Selecteer een pagina

Zacharia 11:1-14

1 Open je poorten, Libanon! Vuur zal je ceders verteren. 2 Klaag, cipres, want gevallen is de ceder: de machtigen zijn geveld. Huil, eiken van Basan, want gevallen is het ondoordringbare woud. 3 Hoor de herders jammeren, want verwoest is hun lustoord. Hoor de leeuwen brullen, want verwoest is de trots van de Jordaan. 4 Dit heeft de HEER, mijn God, gezegd: ‘Weid de schapen die voor de slacht bestemd zijn. 5 Hun kopers kunnen ze zonder wroeging slachten, de verkopers danken de HEER dat ze er rijk van worden, en de herders sparen het vee niet. 6 Ik zal immers de bevolking van dit land niet langer sparen-spreekt de HEER. Ik lever de mensen aan elkaar en aan hun koningen uit; ze zullen het land vernielen zonder dat ik ingrijp.’ 7 Dus weidde ik het slachtvee dat aan de veehandelaars toebehoorde. Ik nam twee stokken-de ene noemde ik Vriendelijkheid en de andere Eenheid-en daarmee weidde ik het vee. 8 In één maand ontdeed ik me van drie herders. Ik verloor mijn geduld met het vee, dat een afkeer van mij kreeg, 9 en zei: ‘Ik weid jullie niet langer. Laat maar sterven wie sterven moet, laat maar verdwijnen wie verdwaalt, en laat de rest elkaar maar verslinden.’10 Toen nam ik mijn staf Vriendelijkheid en sloeg hem aan stukken om het verbond te verbreken dat ik gesloten had met alle volken, 11 en daarmee was het verbroken. De veehandelaars, die goed op mij letten, begrepen dat ik dit deed in opdracht van de HEER. 12 Ik zei tegen hen: ‘Als u tevreden bent, keer me dan mijn loon uit; zo niet, laat het dan maar.’ En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig sjekel zilver. 13 Toen zei de HEER tegen mij: ‘Breng het maar naar de smelter, dat vorstelijke loon dat zij me waard vinden.’ Dus smeet ik dat zilver bij de smelter in de tempel neer, 14 en ik sloeg ook mijn andere staf, Eenheid, in stukken, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken. (NBV)

Er was kennelijk een conflict ontstaan met de Libanon, het gebied dat ten noorden van Israël ligt. De profeet ziet dat het gelijk in dat conflict aan de kant van Israël ligt. Denk niet dat de profeet dat nu eenmaal zegt omdat hij zelf tot het volk behoort want zo zit het niet met profeten. Die roepen namelijk net zo gemakkelijk het onheil af over het eigen volk als dat fout zit. In dit geval worden de vijanden vergeleken met vee. Het wordt geweid, vetgemest en verkocht. Zo ga je met je vijanden om. God komt er niet aan te pas in dit soort conflicten. Wij hebben vaak de neiging om conflicten tussen mensen aan God toe te schrijven. Waarom staat God toe dat het geweld in Israel en Palestina geen eind kent? Waarom kent de geschiedenis van de mensheid, oppervlakkig bekeken, niet anders dan oorlog en geweld? De mensen zijn aan elkaar en aan hun koningen uitgeleverd zegt de profeet. Als mensen oorlog willen maken dan moeten ze hun gang maar gaan. Ze moeten zich wel afvragen aan wiens kant ze gaan staan. Maar als ze oorlog willen voeren en er zelfs rijk van willen worden moeten ze dat zelf weten. Propageert de profeet in dit gedeelte het voeren van oorlog? Natuurlijk niet. Oorlog gaat gepaard met verdriet en ellende en in dit Bijbelgedeelte is het gehuil en het gebrul niet van de lucht. Verwoest worden de lustoorden en de trots van de Jordaan. Oorlog gaat immers nooit zonder schade en zonder verwoesting. Maar je hebt zelf de keuze of je oorlog wil voeren of niet.

Soms spelen profeten spelletjes om duidelijk te maken wat ze bedoelen. Ezechiël was daar heel goed in maar in dit gedeelte uit het boek van de profeet Zacharia lezen we dat die er ook wat van kon. Op welke manier moeten leiders nu voor hun volk zorgen. In de boerengemeenschap die Israel was sprak het beeld van de herder direct aan. Je vindt dat beeld dan ook op veel plaatsen in de Bijbel. Denk maar aan die beroemde psalm van de Heer is mijn herder, psalm 23. De laatste jaren komt bij ons de herder weer in beeld als landschapsbewaarder. De kudde graast en voorkomt dat de heide een bos wordt. Als je dan met je kudde van de ene naar de andere plek trekt moet je natuurlijk wel zorgen dat alle schapen meetrekken, anders houd je op de duur geen kudde meer over. Het aardige in de Bijbel is dat daar geleerd wordt dat hoe beter je zorgt voor elk schaap afzonderlijk, vooral voor de zwakke schapen, hoe beter je zorgt voor de hele kudde. In Israel had de herder een staf. Om het overzicht te houden over de kudde liep hij er achteraan. Om de kudde te sturen schepte hij met een schepje aan zijn staf een kluitje en mikte dat nauwkeurig op de snuit van het leidende schaap om te zorgen dat die de juiste richting hield.

Zacharia neemt twee van die stokken en noemt die Vriendelijkheid en Eenheid. Zijn staf Vriendelijkheid sloeg hij in stukken. Hij liet zich daarom uitbetalen, dertig zilverlingen. Toen de staf Eenheid in stukken geslagen werd viel ook het rijk Israel in twee stukken, Juda en Israël. Nog was het spel niet uit, Zacharia verkleedde zich nog een keer als herder maar nu als de herder die niet deugt. Geen Vriendelijkheid of Eenheid meer als staf, maar de herder die het er goed van neemt, de vette schapen slacht en opeet en de magere schapen laat lopen. Zo blijft er in korte tijd niets van de kudde over en het gedeelte van vandaag eindigt dan ook met een vervloeking. Het zijn de leiders die vervloekt worden, aan ons om die leiders op tijd bij te sturen en te zorgen dat ze oog krijgen voor de zwaksten in de samenleving.