Selecteer een pagina

Daniël 9:1-14

1 In het eerste jaar nadat Darius, zoon van Xerxes en Mediër van geboorte, tot koning was gekroond over het rijk van de Chaldeeën, 2 in het eerste jaar van zijn koningschap, leidde ik, Daniël, uit de boeken af hoeveel jaren het zou duren voordat de puinhopen van Jeruzalem verdwenen zouden zijn. Zoals de HEER aan de profeet Jeremia had gezegd, waren dat er zeventig. 3 Ik wendde mij tot God, de Heer, en gaf me over aan gebed en smeekbeden, al vastend en rouwend. 4 Ik bad tot de HEER, mijn God, en beleed schuld: ‘Heer, grote en geduchte God, die zijn beloften nakomt en trouw is aan wie hem liefhebben en doen wat hij gebiedt; 5 wij hebben gezondigd en ons misdragen. Wij zijn slecht en opstandig geweest, wij zijn van uw geboden en regels afgeweken 6 en wij hebben niet geluisterd naar uw dienaren, de profeten, die in uw naam tot onze koningen, onze vorsten, onze oudsten en tot het hele volk gesproken hebben. 7 U, Heer, staat in uw recht, maar tot op deze dag staat de schaamte ons op het gezicht, ons, de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem, alle Israëlieten, of ze nu dichtbij zijn of ver weg, in alle landen waarheen u hen hebt verdreven vanwege hun ontrouw jegens u. 8 HEER, ons en onze koningen, onze vorsten en onze oudsten staat de schaamte op het gezicht, omdat wij tegen u gezondigd hebben. 9 De Heer, onze God, is vol erbarmen en vergeving, hoewel wij tegen hem in opstand zijn gekomen 10 en niet hebben geluisterd naar de HEER, onze God. We hebben de lessen die hij ons door zijn dienaren, de profeten, heeft laten leren in de wind geslagen. 11 Alle Israëlieten hebben uw wet overtreden, zijn daarvan afgeweken en hebben niet naar u geluisterd. De met een eed bekrachtigde vervloekingen die opgetekend staan in de wet van Mozes, de dienaar van God, zijn over ons uitgestort, want wij hebben tegen u gezondigd. 12 God heeft groot onheil over ons gebracht en het dreigement uitgevoerd dat hij tegen ons en onze leiders had geuit; in de hele wereld is nog niet gebeurd wat Jeruzalem is overkomen. 13 Het kwaad dat over ons gekomen is, staat al beschreven in de wet van Mozes, en toch hebben wij de HEER, onze God, niet gunstig gestemd door afstand te nemen van onze overtredingen en uw waarheid in acht te nemen. 14 Welbewust bracht de HEER onheil over ons, want de HEER, onze God, is rechtvaardig in alles wat hij doet, maar wij hebben niet naar hem geluisterd. (NBV)

Vandaag lezen we uit het hart van de ballingschap van Israël. Daar waar het volk treurend zit aan de oevers van de rivieren de Eufraat en de Tigris. Ooit symbolen voor het paradijs nu de grenzen van de ballingschap. En zal die ballingschap ooit voorbij zijn? Daniël leest nog eens terug in de boeken van de profeten wat die er van gezegd hebben. Hij leest bijvoorbeeld in het boek van de profeet Jeremia en komt daar tegen dat het zeventig jaar zal duren na de val van het Babylonische rijk voordat de ballingen terug zullen mogen keren naar Jeruzalem. Er is hoop maar het zal nog een tijd duren. Maar in dat boek van de profeet Jeremia leest Daniël ook nog wat anders. Jeremia had ook opgeschreven waarom het volk in ballingschap werd gestuurd en waarom het generaties, tot in het derde en vierde geslacht, zou duren voordat de God van Israël het opnieuw zou willen wagen met het volk. In het boek van de profeet Jeremia staat beschreven hoe het volk afgodsbeelden had geplaatst in de Tempel in Jeruzalem, hoe op de akkers de palen van Asjera, de Kanaänitische vruchtbaarheidsgodin, waren geplaatst, hoe Baäl werd aanbeden en kinderen leven in een vuur werden geworpen als offer aan de god Moloch. Als je dat leest dan begrijp je waarom de God van Israël niet langer met dat volk verbonden wilde blijven.

Daniël besluit tot een erkenning van schuld, vasten en rouwen, de rituelen die bij schuld en boete horen. Rouwen om de doden die door de schuld van het volk zijn gevallen. Lezend in het boek van de profeet Jeremia beseft Daniël dat het volk niet heeft geluisterd naar de waarschuwingen van profeten als Jesaja en Jeremia, dat het nog steeds moeilijk is voor profeten als Ezechiël om gehoor te krijgen bij het volk. Daniël hoort zelf bij de leiders van het volk in ballingschap. Hij bekleedde een hoge positie aan het hof. Hij kan dus getuigen dat de schaamte op zijn gezicht staat, dat hij en de oudsten, de koningen van Israël, de leiders van de ballingen, zich schamen voor de manier waarop het volk zich gedragen heeft. Daniël zal ook hebben beseft dat pas vanuit het inzicht in wat er fout gegaan is hoop kan komen op een nieuwe start, op een terugkeer naar Jeruzalem. Zo heeft Daniël de verhalen over de God van Israël gelezen. Dat was een God die de hemel en aarde geschapen had voor de mensen. Dat was een God die niet alleen de aarde liet overstromen maar er zelf voor zorgde dat er met mensen een nieuw begin gemaakt kon worden en met Noach een verbond sloot dat de aarde nooit meer onder water zou komen.

Dat was een God die Abraham deed uittrekken uit het land van zijn vaderen en aan Abraham niet alleen land beloofde maar ook dat die de vader zou worden van vele volken. Dat was de God die het volk Israël bevrijdde uit de slavernij van Egypte en met hen een verbond sloot in de Woestijn en hen een land gaf dat overvloeide van melk en honing. Maar dat volk had de regels van dat verbond in de wind geslagen. Ze waren nu gevangenen van Babel en daarom waren ze de godsdienst van Babel niet achterna gelopen maar zouden ze dat ook volhouden als ze weer teruggekeerd zouden zijn naar Kanaän? Het zijn het soort vragen die ook in onze dagen klinken. Hebben wij werkelijk afstand genomen van Auschwitz en de Holocaust? Weigeren wij voortaan onderscheid te maken tussen mensen in ons land op grond van geloof of etnische afkomst? Laten wij elk mens die verdacht wordt van crimineel gedrag beoordelen door een onafhankelijk rechter en beschouwen wij dat mens tot het oordeel van die rechter is uitgesproken als onschuldig? Hebben wij eerbied en respect voor onze naasten en stellen wij de hulp aan de zwaksten in onze samenleving voorop? Ook wij kunnen lezen dat onze God vol erbarmen en vergeving is, maar wel wanneer wij verwerpen wat voor ons is fout gegaan, wanneer wij afstand nemen van haatzaaien en in plaats het recht van de sterkste het recht van de zwakste zetten. Maar net als Daniël kunnen wij er opnieuw mee beginnen, vandaag nog en elke dag weer opnieuw.