2 Samuel 2:12-32

12  Abner, de zoon van Ner, trok met het leger van Sauls zoon Isboset uit Machanaïm op naar Gibeon. 13  Ook Joab, de zoon van Seruja, was uitgerukt met het leger van David. Bij het waterbekken van Gibeon troffen ze elkaar, ieder aan een kant van het water. 14  Abner zei tegen Joab: ‘Laten er kampvechters naar voren treden en met elkaar een tweegevecht houden.’ ‘Goed, ‘antwoordde Joab. 15  De kampvechters traden naar voren en werden geteld: twaalf voor Benjamin en Sauls zoon Isboset en twaalf van de mannen van David. 16  Ieder greep zijn tegenstander bij de haren beet en stak hem zijn zwaard in zijn zij, zodat ze samen sneuvelden. Daarom wordt die plek in Gibeon Chelkat-Hassurim genoemd. 17  Meteen ontbrandde er een hevige strijd, waarin Abner met het leger van Israël door het leger van David werd verslagen. 18 De drie zonen van Seruja waren er ook: Joab, Abisai en Asaël. Asaël kon lopen als een wilde gazelle. 19  Hij zette de achtervolging op Abner in en bleef hem op de hielen zitten. 20  Abner keek achterom en riep: ‘Ben jij het, Asaël?’ ‘Jazeker, ‘antwoordde deze. 21  Toen riep Abner: ‘Laat me toch met rust! Grijp liever een van de soldaten en pak hem zijn uitrusting af.’ Maar Asaël bleef hem op de hielen zitten. 22  Nogmaals riep Abner: ‘Laat me met rust! Dwing me niet om je te doden, want dan zou ik je broer Joab niet meer recht in de ogen kunnen kijken.’ 23  Maar toen Asaël hem nog altijd niet met rust wilde laten, stootte Abner hem met het achtereinde van zijn lans in de buik, zodat die aan de andere kant weer naar buiten kwam. Asaël viel neer en stierf ter plekke. Iedereen die langs de plaats kwam waar Asaël was gesneuveld, bleef stilstaan. 24  Maar Joab en Abisai zetten de achtervolging van Abner voort, tot ze bij zonsondergang bij de heuvel Amma kwamen, tegenover Giach, op de weg naar de woestijn van Gibeon. 25 De Benjaminieten sloten de gelederen achter Abner en stelden zich op de top van een heuvel op. 26  Abner riep Joab toe: ‘Moet het zwaard dan blijven verslinden? Dat leidt toch alleen maar tot bittere ellende! Hoe lang zal het nog duren tot u uw mannen beveelt om hun broeders met rust te laten?’ 27 ‘Zo waar God leeft, ‘antwoordde Joab, ‘als u niets had gezegd, hadden mijn mannen hun broeders vanmorgen gewoon laten gaan.’ 28  Joab blies op de ramshoorn, waarop heel het leger halt hield. De achtervolging van Israël werd opgegeven en de strijd gestaakt. 29  Abner trok de hele nacht met zijn leger door de Jordaanvallei. Ze staken de Jordaan over en gingen door de Bitron naar Machanaïm. 30  Nadat Joab de achtervolging van Abner had gestaakt, verzamelde hij zijn troepen. Behalve Asaël bleken er nog negentien soldaten van David te zijn gesneuveld. 31  Van het leger van Benjamin, de mannen van Abner, hadden Davids soldaten driehonderdzestig man gedood. 32  Joab en zijn mannen namen Asaël mee om hem in Betlehem in het graf van zijn vader te begraven. Daarna liepen ze de hele nacht door, tot ze bij het aanbreken van de dag in Hebron aankwamen. (NBV) 

De 12 stammen van Israël waren altijd behoorlijk zelfstandig geweest. Pas onder Saul hadden ze samen gestreden tegen de Filistijnen en hadden ze samen één koning. De opvolger van zo’n koning, een koning zoals ook de heidenen hadden, was een rechtstreekse afstammeling van die koning. David had die status nog niet. Hij was wel getrouwd met een dochter van Saul maar die had hij niet meegenomen naar Hebron waar hij tot Koning van Juda was gekroond. De generaal van Saul, Abner, had nog een zoon van Saul gevonden die de oorlog met de Filistijnen had overleefd. Dat was Isboset en hij werd door Abner uitgeroepen tot Koning over Israël, de stammen  buiten Juda. Twee jaar lang waren er dus twee koningen, David en Isboset. En de generaals van de beide koningen, Abner voor Isboset en Joab voor David. Daarbij was die Isobet koning dankzij Abner en was Joab uitddrukkelijk een knecht van David.  

Abner begint zijn oorlog in Machanaïm, de plaats waar volgens de overlevering Jacob een Esau zich met elkaar hadden verzoend. De gebruikelijke truc om veel slachtoffers te vermijden, een tweegevecht tussen kampvechters mislukte, de kampvechters doodden elkaar tegelijk zodat er geen winnaars en verliezers waren. Daarop ontbrandde een strijd tussen legers. En als de dag voorbij is en de slag wordt gestaakt blijkt het leger van Abner veel meer slachtoffers te tellen dan het leger van Joab. Beide legers gaan dan eerst maar eens naar huis, maar de oorlog duurt voort. Er is dus geen sprake van een gemakkelijke overwinning van de zijde van David omdat die op de God van Israël vertrouwt, op last van de God van Israël is gezalfd en door de God van Israël Hebron heeft aangewezen gekregen. De vraag waarom goede mensen zoveel leed en ellende kan treffen houdt door de eeuwen heen veel mensen bezig.  

Oorlog is niet het antwoord op de behoefte leed en ellende op te heffen. In de oorlog tussen Abner en Joab gebeurt er uiteindelijk niets, er gaan alleen veel mensen dood. In de Bijbel is het hele boek Job aan deze vraag gewijd. Het blijft een vraag, een antwoord wordt er niet gegeven. De geschiedenis van mensen loopt nu eenmaal zoals die loopt en de geschiedenis van de aarde met haar rampen door storm, aardbevingen. droogte en regens, loopt ook zo als die loopt. Het enige antwoord dat we hebben is dat we er op mogen vertrouwen dat ook in de donkerste uren God er is om ons te steunen en te troosten, niet om de ellende weg te nemen dus. Wie belooft dat zijn God alle ellende van de mens wegneemt liegt en dient een afgod. Gelovigen in de God van Israël mogen God helpen door te zorgen voor de minsten, door de bedroefden te troosten, te zorgen voor de weduwe en de wees, elke dag opnieuw, ook vandaag.