Selecteer een pagina

Jesaja 41:14-20

4 Wees niet bang, kleine Jakob, arm volk van Israël, Ik zal je helpen – spreekt de HEER –, de Heilige van Israël is je bevrijder. 15 Ik maak van jou een scherpe dorsslede, een nieuwe slede met dubbele sneden. Bergen zul je dorsen en vermalen, van heuvels laat je niets over dan kaf. 16 Je zult ze wannen, en de wind neemt ze op, de stormwind jaagt ze uiteen. Dan zul je juichen om de HEER, je om de Heilige van Israël gelukkig prijzen. 17 Armen en behoeftigen zoeken water – niets! Hun tong verdroogt van de dorst. Ik, de HEER, zal hun antwoord geven, Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten. 18 Ik laat op kale heuvels rivieren ontspringen en bronnen in de valleien. De woestijn maak Ik tot een waterplas, dor gebied tot een bronrijke streek. 19 Ik plant in de woestijn ceder en acacia, mirte en olijfwilg, en Ik laat in de wildernis den, sneeuwbal en cipres opschieten. 20 Dan zullen zij zien en beseffen, begrijpen en erkennen dat de hand van de HEER dit heeft verricht, dat de Heilige van Israël dit alles schiep.(NBV21)

Wij kunnen het ons eigenlijk niet meer goed voorstellen. Als wij het hebben over God dan spreken we vrijwel automatisch over de God van Israël. Maar in de dagen van Jesaja had elk volk, had elke stad zo haar eigen God en de ene God was sterker dan de andere. Als twee steden of twee volken ruzie met elkaar kregen dan vochten ook de goden van die steden of van die volken met elkaar en wie er onder de mensen won had een god die onder de goden wist te winnen. De God van Israël was een heel ander soort God. De profeet Jesaja probeert dat te zeggen met de aanduiding “Heilige van Israël”. Natuurlijk, die God was de God van Israël, maar niet zomaar. Eigenlijk was het de God van alle mensen op aarde en de minsten onder hen kwamen voor die God op de eerste plaats.

Israël was uitgekozen door die God om als voorbeeld te dienen. Als je de God van Israël volgde dan gaat het goed, loop je andere goden achterna dan gaat het fout. Israël zelf was een onbeduidend volkje, uit zichzelf kon het niks. De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt hier het Hebreeuws zoals het bedoeld is met “kleine Jacob” maar letterlijk staat er “wormpje Jacob” zo werd het vroeger dan ook vertaald. Dat Israël is niks, die God is alles. Ooit begonnen met de bevrijding van een groep slaven uit Egypte, rond de nakomelingen van die Jacob. Midden in de woestijn kreeg die groep slaven richtlijnen voor de inrichting van een menselijke samenleving en de belofte van een land dat zou overvloeien van melk en honing. Het enige dat ze hoefden te doen was die richtlijnen na te volgen.

De richtlijnen houden in dat je alles wat je toevalt deelt met de minsten. In het gedeelte dat we vandaag lezen is het gevolg van het houden aan die richtlijnen dat de armen en behoeftigen te drinken krijgen. Wie in de wereld rond kijkt zal zien dat er nog heel erg veel armen zijn die niet de beschikking hebben over schoon en helder drinkwater. Daarvoor moeten bronnen geslagen worden en leidingen worden aangelegd. Daarvoor moeten mensen de gelegenheid krijgen hun drinkwater te onderzoeken op verontreiniging en ziektekiemen. In ons land is het wel geregeld, al moeten we uitkijken het drinkwater niet onbetaalbaar te maken voor de armsten, maar in Afrika zijn er miljoenen die verstoken zijn van schoon en helder drinkwater. Organisaties als Oxfam Novib en andere ontwikkelingsorganisaties proberen daar verandering in te brengen. Hoe rijker ons land is hoe minder we daaraan als land bijdragen. Het is daarom goed zelf bij te dragen aan die organisaties. Dan borrelt dorre grond op en kunnen er gewassen groeien waar men zichzelf maar ook ons mee kan voeden. Dan gaat de wereld lijken op de wereld die de God van Israël heeft bedoeld. We kunnen er elke dag opnieuw aan werken, ook vandaag weer.