabernae, en toen Paulus hen zag dankte hij God en vatte moed. 16  Bij onze aankomst in Rome kreeg Paulus toestemming om een eigen woning te betrekken, met een soldaat als bewaker. (NBV)

Dat ging dus over Paulus, “god straft onmiddellijk” is ook bij ons nog een spreekwoord. Samen met de meer dan 200 mensen die aan boord waren hadden ze de storm overleefd en waren ze aangespoeld op het strand van Malta. Koud en ellendig voelden ze zich maar er waren mensen die daar woonden en die stookten een groot vuur. Allemaal helpen en voor elkaar zorgen, dat was de boodschap van Paulus en die bracht hij ook in de praktijk. Verdorde wijnranken lagen er, en die branden zo lekker, dus een bos gemaakt en op het vuur geworpen. Dat kan link zijn vanwege de wilde dieren, en Paulus trof het want er zat een slang in die hem in zijn hand beet. Paulus schudde de slang af in het vuur. Als je nu geloofd in wraakgoden, in een God die straft, dan zou je kunnen denken dat die Paulus een hoop straf verdient. Eerst de schipbreuk en als hij daar onderuit komt de slang. Daarom de veronderstelling dat hij wel een moordenaar zou zijn. Maar als Paulus niks blijkt te mankeren, niet alle slangen zijn giftig nietwaar en het uitbranden van een slangenbeet kan ook een goede remedie zijn, dan zal die Paulus wel een God zijn.

Ook niet dus, en de vader van de gouverneur van Malta wordt van zijn koorts genezen door Paulus, evenals vele anderen. Daar komen geen toverspreuken of vreemde brouwsels aan te pas. Het idee dat je de tovenarij uit boeken zoals over Harry Potter op een lijn kunt plaatsen met de wonderen die in de bijbel staan beschreven is dan ook idioot, eigenlijk anti christelijk. Wat dit verhaal op Malta wil duidelijk maken is dat Paulus nou juist geen tovenaar of wonderdoener is maar iemand die de liefde van een God die liefde is wil doorgeven. Van liefde alleen wordt niet iedereen vanzelf beter, tegenwoordig hebben we ook dokters die er voor hebben doorgeleerd. Ook die dokters zijn geen wonderdoeners al lijkt hun taal en hun doen er heel soms voor buitenstaanders wel op. Maar altijd zijn er mensen met liefde en aandacht nodig die zieken helpen om bij die dokters te komen en kunnen doen wat die dokters voorschrijven. Tovenarij heeft er nu, maar had er ook toen niets mee te maken. We zullen onze kinderen moeten blijven leren wat de fantasie over tovenarij inhoud om de wekelijkheid van de Bijbelse wonderen daarvan te kunnen onderscheiden.

De liefde voor de naaste hoefde Paulus de inwoners van Malta niet aan te leren. Zij begonnen er mee toen een groep verdwaasde en verkleumde schipbreukelingen op hun strand aanspoelde. Ze richten een opvangkamp in, stookten een vuur en brachten eten en drinken. Wij kijken raar op als in onze dagen rond de Middellandse Zee drenkelingen zo worden behandeld. Die drenkelingen uit onze dagen blijken vluchtelingen te zijn. Mensen die uit wanhoop. oorlogen, onderdrukking, armoede en uitzichtloosheid zijn ontvlucht en naar een werelddeel komen waar oorlogen, onderdrukking, armoede en uitzichtloosheid niet meer voorkomen. Sommigen denken dat het niet meer voorkomt omdat wij met die drenkelingen niks te maken willen hebben. Anderen zeggen dat het de kans geeft om samen met hen aan een nieuwe wereld te bouwen. Dat laatste is in lijn met de manier waarop Paulus de gastvrijheid van de Maltezers beantwoordde. Hij mocht blijven overwinteren en ging pas na de winter mee met een schip dat hen naar Rome bracht. Daar kreeg de nog steeds in gevangenschap verkerende Paulus een gevangenschap die bij zijn status als geleerde  en religieuze autoriteit paste. Wij mogen leren dat onze God niet direct straft maar wel op den duur beloont. Samen werken aan een betere wereld kan daarom niet snel genoeg beginnen, vandaag nog als het kan.

Ga nu iets eten

donderdag, 13 augustus, 2015

Handelingen 27:27-44

27  Toen de veertiende nacht aanbrak, waren we nog steeds op drift in de Adriatische Zee. Omstreeks middernacht vermoedde de bemanning dat we land naderden. 28  Ze gooiden het dieplood uit en peilden twintig vadem, en na even gewacht te hebben gooiden ze het lood nog eens uit en peilden toen vijftien vadem. 29  Uit angst om op een klip te lopen, wierpen ze van de achtersteven vier ankers uit en baden dat het dag mocht worden. 30  Maar toen de bemanning het schip wilde verlaten en de sloep te water liet onder het mom dat ze ook boegankers wilden uitbrengen, 31  zei Paulus tegen de centurio en de soldaten: ‘Als zij niet aan boord blijven, kunnen jullie niet worden gered.’ 32  Daarop kapten de soldaten de touwen van de sloep en lieten hem in zee vallen. 33  Kort voor het aanbreken van de dag spoorde Paulus iedereen aan om iets te eten. Hij zei: ‘Jullie wachten nu al veertien dagen af, zonder ook maar iets gegeten te hebben. 34  Ik raad jullie aan om nu iets te eten, want dat zal bijdragen tot jullie redding; niemand van jullie zal een haar worden gekrenkt.’ 35  Toen hij dat gezegd had, nam hij een stuk brood, dankte God in aanwezigheid van allen, brak het brood en begon te eten. 36  Dat gaf de anderen moed, zodat ook zij gingen eten.37  In totaal waren we met tweehonderdzesenzeventig mensen aan boord. 38  Nadat iedereen genoeg had gegeten, maakten ze het schip lichter door het graan overboord te gooien. 39  Toen het licht werd, herkenden ze de kust niet, maar ze zagen een baai met een strand en besloten een poging te doen om het schip daar aan de grond te zetten. 40  Ze maakten de ankers los en gaven ze prijs aan de zee, en tegelijkertijd haalden ze de riemen weg waarmee het dubbelroer vastzat. Toen hesen ze het voorzeil en hielden voor de wind aan op het strand. 41  Ze stootten echter op een zandbank, en daar liep het schip aan de grond. De boeg kwam onbeweeglijk vast te zitten, en door het geweld van de golven begon de achtersteven te breken. 42  De soldaten vatten het plan op om de gevangenen te doden, zodat niemand zwemmend zou kunnen vluchten. 43  Maar de centurio, die wilde dat Paulus in leven bleef, verijdelde hun plan en gaf bevel dat eerst degenen die konden zwemmen overboord moesten springen om aan land te gaan 44  en daarna de anderen, op planken of stukken wrakhout. En zo kwamen allen behouden aan wal. (NBV)

Dat  advies om eerst eens iets te gaan eten is misschien een goed advies als je dit zit te lezen en volledig de tijd vergeet, hoewel er in onze samenleving te veel dikke mensen zijn die niet stil moeten zitten lezen maar in beweging moeten komen, maar toch een uiterst merkwaardig advies als je midden in een storm met meer dan 200 mensen op een wat primitieve boot midden op de Middellandse Zee zit en net gemerkt hebt dat je tussen de rotsen zit. Toch geeft Paulus dat advies, nadat hij er eerst voor gezorgd heeft dat de bemanning zich niet kan redden ten koste van de passagiers, dat kwam toen ook al voor. In tijden van ellende en dreigende scheepsramp iets dat vaak vergeten wordt. Zorg eerst eens voor jezelf en laat de anderen ook maar voor zichzelf zorgen. Mensen vergeten vaak dat samen doen veel meer resultaat geeft, ook als ze anderen aan het helpen zijn en het gaat om zaken van leven en dood.

In de rampenscenario’s die de laatste tijd opnieuw zijn geactualiseerd en ingeoefend zijn dan ook reservetroepen ingebouwd, en mensen die voor soep en broodjes voor de hulpverleners zorgen. Want brandweerlieden en ambulancepersoneel heeft de neiging om bij rampen onverantwoord lang door te gaan. Objectief bekeken brengen ze dan zichzelf, hun medehulpverleners en de mensen voor wie ze werken in gevaar, maar neem het ze eens kwalijk. Brandweerlieden die bij een grote brand koffie zitten te drinken zijn een raar gezicht, maar zijn hele verstandige brandweerlieden. Het is ook om deze reden dat de huisartsen zo kwaad zijn. Die willen gewoon het werk van huisarts doen, met een assistente, een arts ondersteuner, een wijkverpleegkundige, een wijkziekenverzorgster en een maatschappelijk werkende als het even kan, in een team dus. En  een minister die daar z’n stinkende best voor doet omdat die huisarts met het team dure ziekenhuisopnamen kan voorkomen, het gebruik van medicijnen kan beperken en specialistische behandelingen kan bekorten. Maar de minister verplicht die minister de huisartsen het komend jaar te gaan onderhandelen met ambtenaren van de zorgkantoren en de ziekenfondsen over de inrichting van hun praktijken.

Als  alle huisartsen samen onderhandelen zou zogenaamd concurrentievervalsing zijn. We moeten dan maar denken aan het verhaal van Paulus, ze moeten nodig ook voor zichzelf zorgen, dan kunnen ze het des te beter voor ons. Dat geldt in onze dagen ook voor politieagenten. Het is misschien vervelend als je voetbalwedstrijd niet door kan gaan omdat er agenten nodig zijn om de hooligans  in toom te houden, maar als je in het holst van de nacht een inbreker op heterdaad betrapt  dan wil je die agent toch snel ter plaatse hebben. Dan moeten ze ook maar fatsoenlijk betaald worden en dat worden ze al een aantal jaren niet. Natuurlijk willen de rijken het liefst dat hun veiligheid gewaarborgd wordt zonder dat het ze geld kost. Ze lijken op die bemanning van dat schip van Paulus die zich al vast met roeiboten van de plek des onheils wil verwijderen. Maar pas als we samen voor veiligheid zorgen wordt het ook veilig. Ook de minister zou zich moeten realiseren dat er nu eenmaal functies in de samenleving zijn die we allemaal heel graag willen en waarvoor dus ook betaald moet worden. Oh ja, en die bemanning kwam op planken en kisten uiteindelijk in een baai terecht, op Malta.

Ik voorzie grote moeilijkheden

woensdag, 12 augustus, 2015

Handelingen 27:13-26

13  Toen er vanuit het zuiden een lichte bries opstak, dachten ze hun plan te kunnen uitvoeren. Ze lichtten het anker en kozen zee, en voeren zo dicht mogelijk onder de kust van Kreta. 14  Maar al spoedig stak er een hevige aflandige wind op, die Eurakylon wordt genoemd. 15  Omdat het schip werd meegesleurd en we geen kans zagen bij te draaien, gaven we onze pogingen op en lieten ons meedrijven. 16  Toen we onder de lij van het eilandje Kauda kwamen, lukte het ons met de nodige moeite om de sloep langszij te krijgen. 17  De bemanning hees de sloep omhoog en verstevigde bij wijze van veiligheidsmaatregel de romp van het schip met touwen. Uit angst om in de Syrte aan de grond te lopen, wierpen ze het drijfanker uit en lieten het schip drijven. 18  Het geweld van de storm was zo groot dat ze de volgende dag een deel van de lading overboord gooiden, 19  en de dag daarna wierpen ze zelfs de scheepsuitrusting in zee. 20  Dagenlang waren de zon noch de sterren te zien en bleef de storm in alle hevigheid woeden, zodat we ten slotte elke hoop op redding verloren. 21 ¶  Al geruime tijd had niemand aan boord nog iets gegeten. Toen sprak Paulus de opvarenden als volgt toe: ‘Had maar naar mij geluisterd, dan waren we op Kreta gebleven. Dan waren ons deze moeilijkheden bespaard gebleven en was er niets verloren gegaan. 22  Maar toch roep ik jullie op om moed te houden, want niemand van jullie zal omkomen, alleen het schip zal verloren gaan. 23  De afgelopen nacht werd ik namelijk bezocht door een engel van de God aan wie ik toebehoor en die ik dien. 24  Hij zei: “Wees niet bang, Paulus, je moet voor de keizer verschijnen, en daarom heeft God je in zijn goedheid het leven van alle opvarenden geschonken.” 25  Houd dus moed, mannen, want ik stel vertrouwen in God en verwacht dat het zo zal gaan als me gezegd is. 26  We zullen stranden op een of ander eiland.’ (NBV)

Het is soms niet gemakkelijk om als geleerde die zijn gezond verstand gebruikt door het leven te gaan. Paulus had daar regelmatig last van. Je wordt in een hokje gestopt en men doet net of je nergens anders verstand van hebt.  Paulus was dus op reis van Palestina naar Rome, als gevangene en begeleid door centurio Julius. Per schip en ze voeren van haven tot haven. Toen ze van Kreta wilden vertrekken waarschuwde Paulus ze, het kon wel eens slecht weer worden. De centurio zal hem vreemd hebben aangekeken, die ging liever te rade bij de stuurman en de kapitein, die hadden tenminste ervaring in het varen op de Middellandse Zee, dat waren echte deskundigen. Zo vertelt Lucas het tenminste in Handelingen 27. Die storm kwam er natuurlijk en gelukkig liep die goed af, maar daar gaat het niet om. Het duurt soms lang voor we naar geleerden die hun gezond verstand gebruiken weten te luisteren.

Eind jaren 60 was er een club geleerden die voorspelden dat het niet goed zou gaan met de olievoorraad en het klimaat. De Club van Rome was dat. En hebben we geluisterd? Wel nee we gingen liever te rade bij de oliemaatschappijen en de lokale weersvoorspeller, die hadden er elke dag mee te maken, dat waren onze echte deskundigen. De oliemaatschappijen hebben hun voorspellingen over reserves inmiddels moeten bijstellen, het raakt dus echt op. Ook de gasbel in Slochteren is eerder leeg dan gedacht. En het klimaat is echt aan het veranderen. Door de opwarming van de aarde smelten de poolkappen, en daardoor komt de golfstroom langzaam tot stilstand. We krijgen dus een landklimaat in plaats van het gematigde klimaat dat we tot nu hebben. En luisteren we nu? Welnee, de normen voor vuile lucht moeten maar wat soepeler en het autorijden matigen en overgaan op meer milieuvriendelijke vormen van vervoer: “geen sprake van” roepen de werkgevers, “hoe komen ze er bij”.

We zullen wel moeten, maar doen we zoals Paulus adviseert, op tijd luisteren naar de wetenschappers die hun gezond verstand gebruiken dus, of doen we zoals Julius de centurio, vertrouwen op de korte termijn en dan in de storm terecht komen. De keus is niet aan God, of aan de Here Jezus, de keus is aan ons. We doen het zelf en roepen het zelf over ons af. Het is alleen maar te hopen dat het net als bij Paulus goed afloopt. Open uw ogen en uw oren roept de Bijbel ons toe. Blijf met open ogen naar de wereld om je heen kijken. Wees niet bang maar vertrouw op God. Als je mensen liefhebt dan zie je waar het heen gaat. Paulus blijft er op vertrouwen dat hij een kans zal krijgen de Keizer in Rome te vertellen over de God van Israël die zo de mensen lief heeft dat hij zijn enige zoon heeft gezonden om te laten zien hoe liefde echt door de dood hen kan regeren. In dat vertrouwen spreekt hij de bemanning moed in, beloofd hij ze dat ze de storm overleven. Dat vertrouwen zullen wij ook moeten gaan. Als we werkelijk de weg durven gaan die het leven duurzaam maakt ook voor onze kinderen en kleinkinderen dan komen de sombere voorspellingen niet helemaal uit, maar liefde  voor de mensen en een gezond verstand is daarvoor nodig, ook vandaag weer.