1 Samuel 25:1-19

1 Omstreeks die tijd kwam Samuël te overlijden. Heel Israël kwam bijeen om over hem te rouwen. Hij werd begraven bij zijn huis in Rama. David trok verder, naar de woestijn van Paran. 2 Nu woonde er in Maon iemand die zijn bedrijf in Karmel had. Hij was schatrijk: hij bezat drieduizend stuks schapen en duizend geiten. Hij was voor het scheren van de schapen naar Karmel gekomen. 3 Zijn naam was Nabal en zijn vrouw heette Abigaïl. Zij had een helder verstand en was mooi om te zien; hij was hard en gewetenloos. Hij was een nakomeling van Kaleb. 4 Toen David in de woestijn hoorde dat bij Nabal de schapen werden geschoren, 5 stuurde hij tien van zijn knechten naar Karmel met de opdracht: ‘Ga naar Nabal en breng hem mijn groeten over. 6 Zeg hem uit mijn naam: “Ik wens u en uw familie en uw bedrijf alle goeds, ook voor volgend jaar. 7 Ik heb gehoord dat ze uw schapen aan het scheren zijn. Nu zit het zo: toen uw herders bij ons in de buurt waren, hebben we hen niet lastiggevallen; al die tijd dat ze hier in Karmel waren is hun niets ontvreemd. 8 Vraag het uw knechten maar, zij zullen het u bevestigen. Ik hoop dat u op uw beurt mijn knechten goed zult behandelen, ze komen immers op een feestdag bij u. Daarom verzoek ik u beleefd om mijn knechten en mij, David, te geven wat u missen kunt.”’ 9 Toen Davids knechten bij Nabal kwamen, brachten ze uit Davids naam dit alles over en wachtten af wat hij zou zeggen. 10 Nabal antwoordde Davids knechten als volgt: ‘Wie is die David? Wie is die zoon van Isaï? Het wemelt vandaag de dag van de slaven die bij hun meester weggelopen zijn. 11 Denken jullie heus dat ik mijn brood en mijn water en het vlees dat ik voor mijn scheerders heb laten klaarmaken aan de eerste de beste onbekende ga weggeven?’ 12 Davids knechten gingen onverrichter zake terug en vertelden David wat Nabal had gezegd. 13 Daarop beval David zijn mannen: ‘Te wapen!’ Allen gordden hun zwaard om, ook David zelf, en met vierhonderd man trokken ze onder aanvoering van David naar Karmel op; tweehonderd man bleven achter om het kamp te bewaken. 14 Intussen was Nabals vrouw Abigaïl door een van de knechten op de hoogte gesteld. ‘David heeft uit de woestijn boden gestuurd om onze heer te groeten, ‘zei hij, ‘maar die is tegen hen uitgevaren’. 15 En dat terwijl David en zijn mannen ons juist zo goed behandeld hebben: ze hebben ons niet lastiggevallen en al die tijd dat we in hun buurt rondtrokken om de schapen te weiden is ons niets ontvreemd. 16 Ze zijn juist dag en nacht als een muur om ons heen geweest, al die tijd dat we in hun buurt onze kudde hoedden. 17 U moet er iets op verzinnen, want nu onze heer, die onheil stichter, zo’n toon tegen hem heeft aangeslagen, heeft hij zichzelf in het ongeluk gestort en ons erbij.’ 18 Haastig liet Abigaïl tweehonderd broden, twee zakken wijn, gedroogd vlees van vijf schapen, vijf schepel geroosterd graan, honderd plakken rozijnen en tweehonderd plakken gedroogde vijgen op ezels laden 19 en ging zonder met haar man te overleggen op weg. ‘Rijden jullie voor me uit, ‘beval ze haar knechten, ‘ik kom achter jullie aan.’ (NBV)

Samuël sterft. De profeet die de beide Koningen heeft gezalfd en zo gezorgd heeft dat Israël een land werd om rekening mee te houden. Een land met twaalf stammen die zich voortaan als één volk zullen gedragen. De eerste Koning deed niet wat de bedoeling was. Hij spiegelde zich aan de Koningen van de Heidenen, de buurvolken. Maar er was nog een koning die wachtte tot hij geroepen werd. David de herder en strijder uit Bethlehem, uit het huis van brood. Na de begrafenis van Samuël trekt David weer de woestijn in met zijn legertje. Nu is een guerrillaleger altijd afhankelijk van de vredelievende boeren. Dat is ook in onze dagen nog steeds het geval en als de boeren niet vrijwillig geven dan worden ze gedwongen en als ze zich laten dwingen dan worden ze gestraft door het leger van de machthebbers.

Na de dood van Samuël, hoeder van de wetten van de God van Israël, is er natuurlijk de vraag hoe David met zijn positie van guerrillaleider zal omgaan. Daarvoor is het verhaal dat we vandaag en morgen zullen lezen Een verhaal dat zich laat lezen als een sprookje, er was eens een rijk man die heel rijk was. Hij heette Nabal en was een afstammeling van Kaleb. Wie weet wat Nabal wil zeggen en wie Kaleb geweest is weet waar het verhaal heen zal gaan. Nabal betekent dwaas en Kaleb betekent hond of slaaf. Maar we kennen Kaleb als verkenner voor Mozes die samen met Jozua het land verkende en herkende als het land dat de God van Israël het volk had beloofd, het volk hoefde er niet bang voor te zijn. Van Nabal wordt dan vertelt dat hij getrouwd was met Abichaïl, dat betekent “mijn vader is blijdschap” en met die vader wordt ook de vader in de hemel bedoeld.

Als Nabal zijn oogst binnenhaalt, hij laat zijn schapen scheren, stuurt David een paar van zijn mannen met het verzoek van de oogst mee te mogen delen. Het verzoek is uiterst beleefd gesteld. Maar Nabal wijst het bot van de hand. Die zoon van Isaï ken ik niet, dus geef ik niet. Hij weet dus heel goed wie David is maar wil niet met hem geassocieerd worden. Een gevaarlijk standpunt. Dat snapt zijn vrouw ook als die hoort dat Nabal zo bot geweest is. Zij hoort dat David optreedt als beschermer van de herders van Israël. Er wordt niets meer gestolen of geroofd en van die soldaten hebben ze zelfs geen last. Van zulke beschermers wordt je rijk en ze laad haar ezels vol met voedsel en gaat zelf naar David. Weer leren we dat we moeten letten op de daden van de mensen die wat van ons willen. Beschermen ze de zwakken, zijn ze uit op het goede, of jagen ze alleen hun eigen voordeel na en als ze zeggen dat ze onbaatzuchtig zijn blijkt dat dan ook ergens uit. We leren dat het beste onderscheiden als we zelf het goede doen en niet dan het goede. Gelukkig mogen we daar elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.