Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2010

Overmatig eer zoeken is ook niet goed

donderdag, 21 januari, 2010

Spreuken 25:16-28

Het lijkt er soms op of de teksten uit het boek Spreuken een losse opsomming van spreekwoorden zijn. Net als “Het grote spreekwoordenboek der Nederlandse Taal”, een boek overigens waarin veel teksten uit het boek Spreuken zijn terug te vinden. Maar zo onsamenhangend als het op het eerste gezicht lijkt zijn de teksten niet. We zijn gisteren in dit hoofdstuk begonnen en lazen toen dat het over de rechtspraak gaat. En als je honing eet dan spreek je zoete zaken is een oud gegeven. Je moet in een rechtzaak dus niet al te zoetsappig staan te praten dan krijg je pijn in je buik, ofwel het zal zich tegen je keren. Slijmen noemen we dat tegenwoordig en een slijmerd neemt de mensen niet voor zich in maar tegen zich in. Zoiets geldt ook voor vrienden die je in je zaak nodig kan hebben. Als je ze over de vloer loopt, te veel op bezoek komt, dan krijgen ze een hekel aan je. Zoek je karaktergetuigen dan keert die vriendschap zich tegen je. Nu dat van die onbetrouwbare mensen spreekt vanzelf, maar je vrolijk maken over droevige of ernstige zaken doet de rechter rillingen over zijn rug lopen. Geroddel, of een woedende vrouw als tegenstander, zijn ook niet bevorderlijk voor de winst in je rechtzaak. Voor een rechter maken die het niet gemakkelijker om een rechtvaardig vonnis te vellen. Maar een getuige die buiten de zaak staat en voor jou een gunstig getuigenis aflegt is vaak meer dan welkom. Je moet in een rechtzaak ook niet aarzelen om een slecht mens het vuur aan de schenen te leggen, anders draag je bij aan de verspreiding van het vergif dat het slechte mens verspreid. En als je dan eens mooi praat zoek dan niet je eigen eer. En in elke rechtzaak geldt dat je in elk geval je zelfbeheersing moet bewaren. De onderwijzingen uit dit gedeelte van het boek Spreuken zijn nog altijd van toepassing te brengen op de gang van zaken in een rechtzaak. Aanvankelijk zijn ze bestemd voor de koning, dan voor alle rechters in zijn dienst, maar dan ook voor aanklagers, eisers en gedaagden. Ze geven weer hoe mensen met elkaar om zouden moeten gaan als ze elkaar recht willen doen. Nauwkeurig onderzoek, eerlijk overleg, luisteren naar elkaar en redeneren op basis van zuivere argumenten zijn zaken die in het menselijk verkeer altijd moeten voorkomen. En misschien het besef dat die zaken wel voor de hand liggen maar al te vaak niet gebeuren. We leven immers in een tijd waarin veel mensen vinden dat ze altijd gelijk hebben. Zij hebben gelijk als een dokter of een ambulancebroeder een zieke of gewonde onderzoekt. Doet die hulpverlener het in hun ogen niet goed dan kunnen ze op luide toon en onder verwensingen en bedreigingen hun gelijk eisen. Ook als de politie het intermenselijk verkeer in goede banen probeert te leiden en mensen aanspreekt op het overtreden van regels, daar zelfs bekeuringen voor wil uitschrijven dan staan mensen op hun eigen gelijk en verdwijnt soms elke vorm van zelfbeheersing. De overheid doet dan een beroep op ons als publiek om te helpen. Het gaat er dan niet om jezelf in gevaar te brengen maar de onderwijzingen uit dit gedeelte van het boek Spreuken in praktijk te brengen. Rustig na gaan wat er aan de hand is, alle partijen aan het woord laten en zorgen dat ieder tot zijn of haar recht komt. Dan komt er echt een betere samenleving, die kan dus vandaag nog beginnen.

Kalme woorden breken krachtige tegenstand

woensdag, 20 januari, 2010

Spreuken 25:1-15

Vandaag beginnen we te lezen in een verzameling spreuken zoals die verzameld zijn tijdens de regering van Koning Hizkia. Ze worden toegeschreven aan Koning Salomo omdat volgens de overlevering Koning Salomo nu eenmaal de meest wijze Koning van Israël is geweest. Waarom? Omdat onder deze koning geen oorlog werd gevoerd en daarom werd Israël onder zijn regering rijk, kon er onder zijn regering een Tempel in Jeruzalem worden gebouwd, kwamen onder de regering van Salomo koningen en geleerden uit alle delen van de wereld naar Jeruzalem. Spreuken uit de tijd van Koning Salomo hadden dan ook een bijzondere betekenis. De verzameling waar we vandaag in beginnen te lezen bestaat eigenlijk uit onderwijzingen. Hoe gedraag je je als volgeling van de God van Israël. Wat moet je dan doen en wat wordt er van je verwacht. Onder Koning Hizkia was het hard nodig om dat opnieuw te leren. Het volk was afgedwaald van de leer van de God van Israël. Er werden vreemde goden gediend, vooral vruchtbaarheidsgoden. Maar toen Hizkia op 25 jarige leeftijd koning van Israël werd hervormde hij de godsdienst van het land. Hij verwijderde de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen, haalde de Asjerapalen omver en sloeg de koperen slang die Mozes gemaakt had in stukken omdat de Israëlieten de gewoonte hadden voor deze slang wierook te branden. Terug naar de leer van heb uw naaste lief als uzelf. Naar een regering van recht en gerechtigheid. En over dat recht en die gerechtigheid gaat het om te beginnen vandaag. De Koning was de hoogste rechter en die wordt hier als voorbeeld gesteld. Alle rechters worden geacht op te treden zoals de koning. In de eerste plaats vraagt een rechtvaardige rechtspraak zorgvuldig onderzoek. Zelfs in onze dagen blijkt nog wel eens dat ondanks de schijn van zorgvuldig onderzoek er sprake kan zijn van ernstige dwalingen. De eerste verzen zeggen dan ook dat een rechter eigenlijk niet genoeg onderzocht kan hebben om tot een oordeel te komen. En wil je dan iets in te brengen hebben gedraag je dan bescheiden. Dat is een advies aan mensen die iets in willen brengen maar ook aan rechters. Zij moeten dus niet afgaan op mensen die zichzelf geweldig belangrijk en geleerd vinden, die zelf op de plaats van een voornaam persoon gaan staan. Rechtspraak is overigens niet iets wat je zomaar moet willen. Ook dat is een raad die in onze dagen, waar iedereen maar voor de rechter wordt gesleept, ter harte moet worden genomen. Het juiste woord op de juiste tijd daar gaat het om. Wat slecht is moet genoemd worden en kan niet ongestraft blijven maar of het slecht is kan pas vastgesteld worden na zorgvuldig onderzoek en dient niet overhaasd en ondoordacht geroepen te worden.Als je wilt dat een ander zich anders gedraagd dan zijn er vaak betere wegen dan een rechtzaak te beginnen. Een wijze vermaning is een begin, laten merken en gewoon vertellen hoe slecht het gedrag van een ander is kan een vervolg zijn. Maar kijk uit, waarschuw niet zonder het waar te kunnen maken. Verval niet in de dreiging van de regenbui die uitblijft, je woorden worden krachteloos. Schelden, steeds grotere woorden gebruiken zonder vervolg heeft dus geen zin. Het blijven lessen uit het spreukenboek die we elke dag wel kunnen gebruiken. Laat ze daarom vandaag goed tot je doordringen en draag ze uit. Kalme woorden immers breken krachtige tegenstand, ook vandaag nog.

Een lichaam is een eenheid

dinsdag, 19 januari, 2010

1 Korintiërs 12:12-30

Vandaag lezen we een stuk dat Paulus geschreven heeft niet alleen voor de gemeente maar ook over de gemeente. En als we daarbij bedenken dat in de dagen van Paulus de gemeente van Jezus van Nazareth, van de mensen van de Weg, beschouwd moest worden als blauwdruk voor een nieuwe samenleving als tegenhanger van de bestaande Romeinse samenleving dan wordt dit gedeelte ook een maatschappijkritiek op de samenleving waarin wij ons bewegen. De afkomst van de leden van de gemeente van Korinte was zeer divers. Joden op de eerste plaats, maar ook Heidenen van allerlei volken. Daarbij kwam dan nog het onderscheid tussen slaven en vrijen, tussen mannen en vrouwen en tussen ouderen en jongeren. Bij Paulus smelten die verschillen samen tot één lichaam. De verschillen worden niet ontkend maar het belang van al die verschillende mensen voor dat ene lichaam is hetzelfde. Geen van die verschillende delen mag en kan zeggen beter te zijn of belangrijker te zijn dan de andere. Je moet in een dergelijke gemeenschap, zeg samenleving, dan ook niet proberen de ene groep tegen de andere op te zetten, of enige groep uit te sluiten van dat lichaam. Als er strijd uitbreekt of als er een deel wordt afgesneden gaat het hele lichaam ten onder. Daar mogen wij in onze samenleving nog wel eens bij stilstaan. Overigens ook in de kerken mag dit wel tot bezinning leiden. Wat moet je met processen waarbij het gaat over de vraag of iemand wel of niet moet worden uitgesloten en niet over de vraag hoe je het geloof in deze dagen het beste kunt verwoorden voor al die verschillende groepen mensen. De beeldspraak van Paulus over het lichaam en de delen zal ook in zijn dagen wel tot grappen geleid hebben. De vergelijking van een lid van de gemeenschap met het geslachtsdeel van een man is niet zo vleiend. Bij Paulus wel, hij weerkaatst de grap door op te merken dat een dergelijk lichaamsdeel, dat waar we ons voor schamen en die we doorgaans bedekt houden, met meer zorgvuldigheid behandeld wordt. Belangrijker is het lichaamsdeel dat pijn lijdt. Dan lijden alle delen mee zegt Paulus ons. Voelen we dat ook zo? Als er een grote ramp gebeurd zoals in Haïti wel. Binnen de kortste keren stroomt het geld binnen op giro 555 en komen de acties op gang. Maar voelen we die pijn ook als in onze buurt mensen pijn lijden? Of als mensen in onze kerk gebukt gaan onder problemen? Onverschilligheid kenmerkt toch vaak onze samenleving. Mensen die blijven toekijken als een ander verdrinkt. Niemand die uitstapt als iemand gewond op de weg ligt. De helden die van tijd tot tijd worden gehuldigd niet te na gesproken maar die helden zijn de uitzonderingen die een regel maar al te vaak helaas bevestigden. Wij moeten steeds meer beseffen dat we zelfs over de hele wereld deel uitmaken van een lichaam, het lichaam van de bevrijder van de wereld, bevrijder van armoede en ellende. Wij kunnen daarom niet anders dan mee lijden met al die lijdenden, mee delen met ieder die ons delen nodig heeft en stem geven aan stemlozen. Totdat de wereld geheeld is, het heil ter wereld is gekomen heet het deftig. Maar wie deel uitmaakt van het lichaam van Christus voelt de pijn en rust niet tot de pijn over is.Of je nu leider in de gemeente of knecht bent, dat maakt dus niet uit.

Over de gaven van de Geest

maandag, 18 januari, 2010

1 Korintiërs 12:1-11

Vandaag weer een stukje uit een brief die Paulus speciaal voor memsen als wij geschreven heeft. Want wij zijn immers ook Heidenen over het algemeen.We zijn niet opgegroeid in de Joodse traditie en er zijn tegenwoordig maar heel weinig mensen die eerst zijn opgegroeid in de Joodse traditie en later Christen geworden zijn. Die mogen natuurlijk ook best mee lezen maar Paulus heeft het Bijbelgedeelte van vandaag speciaal geschreven voor de Heidenen. Nu is de uitdrukking “de gaven van de Geest” een staande uitdrukking in het Nederlands geworden. In het oorspronkelijke Grieks van Paulus staat dat er niet helemaal. Daar staat iets als “geestelijke uitingen” , tegenwoordig zouden misschien zeggen “de geest waarin je handelt”. Want over handelen gaat het. Bij de afgoden van de Heidenen gaat het over dienen van die afgoden. Je moet maar afwachten of ze wat voor je doen en ze geven in elk geval geen antwoord op vragen. In de gemeente van de volgelingen van Jezus van Nazareth gaat het om het dienen van elkaar en van de naaste. Jezelf beschikbaar stellen, je capaciteiten in dienst stellen van de naaste kan niet zonder de Geest van Jezus van Nazareth. Dat is nu eenmaal in de Geest van hem. Iedereen in de gemeente heeft andere capaciteiten, gaven noemt Paulus dat. Samen ben je ineens een complete verzameling van alles wat mensen in het leven nodig kunnen hebben. Je moet dan wel willen opletten. Want er zijn altijd mensen die opzienbarende dingen lijken te kunnen. Predikers die de gave van het woord hebben, zangers en zangeressen die geweldig kunnen zingen, evangelisten die wonderen lijken te kunnen doen, kunstenaars en dichters die de mooiste dingen kunnen maken. Het gevaar is dat de mensen die dat allemaal zo goed kunnen zelf tot kleine godjes worden. Ze staan op podia of hoog verheven boven de gemeente en wat zij kunnen is belangrijker dan wat er nodig is voor de armen en de minsten in de wereld. Maar de tuinman die bij een weduwe de tuin onderhoud, de timmerman die bij een hoogbejaarde een schilderij weet op te hangen, de moeder die kinderen van een zieke andere moeder opvangt, zij zijn voor de mensen die ze helpen oneindig veel belangrijker dan de mensen die zo mooi kunnen spreken, wonderen kunnen doen, in klanktaal kunnen spreken of kunnen uitleggen wat er dan gezegd wordt. Daarom moeten we kunnen onderscheiden wat er van de Geest van Jezus van Nazareth komt en wat er komt van de Geest van de goden van onze tijd, de goden van goud en beloften, de goden van de eerste de beste. We weten dat Jezus van Nazareth de mensen vaak vroeg om maar niks te zeggen over wat hij had gedaan, we weten ook dat hij gezegd heeft dat je naar de vruchten moet kijken van wat er gedaan wordt. Paulus voegt er aan toe dat je in de gemeente de ene gave ook niet boven de andere moet stellen, dat de Geest de gave geeft zoals die zelf wil. Dat het dus ook geen zin heeft te streven naar de gave van een ander, hoe spectaculair die ook kan lijken. Timmeren kunnen velen, wonderen verrichten maar weinigen. Maar degene die onverwacht en misschien zelfs ongevraagd door een timmerman is geholpen zal dat een groter wonder vinden dan iemand die gedwongen werd naar een mooiprater te luisteren. Zet je gave dus gerust in voor de minsten op aarde. Juist vandaag zijn die gaven meer nodig dan ooit. Want inzetten van die gaven is werken in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth en dat kan allen in zijn Geest.

Nog nooit is zoiets gehoord

zondag, 17 januari, 2010

Jesaja 64:3-11

Goden laten zich dienen en in ruil daarvoor verrichten zij hun diensten. Zo kijken wij tegen goden op. Daarom kunnen we zeggen dat de slachtoffers van een ramp dat aan zichzelf te danken hebben omdat ze de juiste god, of de juiste goden, niet op de goede manier hebben gediend. Maar goden die zich laten dienen in ruil voor het verrichten van hun diensten bestaan helemaal niet. De God van Israël is het tegendeel. Die komt op voor de minsten op aarde. Die wordt gediend door rechtvaardig handelen. Slachtoffers van een ramp hebben dat nooit aan zichzelf te wijten, voor die slachtoffers begint de God van Israël pas. De oproep om je naaste lief te hebben als jezelf als het liefhebben boven alles van de God van Israël is juist het op de goede manier dienen van die God. Daar worden die slachtoffers in de eerste plaats mee geholpen. Van die weg afwijken brengt de doden met zich mee die onnodig vallen in een ramp of in een oorlog. Maar zelfs als je afgeweken bent van zijn weg, als je Tempel is verwoest, je stad een woestijn is geworden mag je roepen naar die God om hulp. Want je weet dat die God nooit het werk laat varen dat die ooit begonnen is. De wanhoop om een geweldige ramp kan groot zijn. De ramp in Haïti treft honderd duizenden en Haïti is het armste land op aarde. De ramp in New Orleans trof tien duizenden en New Orleans ligt in het rijkste land op aarde. De schade voor de armsten in New Orleans is na jaren nog steeds niet hersteld. Wat is het uitzicht voor de armen in Haïti? De wereld kan het zich niet laten aanleunen dat die slachtoffers vergeten worden en niet geholpen. Nu al in de eerste dagen na de ramp komen daar mensen in opstand die niet anders gewend zijn dan dat ze vergeten worden, ze plunderen de opslagplaatsen voor voedsel nu er nog voedsel te vinden is. Zij zijn gewend dat als de cameraploegen weg zijn ook de hulp verdwijnt. Een handvol soldaten uit arme landen werd tot nu toe betaald om een minimum aan veiligheid voor regering, machthebbers en diplomaten te garanderen. Maar als wij de God van Israël als onze vader aanroepen moeten wij dan niet leren van Jesaja? Zijn volk voelde zich verlaten van God en riep hem aan in alle ellende en deed een beroep op dat “Vader zijn” in het vertrouwen dat God te hulp zou komen. Kunnen wij God als onze Vader aanroepen als wij onze broeders en zusters in Haïti en New Orleans vergeten? Is het niet zo dat wij onze Vader verloochenen en God niet meer als zodanig erkennen als wij onze handen niet uitsteken naar de minsten op deze aarde? Of het nu de verslaafden en de armen zijn in onze eigen steden en buurten of het de slachtoffers zijn van oorlogen, hebzucht, uitbuiting en natuurrampen, zij zijn de broeders en zusters, kinderen van dezelfde Vader als wij, die ons nodig hebben om hen te helpen zoals God onze Vader wil dat zijn kinderen geholpen worden. Dat moeten we leren van Jesaja als hij spreekt over onze gerechtigheid. Recht doen aan mensen daar gaat het om. Dat vergeten, daarvan afwijken, maakt ons bezoedeld en onrein. Deze dagen krijgen we de kans armen tot onze gelijke te maken, te laten delen in de welvaart die wij kennen. Wij hebben de kans van Haïti een land te maken dat zich kan meten met het onze. Laten we daarom plannen maken voorbij de eerste noodhulp. Daar kunnen we vandaag mee beginnen.

Zoals vuur water doet koken

zaterdag, 16 januari, 2010

Jesaja 63:15-64:2

Vandaag bidden we mee met de profeet. De ellende van de ballingschap is even onverdraaglijk als de ellende van het volk van Haïti na de aardbeving. Voor Israël was het niet meer voldoende dat ze afstamden van Abraham. Herkomst en afstamming, status en fatsoen zijn niet genoeg, ze tellen niet. De ellende die de profeet schetst maakt dat het lijkt of de God van Israël nooit de God van Israël is geweest. Ver weg is die God zo lijkt het. Was die God er maar, zou die God de hemelen maar scheuren en afdalen. Zo roepen de slachtoffers van de aardbeving in Haïti ook om de hulp van de liefde van alle mensen in de wereld en we weten dat die liefde uiteindelijk van God komt. Die liefde is als het vuur dat het water doet koken. Voor Israël was het een machtige vijand die het land had bezet en de tempel in Jeruzalem verwoest. In Israël werd dat uitgelegd als een straf van God omdat ze zijn gebod van heb uw naaste lief hadden vergeten. In onze dagen zijn er heidenen die ook beweren dat de aardbeving in Haïta de straf van een God zou zijn omdat ze daar zondig zijn. Maar als dat zo zou zijn dan zou de hele aarde beven en overal vergaan. Het volk van Haïti is niet slechter dan het volk van Nederland, Engeland of de Verenigde Staten, het volk van Haïti is alleen armer, het is het armste volk op aarde. Als er ergens schuld is aan het aantal slachtoffers dan ligt die schuld bij de rijken in de wereld, die huis aan huis tezamen voegen en akker aan akker, die met list en bedrog grote kapitalen weten te verwerven maar die met valse propaganda weten te voorkomen dat er eerlijk gedeeld wordt met de allerarmsten. Dat de Wet van God toegepast wordt op en door alle volken zodat het volk van Haïti de zelfde mogelijkheden voor woningbouw had als het volk van Japan, waar wel aardbevingsbestendig gebouwd kan worden. De profeet Jesaja roept wanhopig uit dat God alle volken zou laten beven als hij zou komen. Dat beven van alle volken hebben we vandaag even hard nodig als het volk Israël in de dagen van Jesaja. Want zijn de slachtoffers in Haïti niet gewoon onze broeders en zusters? Is hun bloed niet even rood als het onze zou zijn als de beving hier plaats had gevonden? In onze samenleving wordt geprobeerd haat te zaaien tussen mensen op basis van geloof en afkomst. Maar al die mensen die geven op giro 555 vragen zich niet af wat het geloof of de afkomst is van de mensen in Haïti, ze zien de ellende en steken de hand uit om de mensen tegemoet te komen in hun ellende en gelijk hebben ze daarin. Jesaja durfde te stellen dat de afloop van de ellende van zijn volk de terugkeer naar het beloofde land zou zijn. Het volk zou weer in ere hersteld worden en het middelpunt zou weer de Tempel in Jeruzalem zijn zodat alle volken de Wet van God zouden kunnen volgen. Wij zouden de droom van Jesaja tenminste een beetje kunnen laten uitkomen als we ons voornemen het niet te laten bij een eenmalige hulp aan de slachtoffers in Haïti maar ons voor te nemen ze te blijven steunen net zo lang tot ze een samenleving hebben die voor wat betreft de welvaart zich kan meten met de onze. We kunnen er vandaag nog mee beginnen. Morgen wordt er ook in heel veel kerken gecollecteerd, vraag dan om een voorbede zoals Jesaja die ons vandaag heeft geleerd.

Mijn kinderen zijn te vertrouwen.

vrijdag, 15 januari, 2010

Jesaja 63:7-14

We lezen vandaag een zeer optimistisch stukje uit de Bijbel. God kiest een volk, staat het bij, leidt het uit het land van de slavernij en geeft het een richtlijn waar het eeuwig van zou kunnen profiteren. Maar die kinderen beschamen dat vertrouwen en komen in opstand tegen het idee altijd maar van je naaste te moeten houden als van jezelf en altijd maar de minsten, de zwaksten, in je samenleving voorop te moeten zetten. Dat beschamen van vertrouwen in God leidt tot oorlog en ellende. Maar God herinnert zich de band met het volk, de leiders van het volk die zijn Wet door wisten te geven, de koningen die vrede wisten te stichten en berouwt de vijandschap die hij is aangegaan met zijn eigen volk. Het volk wordt dus opnieuw gered. Nu staat er in vers 9 een zootje onzin waar we geen raad mee weten. Nee niet alleen nu, hier in deze overweging, maar vanouds struikelen geleerden en vertalers over wat hier in de Bijbel staat. Zou God zelf echt in nood komen als zijn volk in nood komt? Die gedachte komt verder nergens in de Bijbel voor. Waar je wel aan zou kunnen denken is het medelijden dat God krijgt met mensen die wel goed willen maar nog steeds onderdrukt worden en moeten lijden, dat was ook waarom God zijn volk bevrijdde uit de slavernij in Egypte. En dan die rare engel van zijn tegenwoordigheid. Ook die kunnen we niet plaatsen. In het boek Exodus wordt wel verteld over een Engel die vooruitgestuurd wordt om de verovering van het beloofde land voor te bereiden en over God zelf die meegaat met het volk. Hier wordt gezegd dat God zelf hen verlost heeft en dan is een engel helemaal niet nodig in deze tekst. We hebben al eerder vastgesteld dat het boek Jesaja een aantal schrijvers kent die in de loop van de tijd steeds aanvullingen hebben gegeven. Dat kan dus wel eens tot misverstanden leiden. Hier dus ook. Maar voor ons wordt de tekst er eigenlijk alleen maar optimistiser door. Het betekent dat God met ons mee blijft gaan. Ook al vergeten wij nog wel eens zijn richtlijn om van je naaste te blijven houden als van jezelf. Ook al vergeten wij dat we onze samenleving moeten inrichten op de minsten op de zwaksten op aarde. Zoals we ontdekt hadden dat we het volk van Irak vergeten waren toen daar de dictator verdreven was, dat volk is van het ene lijden in het andere terechtgekomen. Zoals we ontdekken in deze dagen dat we het volk van Haïti eigenlijk vergeten zijn. Bij de eerste de beste tegenslag ligt heel dat land in puin door een aardbeving en is iedereen daar afhankelijk van onze hulp. Giro 555 is dan zeer aan te bevelen maar kunnen en durven we vragen om een ontwikkelingsplan voor de lange termijn? Durven we het aan om als doelstelling te stellen dat bij een volgende aardbeving op een andere plaats op aarde het volk van Haïti vliegtuigen met hulpgoederen kan vullen van haar eigen overvloed om de slachtoffers te helpen? Is het niet zo dat pas als zij kunnen wat wij nu kunnen opbrengen we hen geholpen hebben zoals we zelf geholpen zouden willen worden? Daar roept de profeet ons vandaag toe op, wij mogen weten dat op die Weg God met ons gaat, ook al vergeten wij dat maar al te vaak.

Het jaar van vergelding

donderdag, 14 januari, 2010

Jesaja 63:1-6

In het boek van de profeet Jesaja klinkt voortdurend de overtuiging door dat onrecht niet eeuwig kan blijven voortduren. Hoe het bestreden en overwonnen zal worden doet niet ter zake, de overwinning op het kwade is onvermijdelijk. Ook in het duet dat we vandaag meezingen klinkt deze overtuiging door. Het is God die hier de overwinning heeft gebracht. Deze keer kwam de overwinning op het kwade uit Edom, uit de stad Bosra in Edom. Bosra was een belangrijke stad, centrum van de veeteelt. Rood van het bloed dus dat vloeit na de slacht van runderen en schapen. Edom betekent ook rood. En een mantel van purper is ook rood. Rood is de centrale kleur in het gedeelte van vandaag, de woordspelingen en de grapjes die hier in zitten gaan verloren in de vertalingen. Maar rood is ook het druivensap dat opborrelt in de wijnpers. Rood was ook de aarde waaruit God de mensen heeft geschapen. Rood was ook de linzenmoes waarvoor Ezau zijn eerstgeboorterecht verkocht. En Edom was het volk dat afstamde van Esau, meestal overigens een volk dat staat voor de erfvijand van Israël. Ook hier is Edom overigens niet het meest vriendelijke land, maar in dat God verlaten oord had de God van Israël zich teruggetrokken vanwege het kwaad dat zijn volk had gedaan. Dat volk was weggevoerd naar Babel, maar nu weer teruggekomen. En de God van Israël had zich weer in het midden van zijn volk, in Jeruzalem gevestigd. De oude vijanden van Israël waren overwonnen. Maar dan komt de schok. Het onrecht Israël aangedaan leek ongewroken te blijven. Geen van de volken op aarde kwam het arme en vertrapte Israël te hulp. Niemand kwam het verdrukte volk te hulp. Niemand die de God van Israël steunde. Dezer dagen zullen velen denken aan het volk van Irak dat zuchtte onder een wrede dictatuur. Maar ook dat volk werd door niemand geholpen. Natuurlijk de wrede dictator werd verdreven door volken die zelf bang voor die dictator waren en voor de wapens die hij mogelijk zou hebben. Het volk werd daarbij vergeten. Ook toen de dictator verdreven was werd het land niet opgebouwd, nooit eerder waren er, als het afgelopen jaar, zoveel mensen in Irak omgekomen door geweld. Vluchtelingen wachten al vele jaren in buurlanden op een kans terug te keren naar een land in vrede om te kunnen helpen bij de opbouw. In Irak zijn de volken God niet te hulp gekomen om te zorgen voor de zwaksten, in Irak hebben volken alleen hun eigen politieke agenda gesteund. De armen kunnen alleen iets verwachten van de God van Israël. De Wet die hij de mensen gegeven heeft zal uit de ellende een uitweg kunnen bieden. Het Heb Uw naaste Lief als Uzelf zal in de praktijk gebracht moeten worden. Wij kunnen God daarbij helpen, daarbij dus ook de mensen kunnen helpen door ons in te zetten voor de opbouw van Irak, door kennis en kansen over te dragen die een vreedzame samenleving mogelijk maken. We kennen dat van rampen en aardbevingen. Haïti wordt gelukkig geholpen, dat volk moet niet vergeten worden als de eerste nood gelenigd is. Zoals we ook het volk van Irak niet mogen vergeten nu die oorlog lang achter ons ligt. Het onrecht wordt wel gewroken maar aan ons om God niet alleen te laten en te helpen bij de zorg voor de slachtoffers van het onrecht, en de slachtoffers van alle ellende die er in de wereld is.

Die nooit zullen zwijgen

woensdag, 13 januari, 2010

Jesaja 62:6-12

Wachters op de muren die dag en nacht roepen om gerechtigheid. Die roepen door de poorten te gaan. En in de poort van de stad wordt recht gesproken. De profeet heeft een visioen dat we graag met hem delen. Want het gaat om recht doen aan alle mensen op de aarde. Het gaat er om dat iedereen mee kan doen en dat niemand meer honger heeft of te lijden heeft van oorlog en ellende.Het gaat er om dat aan iedereen recht wordt gedaan. Nooit zal het graan meer aan vijanden gegeven worden staat er. Wie zijn dan die wachters op de muren van Jeruzalem? Iemand die denkt dat de Bijbel letterlijk genomen moet worden zal ze niet vinden. In de tijd dat dit werd opgeschreven waren er geen muren in Jeruzalem. De stad was verwoest. Later werd de stad herbouwd en konden ballingen terugkeren maar ook toen bleef de stad niet de stad van Israel maar werd het achtereenvolgens door Grieken en Romeinen bezet. Het gaat dan ook niet om het letterlijke Jeruzalem, maar om het hart van de wereld. Alle volken moeten zich immers daarnaar richten. De roep om door de poort gaan klinkt hier. Als je in de Bijbel poorten tegenkomt moet je bedenken dat daar de oudsten bijeen kwamen om recht te spreken. Zij die levenservaring hadden konden zich voorstellen hoe de Wet van Liefde toegepast moet worden in al die ingewikkelde vragen die het leven nu eenmaal met zich meebrengt. Daar werd dus recht gesproken en als de poorten dicht waren dan kon je er niet bij en werd er dus geen recht gesproken, werd er geen recht gedaan aan mensen die het recht meer dan hard nodig hebben. Als dat nu eens onder alle volken van de wereld ingang krijgt dan is er altijd een Jeruzalem waar je terecht kunt om recht voor mensen te halen. Tot die tijd moeten we het doen met de wachters op de muren die dag en nacht roepen om gerechtigheid, die nooit zullen zwijgen. En kennen we die wachters niet? De leden en medewerkenden van Amnesty International zoeken recht voor mensen waar ze ook wonen en wat ze ook gedaan hebben. Eerlijke rechtspraak onder eerlijke omstandigheden, en met inachtnemen van de fundamentele rechten van de mens. Zoek de site van Amnesty op en ontdek hoe eenvoudig is daaraan mee te doen en mee stem te geven aan al die mensen die roepen om het recht. Maar ook de vrijwilligers van Fair Trade en Wereldwinkels roepen om het recht. In hun winkels en met hun producten tonen zij het onrecht aan dat gedaan wordt aan producenten van producten en voedingsmiddelen die in arme landen wonen. Door bij hen te kopen versterk je de roep om gerechtigheid, om de mensen recht te doen die meer dan wie ook afhankelijk zijn van de productie van hun goederen maar die geen recht wordt gedaan omdat wij ons opsluiten achter de onrechtvaardige tolmuren. Een eigenlijk zoeken ook de vrijwilligers in de voedselbanken recht voor de armen. Want is het niet een schande dat we in zo’n rijke samenleving leven dat er mensen zijn die het dagelijks brood niet kunnen betalen? Voedselbanken zijn de roep van de muren om recht te gaan doen. De wachters op de muren roepen om bevrijding van de armen, ze zwijgen nooit. Wij kunnen ze handen en voeten geven, ook vandaag weer.

Alle volken zullen je gerechtigheid zien

dinsdag, 12 januari, 2010

Jesaja 62:1-12 
 
Vandaag zingen we een loflied mee uit het boek van de profeet Jesaja. De geleerden zijn er over eens dat er meer mensen meegeschreven hebben aan het boek van de profeet die het wegvoeren van het volk in ballingschap meemaakte en desondanks volhield dat het volk bevrijd zou worden en weer een echt eigen volk in het beloofde land zou worden. Dit lied,  bijna aan het eind van dit boek, zingt over dat prachtige nieuwe land met een trotse hoofdstad, Jeruzalem.  En het mooiste is dat alle volken de gerechtigheid van dat land zullen zien zingt de profeet. Mooie taal in zo’n lied maar omdat het veel en vaak is herhaald zonder betekenis wordt het voor ons pas echt mooi als we ons de betekenis realiseren. Die gerechtigheid komt alleen als de weg van de Wet van de Woestijn wordt gevolgd, eerlijk delen, zorgen dat iedereen mee kan doen, zorgen voor de armen, de zieken en de zwakken. Die Wet wordt bewaard en beschermd in de Tempel in Jeruzalem en pas als alle volken kijken naar die Wet dan wordt het vrede op aarde. Daarom is het uitsluiten van volken van de discussie over eerlijk delen en over samen werken eigenlijk vragen om oorlog.  Natuurlijk kan het mislopen en kunnen er volken zijn die zich willen onttrekken aan wat we samen in de wereld, in de Verenigde Naties, willen. Maar dat blijkt pas als we in het verband van de Verenigde Naties met elkaar de problemen tussen landen, volken en mensen proberen op te lossen.  In de Bijbel staat het belang van de armen en onderdrukten voorop. Als het vrede wordt komt er een groot feest. Dit lied vergelijkt dat met een bruiloftsfeest. Want zoals bruid en bruidegom van elkaar houden en alles voor elkaar over hebben zo zouden alle volken van elkaar moeten houden. Dan immers laat het ene volk het andere tot haar recht komen, dan komen alle mensen tot hun recht. Dan laat je je geliefde niet omkomen van de honger, niet naakt over de wereld gaan, haar kinderen niet verkommeren van ziekte.  Vorige week hoorden we in de kerk over het dopen met het water van de Jordaan, oude gewoonten afspoelen en schoon en fris opnieuw beginnen, met een nieuw leven. Zo zullen we ook nog wat oude gewoonten van de heersers van deze wereld moeten afspoelen. Nu nog zetten de volken hun eigen belangen voorop. Eerst de handelsbelangen, kunnen we genoeg verdienen aan de banden met een ander volk. Of dat andere volk haar burgers onderdrukt en de mond snoert doet dan even niet ter zake. Luister maar eens naar onze eigen minister van buitenlandse zaken die voortdurend de Nederlandse handelsbelangen voorop zet en vindt dat juist door aan anderen te verdienen het gesprek over recht en gerechtigheid op gang kan komen. Zolang het eigen belang voorop staat zal er armoede en ellende zijn. En armoede en ellende brengen oorlogen voort. En oorlogen brengen armoede en ellende voor de allerarmsten voort. Wij worden door de profeet geroepen om de stad van de Wet van God tot bruid of bruidegom te nemen en ons te verheugen in de Wet van houden van je naaste als van jezelf. Gelukkig mag dat elke dag opnieuw, alsof je elke dag opnieuw uit dat water wordt herboren.