Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Of ze nu horen willen of niet.

Ezechiël 3:4-15

Verdoofd door het overweldigende visioen van de oppergod Mardoek die alleen maar kon dienen door de God van Israël op een troon van diamant en ijs rond te vliegen, was Ezechiël op de grond gevallen. Tot overmaat van ramp had die God hem ook nog toegesproken. Hij moest de boodschap van de God van Israël aan zijn volk brengen. Tot zijn verbazing was al de ellende waar het volk mee te maken had en waar het terecht over klaagde, zoet als honing. Langzaam kwam de profeet weer een beetje tot zichzelf. Zo moeilijk kon het toch niet zijn, hij werd niet naar een van die vele vreemde volken met een vreemde taal gestuurd, maar naar zijn eigen volk. Natuurlijk de God van Israël kon er best voor zorgen dat zo’n vreemd volk met een onverstaanbare taal zou begrijpen waar Ezechiël het over had, maar het was niet moeilijker voor hem dan nodig was, het was zijn eigen volk.

Zou dan dat eigen volk wel luisteren naar wat hij te zeggen had? Het leek er niet op. Dat volk had vreemde goden nagelopen. Dat volk was overweldigd door de vele sterke goden van Babel. Door de rijkdom en de macht van dat grote rijk, rijkdom en macht waar mensen graag deel aan hebben. De God van Israël had niet gezorgd voor zo’n groot rijk, de Tempel van die God was verwoest. Maar het volk van Israël had niet dat visioen gezien dat Ezechiël had gezien. Zo’n visioen maakt je sterk, daar ga je niet aan voorbij. Door dat visioen zou Ezechiël net zo onbuigzaam en koppig worden als het volk al was. Hij, de slappeling die voor God op de grond viel, zou een man van staal worden.

Wat een verhaal was dit. Wat deed de God van Israël Ezechiël aan? Alle goden van Babel riepen de lof van de God van Israël. Dat mocht hij gaan uitleggen aan het zielige groepje ballingen aan de rivier, een kanaal eigenlijk, het Kebarkanaal. Ballingen die treurig zaten bij de rivieren van Babel, hun lieren hadden ze in de wilgen gehangen en ze weenden als ze dachten aan het Jeruzalem waaruit ze waren verbannen. Bitter en ontdaan overdacht Ezechiël wat er met hem was gebeurd. Maar terug moest hij, terug naar Tel-Abib, de vloedheuvel, waar het schuim der aarde was aangespoeld. Wij hebben ook wel eens van die visioenen, van een aarde waar de natuur wordt bewaard, waar vrede en gerechtigheid heerst, waar iedereen mee mag doen, waar voor iedereen te eten is. We houden niet op er over te praten, we hebben immers het voorbeeld van Ezechiël, die zat zeven dagen als verdoofd na zijn visioen. Wij kunnen ondertussen aan het werk gaan. Hoe? Als Kerk in actie, zoek de internetsite van Kerk in actie maar op en doen mee.

Laat een Reaktie achter