Selecteer een pagina

Daniël 6:19-29

19 Daarna keerde de koning terug naar zijn paleis en bracht de nacht door zonder iets te eten; hij kon de slaap niet vatten, maar liet niets ter afleiding brengen. 20 Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en haastte zich naar de leeuwenkuil. 21 Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem toe: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient, u van de leeuwen kunnen redden?’ 22 En Daniël zei tegen de koning: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! 23 Mijn God heeft zijn engel gezonden en de leeuwenmuilen gesloten. Ze hebben mij geen kwaad gedaan, omdat hij mij onschuldig acht; maar ook u, majesteit, heb ik niets misdaan.’ 24 De koning was bijzonder verheugd en hij beval Daniël uit de kuil te halen. Daniël werd uit de kuil getrokken, en hij bleek ongedeerd te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd. 25 Toen gaf de koning bevel de mannen te brengen die Daniël hadden beschuldigd, en hij liet hen samen met hun kinderen en hun vrouwen in de leeuwenkuil werpen. Ze hadden de bodem van de kuil nog niet geraakt, of de leeuwen stortten zich op hen en vermorzelden al hun botten. 26 Daarop schreef koning Darius aan alle volken en naties, welke taal zij ook spraken en waar ter wereld zij ook woonden: ‘Moge uw voorspoed groot zijn! 27 Hierbij beveel ik dat iedereen in het machtsgebied van mijn koninkrijk eerbiedig ontzag moet tonen voor de God van Daniël. Want hij is de levende God die bestaat in eeuwigheid. Zijn koningschap gaat nooit te gronde en zijn heerschappij is zonder einde. 28 Hij redt en bevrijdt, geeft tekenen en doet wonderen in de hemel en op aarde; hij heeft Daniël uit de klauwen van de leeuwen gered.’ 29 Zo ging het Daniël voorspoedig onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Cyrus de Pers.(NBV)

Dat is toch prachtig. Dat een uiterst wrede Koning aan alle volken in alle talen gaat schrijven dat de God van Israël de levende God is omdat die redt en bevrijdt, tekenen geeft en wonderen doet in de hemel en op aarde. En dat alleen omdat hij Daniël redde uit de Leeuwenkuil. Nu is er van ene Koning Darius de Meder al helemaal niks meer terug te vinden in de geschiedenisboekjes laat staan een spoor van de hier genoemde brief. Maar de Bijbel is dus al helemaal geen geschiedenisboek. Dat niet alleen de samenspanners tegen Daniël in de leeuwenkuil worden geworpen maar ook hun vrouwen en kinderen is dan ook de gebruikelijke overdrijving die de wreedheid van de Koning wil onderstrepen en de ernst van het misdrijf iemand te vervolgen om wat hij gelooft. Vindt de Bijbel dat dan ernstig? Ja! Ook de volken die in Israël woonden na de intocht bleven hun eigen goden aanbidden.

De vreemdelingen die bij Israël kwamen wonen en werken konden hun eigen goden blijven aanbidden. Die vreemdelingen kwamen in aanraking met de God van Israël als de kinderen van Israël een van de jaarlijkse maaltijden aanrichtten ter ere van de God van Israël. Die maaltijd was dan met de dienaren van de Tempel, de familie, de armen en de vreemdelingen die bij hun werkten. Voor vreemdelingen moest dat telkens weer een vreemde gewaarwording zijn, een volk waar men eerst om de ander dacht en dan pas om zichzelf. Maar het volk van Israël bestond niet uit heiligen, het waren ook maar mensen en daarom vonden ze vaak de goden van de vreemdelingen, de goden van goud of zilver, veel mooier dan hun eigen God waar nergens een afbeelding van te vinden was. Maar de Heidenen mochten gerust hun godsdienst blijven belijden. Ook hier in het verhaal van Daniël klinkt geen enkel verwijt naar de Heidense Koning die dacht alle problemen van het volk zelf wel te kunnen oplossen en daarom had laten verbieden dat iemand nog een andere macht of andere God iets zou vragen.

Ook klaagt Daniël niet de sterrenwichelaars en astrologen aan die het plan hadden verzonnen om hem te treffen in zijn trouw aan de God van Israël. Het is de Heidense Koning zelf die inziet dat het Godsoordeel dat Daniël vrijpleit ook betekent dat zij die het plan hadden beraamd daarmee kwaad in de zin hadden, het uitschakelen van een concurrent. Die Koning legt dan ook de straf op. Ook voor ons moet dat betekenen dat we iedereen vrij laten in het uitoefenen van zijn of haar godsdienst. Dat onze God de levende God is zal moeten blijken uit onze daden. Zij die misdaden begaan, zoals het misbruiken van kinderen, lasteren daarom tegen de God waarvan ze de getuigen zouden hebben moeten zijn, zij die de misdaden verzwegen belasteren daarmee de God van Israël. Alleen door het goede te doen is het kwade te verdrijven, daar mogen we elke dag weer opnieuw aan werken, ook vandaag weer.