Selecteer een pagina

Exodus 4:1-17

1 Weer maakte Mozes bezwaar. ‘Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren, ‘zei hij. ‘Ze zullen zeggen: “De HEER is helemaal niet aan jou verschenen.”’ 2 De HEER vroeg: ‘Wat heb je daar in je hand?’ ‘Een staf, ‘antwoordde Mozes. 3 ‘Gooi hem op de grond, ‘beval de HEER, en toen Mozes dat deed, veranderde de staf in een slang. Mozes deinsde achteruit, 4 maar de HEER zei tegen hem: ‘Grijp de slang bij zijn staart.’ Toen Mozes dat deed, veranderde in zijn hand de slang weer in een staf. 5 De HEER zei: ‘Hierdoor zullen ze geloven dat de HEER, de God van hun voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, aan jou verschenen is.’ 6  Ook zei hij: ‘Steek je hand eens in je kleed.’ Mozes deed dat, en toen hij zijn hand er weer uit trok, zat die onder de uitslag, hij was sneeuwwit. 7 ‘Steek je hand nog eens in je kleed, ‘zei de HEER. Mozes deed het en toen hij zijn hand er opnieuw uit trok, zag die er weer net zo uit als de rest van zijn huid. 8 ‘Als ze je niet geloven en zich niet door het eerste wonderteken laten overtuigen, ‘zei de HEER, ‘dan zullen ze zich wel laten overtuigen door het tweede. 9 Maar zijn ze door geen van deze beide wonderen te overtuigen en blijven ze weigeren naar je te luisteren, dan moet je water uit de Nijl scheppen en dat over het land uitgieten; het water zal op het droge in bloed veranderen.’ 10  Maar Mozes antwoordde: ‘Neemt u mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu u tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan nooit de juiste woorden vinden.’ 11  De HEER zei: ‘Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind? Wie anders dan ik, de HEER? 12 Ga nu, ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen.’ 13 Maar Mozes hield vol: ‘Neemt u mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie u maar wilt.’ 14 Nu werd de HEER kwaad op Mozes. ‘Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron!’ zei hij. ‘Ik weet dat hij welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg en zal blij zijn je te zien. 15 Vertel jij hem wat hij moet zeggen. Ik zal bij jullie zijn als je moet spreken en jullie ingeven wat je moet doen. 16  Hij zal in jouw plaats het volk toespreken: hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn. 17 En neem je staf in de hand, want daarmee moet je de wonderen doen.’ (NBV) 

Mensen zijn halsstarrig als het gaat om het goede te doen en niet dan het goede. We zorgen liever eerst voor onszelf en dan voor een ander. Dat Mozes zich verzette vinden we over het algemeen niet zo vreemd, die God mag dan een machtig God zijn, de Farao van Egypte mocht er ook wezen. Met paarden en ruiters hield hij woestijnvolken buiten Egypte en rond de Nijl was de landbouw zeer zorgvuldig en succesvol georganiseerd. Het volk Israël was bovendien als slavenvolk ingeschakeld in de bouw van steden voor de Farao. Die Farao had er dus alle belang bij dat volk bij zich te houden en niet vrij te laten. Het volk zelf wist inmiddels best wat verzet tegen de Farao zou betekenen. Als zo’n Egyptische bastaardprins na jaren uit de woestijn zou terugkeren, na eerst wegens moord en doodslag daarheen te zijn gevlucht, dan was het onwaarschijnlijk dat het volk naar hem zou luisteren als hij het zou uitnodigen met hem de woestijn in te gaan. Maar de drang om het volk te verlossen uit de slavernij is sterker. 

Mozes heeft een staf die in een slang kan veranderen. Als Mozes zijn hand in eigen boezem steekt dan krijgt hij de Egyptische ziekte, huidvraat. Dat beeld was zo sterk dat de hand in eigen boezem steken via de Statenvertaling zelfs in ons dagelijks taalgebruik terecht is gekomen. Kijk eens wie je zelf bent betekent het. Mozes moet inzien dat zijn Egyptische opvoeding hem kan helpen bij de Farao en zijn Hebreeuwse achtergrond hem kan helpen bij zijn eigen volk. De Egyptenaren kan hij laten inzien dat de Nijl hun leven betekent, water geschept uit de Nijl is het bloed op de aarde. En die God die met je meetrekt zal je de juiste woorden geven. Want zoals zoveel mensen is ook Mozes bang niet op het juiste moment de juiste woorden te kunnen vinden. Mensen kunnen in een klein gezelschap soms honderduit vertellen maar voor een zaal vol mensen staan ze te stamelen en te stotteren, als ze zich zouden inbeelden slechts tegen enkelen te spreken zou het een stuk beter gaan. De ontdekker van de moderne psychiatrie Sigmund Freud zag overigens in dit bezwaar van Mozes een bewijs dat die Mozes eigenlijk een Egyptenaar was geweest, zijn eigen volk, de Hebreeën zouden hem nauwelijks hebben kunnen verstaan. 

Maar als je spreekt in de Geest van de God van Israël, woorden van vrede spreekt, aandacht vraagt voor de slaven die om bevrijding schreeuwen, wijst op de armen in de samenleving, dan geeft die God vanzelf de goede woorden. We hebben tegenwoordig zelfs een Bijbel vol met de goede woorden. God heeft alleen meer mensen nodig die hun mond open willen doen om het onrecht aan de kaak te stellen en stem te geven aan hen die monddood zijn gemaakt. Zoals Mozes zijn hand in eigen boezem moet steken mogen ook wij beseffen dat de mensen tot wie wij spreken geen andere mensen zijn dan wij zelf. Het is de enige Heer van de wereld die ons roept op weg te gaan voor de bevrijding van de onderdrukte mens, er zijn geen andere heren die ons daarvan zouden kunnen weerhouden, alleen onze eigen bezwaren zitten ons in de weg, wat dat betreft verschillen we zelfs niet van Mozes toen hij bij de brandende struik zijn God tegenkwam. Langzaam ziet Mozes in dat al die tegenwerpingen drogredenen zijn. Hij had toch ooit nog een broer die goed van de tongriem was gesneden? Aäron heette die. Hier wordt hij al aangeduid als Leviet, het loopt vooruit op het priesterschap dat Aäron later zou gaan bekleden en priesters verkondigen immers het woord van de God van Israël. Dat God ons vrede mag geven, en kracht.