Luister, Israël!

Deuteronomium 9:1-24

 1 ¶  Luister, Israël! U staat op het punt de Jordaan over te steken om het land van die andere volken binnen te gaan en het in bezit te nemen. Zij zijn groter en machtiger dan u en hebben grote steden met hemelhoge versterkingen.2  Onder hen is ook het grote volk van de Enakieten, de beruchte reuzen, tegen wie volgens de verhalen niemand opgewassen is. 3  Laat vandaag echter goed tot u doordringen dat het de HEER, uw God, is die u voorgaat als een verterend vuur. Hij zal hun ondergang bewerken en hen op de knieën dwingen. Zo zult u hen in korte tijd kunnen uitroeien, zoals de HEER u heeft beloofd. 4  Maar wanneer hij hen zo voor u op de vlucht jaagt, moet u niet bij uzelf denken: We hebben het ook wel verdiend dat de HEER ons hierheen heeft gebracht om ons dit land in bezit te geven. Nee, het is omdat die volken zo slecht zijn dat hij ze voor u verdrijft. 5  Niet uw eigen rechtvaardigheid of uw zuivere geweten geeft u toegang tot hun land. De HEER, uw God, verdrijft die volken voor u omdat ze zo slecht zijn, en omdat hij zich wil houden aan de eed die hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob heeft gezworen. 6  Onthoud goed dat de HEER u dit goede land niet in bezit geeft omdat u het verdiend hebt, want u bent een onhandelbaar volk. 7 ¶  Herinner u hoe u in de woestijn de woede van de HEER, uw God, hebt gewekt. Vanaf het moment dat u Egypte verliet tot uw aankomst hier hebt u zich steeds weer tegen de HEER verzet. 8  Vooral bij de Horeb hebt u hem kwaad gemaakt, zo kwaad dat hij u wilde vernietigen. 9  Ik was de berg opgegaan om de stenen platen van het verbond dat de HEER met u gesloten had, in ontvangst te nemen. Veertig dagen en nachten bleef ik op de berg, zonder iets te eten of te drinken; 10  daarna overhandigde de HEER mij twee stenen platen, met Gods vinger beschreven. Op die platen stonden alle geboden die de HEER u vanuit het vuur had bekendgemaakt, toen u bij de berg bijeengekomen was. 11  Na veertig dagen en nachten gaf hij mij de twee stenen platen van het verbond, 12  en zei: ‘Haast je naar beneden. Jouw volk, dat jij uit Egypte hebt meegenomen, misdraagt zich. Nu al zijn ze afgeweken van de weg die ik hun heb gewezen: ze hebben een godenbeeld gemaakt.’ 13  En de HEER voegde eraan toe: ‘Ik weet inmiddels hoe onhandelbaar dit volk is. 14  Houd me niet tegen: ik roei hen uit, zodat niets op aarde nog aan hen zal herinneren. Maar uit jou zal ik een volk laten voortkomen dat groter en machtiger is dan dit.’ 15  Toen ging ik terug; ik daalde de berg af, die in vuur en vlam stond, en de twee platen van het verbond droeg ik met beide handen. 16  En toen zag ik hoe u tegen de HEER, uw God, had gezondigd: u had een beeld gemaakt in de vorm van een stierkalf. Zo snel was u al afgeweken van de weg die de HEER u gewezen had. 17  Ik heb toen in uw bijzijn de twee platen die ik in mijn handen had, stukgesmeten. 18  Ik wierp me ter aarde voor de HEER, net als de eerste keer, en bleef veertig dagen en nachten zo liggen, zonder iets te eten of te drinken. Dat was omdat u zo zwaar gezondigd had: u had gedaan wat slecht is in de ogen van de HEER en hem daarmee getergd. 19  Ik vreesde de toorn van de HEER, want hij was zo kwaad op u dat hij u wilde uitroeien. Maar ook ditmaal gaf hij mij gehoor. 20  Ik heb toen in het bijzonder voor Aäron gebeden, want ook hem wilde de HEER doden, zo groot was zijn woede. 21  Het bewijs van uw wangedrag, het stierenbeeld dat u gemaakt had, heb ik verbrand en verbrijzeld, versplinterd en verpulverd; het stof dat overbleef heb ik in de bergstroom gegooid. 22  Ook later, in Tabera, in Massa, in Kibrot-Hattaäwa, zou u steeds opnieuw de woede van de HEER wekken. 23  En ook toen de HEER u vanuit Kades-Barnea op weg stuurde met de woorden: ‘Trek op, neem het land dat ik je geef in bezit, ‘verzette u zich nog tegen zijn bevel, in plaats van hem te vertrouwen en te gehoorzamen. 24  Vanaf het moment dat ik met u te maken kreeg, hebt u zich tegen de HEER verzet. (NBV)

Opnieuw klinkt aan het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen het dwingende “Hoor Israël”, zo wordt het vanouds tenminste vertaald. Het doet gelijk denken aan de geloofsbelijdenis van het volk Israël, “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer is de enige”. Die belijdenis luidt de intocht in het beloofde land in, het oversteken van de Jordaan. Die oversteek zou een belangrijke symbolische betekenis krijgen. Van de woestijn ga je door de rivier het land binnen dat overvloeit van melk en honing. Je gaat als het ware van de dood naar het leven. Dat land van leven krijg je echter niet zomaar. Er wonen meer mensen, reuzen zelfs. En in dat land van leven is het niet vanzelfsprekend dat iedereen mag meedoen, dat er gedeeld wordt van de overvloed met de armen en de zwakken. Integendeel, het is vanzelfsprekend dat ieder voor zich probeert zoveel mogelijk van die rijkdom naar zich toe te halen. Die manier van leven is echter ten dode opgeschreven, als je zo leeft dan maak je van het land van leven een woestijn van dood.  Ooit is hij begonnen met Abraham en diens nakomelingen. Zonder het land te kennen, zonder die God te kennen, trok Abraham uit zijn eigen land en ging op weg naar het land van leven. God had het hem beloofd. De enige God die telde was de God die dat kon beloven. En van een God die dat kan beloven kun je je geen voorstelling maken, die God gaat alle verstand te boven.

Maar die God is ook trouw aan wat hij is begonnen, die laat niet los wat hij ooit aanving en het begon immers met de schepping van de chaos tot mensenland, met de scheiding van dood en leven, licht en donker, hemel en aarde. Het land van leven krijg je dus niet omdat je het verdiend hebt, hoe goed je ook je best hebt gedaan, het land van leven krijgen we omdat God genadig is. Maar omdat we het land van leven krijgen kunnen we niet anders dan het met iedereen delen. Want doen we dat niet dan wordt het voor sommigen een land van dood en dan is het gelijk niet meer het land van leven. Uiteindelijk zullen daarom alle tranen gewist zijn en zal de dood niet meer zijn.  Dat het volk Israël zeker het beloofde land niet aan eigen verdiensten te danken had blijkt nog eens uit de opsomming die Mozes geeft in het gedeelte dat we vandaag lezen. Centraal daarbij staat het verhaal over het gouden stierkalf dat het volk maakte toen ze op Mozes wachtte die op de Berg de stenen platen met de tien geboden aan het halen was. Nu zou je toch denken dat het volk Israël nooit en te nimmer meer een gouden stierkalf zou maken voor hun godsdienst maar als je nu het boek Koningen opslaat, vooral 2 Koningen, dan kom je daar steeds de mededeling tegen dat de godsdienst van Baäl vernietigd wordt maar dat de gouden stierkalveren die werden aanbeden ongemoeid worden gelaten.

Geen wonder dat de aanhangers van de God van Israël in de loop van de geschiedenis steeds kwader werden over die aanbidding en het verhaal tegen de aanbidding van stierkalveren steeds feller werd. Kennelijk hadden ook Priesters van de Tempel zich schuldig gemaakt aan de godsdienst voor de stierkalveren want hier wordt verteld dat ook Aäron, broer van Mozes en de eerste Priester, bedreigd was met de dood. In het verhaal uit Exodus 32, waarnaar hier wordt verwezen, lees je dat niet direct. Wel zou je uit de opdracht aan de Levieten om alle aanhangers van de stierkalveren uit te roeien kunnen afleiden dat ook Aäron bedoeld zou moeten zijn omdat die het beeld had gemaakt. Aäron ontsnapte echter, hij zou 40 jaar na de uittocht uit Egypte sterven. De Levieten zouden in het beloofde land een bijzondere plaats innemen. Zij kregen geen eigen grond maar moesten onderhouden worden door de overige stammen. Zij werden verdeeld over het land en moesten optreden als rechters die de Wetten van Mozes moesten uitleggen en er op toezien dat die Wetten nageleefd werden.  Ook bij ons is dat wat ons winst belooft, goud en rijkdom, het allerbelangrijkst. Degene die met eigen handen een vermogen weet op te bouwen geniet bij ons het hoogste aanzien,  Ook onze welvaart hebben we dus niet aan onszelf te danken maar aan de genade van God die ons blijft oproepen om zijn Weg te volgen, te delen van onze overvloed met de zwaksten en de minsten op aarde. Als we dat kunnen zal het ook onze kinderen en kleinkinderen goed en gaan en zullen ook zij in welvaart kunnen leven.

 

Plaats een reactie