Selecteer een pagina

Daniël 5:13-6:1

13 Vervolgens werd Daniël voor de koning geleid. De koning zei tegen hem: ‘Dus u bent Daniël, een van de Judese ballingen die de koning, mijn vader, uit Juda heeft gevoerd? 14 Ik heb gehoord dat de geest van de goden in u woont, en dat u over veel verstand, inzicht en wijsheid beschikt. 15 De wijzen en bezweerders zijn bij mij gebracht om deze tekens te lezen en mij te vertellen wat er staat. Maar zij kunnen mij niet zeggen wat de woorden betekenen. 16 Ik heb over u gehoord dat u duidingen kunt geven en knopen ontwarren. Welnu, als u de tekens kunt lezen en mij kunt zeggen wat er staat, zult u in purper gekleed worden, een gouden keten om uw hals dragen en als derde in rang over het koninkrijk regeren.’
17 Daniël antwoordde de koning: ‘U mag uw kostbare geschenken houden, of ze aan een ander geven. Maar ik zal de tekens voor de koning lezen en hem zeggen wat er staat. 18 Majesteit-God, de Hoogste, heeft uw vader Nebukadnessar koninklijke macht, aanzien, eer en majesteit geschonken, 19 en door zijn van God gegeven grootheid beefden alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, van ontzag voor hem. Hij doodde wie hij wilde en liet leven wie hij wilde. Hij verhief wie hij wilde en vernederde wie hij wilde. 20 Maar toen hij hooghartig en overmoedig werd, is hij van zijn koningstroon gestoten en is zijn eer hem ontnomen. 21 Hij werd door de mensen verstoten, hij kreeg het hart van een dier en hij leefde onder de wilde ezels. Hij at gras als de runderen en zijn lichaam werd vochtig van de dauw van de hemel, totdat hij erkende dat God, de Hoogste, boven het koningschap van de mensen staat en dat hij alleen bepaalt aan wie hij dat verleent. 22 En hoewel u dit alles wist, bent u, zijn zoon Belsassar, niet nederig gebleven. 23 U bent tegen de heer van de hemel opgestaan. U hebt de bekers laten halen die uit zijn tempel afkomstig zijn, en u en uw machthebbers, uw hoofdvrouwen en bijvrouwen, hebben er wijn uit gedronken. U hebt uw goden van zilver en goud, van brons, ijzer, hout en steen geprezen, goden die niets zien of horen of weten. Maar de God die beschikt over uw levensadem en die al uw doen en laten bepaalt, hebt u niet verheerlijkt. 24 Daarom heeft hij die hand gezonden en de tekens laten opschrijven. 25 Dit is wat er geschreven staat: Mene, mene, tekel ufarsin. 26 En dit is wat het betekent: mene God heeft de dagen van uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; 27 tekel u bent gewogen en te licht bevonden; 28 peres uw koninkrijk is verdeeld en aan de Meden en de Perzen gegeven.’ 29 Toen gaf Belsassar bevel Daniël in purper te kleden en hem een gouden keten om de hals te hangen, en hij liet afkondigen dat Daniël als derde in rang zou regeren over het koninkrijk 30 Diezelfde nacht werd Belsassar, de koning van de Chaldeeën, gedood. 31 1 Darius de Mediër verkreeg het koningschap; hij was toen tweeënzestig jaar.(NBV)

Het was in de dagen van de Makabeën, lang nadat het volk Israël uit ballingschap was teruggekeerd, dat de Griekse koning Anthiochus Epiphanes besloot om gouden beelden in de Tempel in Jeruzalem te plaatsen. Een lege Tempel, zoals de Joden hadden spotte met elke religie die hij op aarde had aangetroffen. Voor de Joden was het een gruwel, het vereren, nog erger het aanbidden van zelfgemaakte goden. Het was altijd vervloekt door de God van Israël. Ze dachten terug aan de dagen van Daniël, toen ze niet eens meer hun eigen land hadden, maar in een vreemd ver land onder een vreemde vorst moesten zuchten. Een Koning die de gouden bekers uit de Tempel gebruikte voor een feest met al zijn vrouwen en vorsten moest wel ten onder gaan. Die Koning kende toch het verhaal van zijn stamvader Nebukadsessar die gras moest eten omdat hij niet rechtvaardig wilde zijn, wilde zorgen als Koning voor de armen in zijn Rijk en daarmee de God van Israël eren.

Dat is de vraag die Daniël deze Koning voorlegt. Niks geen fraaie geschenken om een mooi verhaal te vertellen, maar de harde waarheid die gezegd moet worden bij zoveel spot met de God van Israël. Want wat staat er nu op de muur geschreven. Een zin die ook door die Griekse Koning niet werd begrepen. De zin is in het Aramees geschreven. Een taal die verwant was aan het Hebreeuws. Een taal die net als het Hebreeuws alleen werd geschreven in medeklinkers. Onze vertalers hebben de woorden zo laten staan als Daniël ze heeft uitgelegd. Maar wie Aramees leest zit voor een puzzel. Er staat toch zoiets als sjekel, sjekel, en een halve sjekel? Dat is de eerste Hebreeuwse vertaling die bij je opkomt. Er zijn kennelijk twee koningen die tellen en dan komt er één die maar voor de helft meetelt. Een sjekel is een Hebreeuwse munteenheid. Maar dat is de meest voor de hand liggende manier van lezen. Dan zou het niet meer dan een kinderversje zijn. En schrijft de God van Israël kinderversjes op de muur? De Joden hebben altijd, ondanks hun lijden in de wereld, hun humor behouden.

In de zwartste tijden werd humor ook hun wapen en tot die zwartste tijden behoorde in elk geval de tijd onder Anthiochus Epiphanes. Dat versje was dus lachen, een halve sjekel, wie verzint zoiets. Maar een kleine verandering van klinker en er staat wat Daniël vertelde. Gewogen, gewogen en te licht bevonden. De Koning verdwijnt en de Joden onder Griekse Heerschappij herinnerden zich dat juist deze feestvierende Koning van Babel werd verdreven door Cyrus, die de Joden uit ballingschap zou laten terugkeren. Een verhaal van hoop dus. Ook wij hoeven niet te wanhopen als we aandacht vragen voor de mensenrechten met Amnesty, als wij roepen tegen een vreemdelingenbewaring die de mensenrechten schendt, als we vragen om rechtvaardige handelsverhoudingen, als we een hand uitsteken naar de vreemdelingen onder ons die uitgestoten en verguisd worden. Juist als wij het heb uw naaste lief als uzelf volgen dan eren wij de God van Israël en mogen wij er op vertrouwen dat de bevrijding nabij is. Elke dag opnieuw, ook vandaag.