Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor augustus, 2009

Hij nam de zeven broden

vrijdag, 21 augustus, 2009

Marcus 8:1-13

Er staan verschillende verhalen in het Nieuwe Testament over Jezus van Nazareth die met maar een paar broden een hele menigte te eten gaf. Hoeveel broden er nu precies waren verschilt per verhaal. Soms zijn het twee broden en vijf vissen, soms vijf broden en twee vissen en hier zijn het zeven broden en nog een paar kleine vissen. Dat het er zeven waren is niet zo vreemd. Er zijn zeven dagen in een week en er was dus brood genoeg om elke dag te eten te hebben. Maar wij mensen hebben niet genoeg aan ons dagelijks brood. We zijn tenminste bang om niet genoeg te hebben aan ons dagelijks brood. We willen altijd meer en nog meer. Zelfs als bij het brood ook nog wat gezonde vis komt, dan nog denken we niet genoeg te hebben. In het gebed dat Jezus van Nazareth aan zijn leerlingen heeft geleerd, dat dagelijks overal in de wereld door zijn volgelingen wordt gebeden, wordt ook om niet meer gevraagd dat om het dagelijks brood. Als je meer wil kom je al snel op het terrein van de zonden terecht. En dagelijks brood is voor iedereen genoeg, voor iedereen op de hele wereld, als we maar bereid zijn om te delen is het er ook voor iedereen. En als het wonder is geschied dat je met een hand vol broden en een paar vissen een hele menigte  te eten kan geven dan nog vragen mensen om wonderen uit de hemel. Jezus van Nazareth moest er van zuchten. Ook vandaag lijken de wonderen uit de hemel soms belangrijker dan gewoon het delen van het dagelijks brood, desnoods met een stukje vis. Grote massale bijeenkomsten met veel muziek en opzwepende sprekers en boeiende debatten zijn belangrijker en aansprekender dan de Wereld Handels Conferenties waar de spelregels over eerlijk delen tussen de volken worden afgesproken. Net als onze financiële en economische crisis veel belangrijker en erger lijkt dan de voedselcrisis waar elke dag duizenden aan sterven bij gebrek aan dagelijks brood. En juist dat eerlijk delen en zorgen dat iedereen te eten heeft kan de meeste indruk maken. Het is overgebleven in de verhalen over de Profeten en het staat al bij Marcus twee keer en ook bij de andere evangelisten wordt er over verteld. We hoeven niet zo bang te zijn dat we ons dagelijks brood niet krijgen, we krijgen er zelfs nog een stukje vis bij. We hoeven het ook niet te pikken dat onze broeders en zusters in de armste landen in de wereld sterven van de honger. Als we in staat worden gesteld eerlijk te delen is er ook voor hen een dagelijks brood, zelfs met een stukje vis er bij. In het gebed van Jezus van Nazareth bidden we om “ons” heden ons dagelijks brood te geven. We bidden dus niet aleen voor onszelf maar juist ook voor onze broeders en zusters. Daarom mogen we ook vandaag weer beginnen met delen.

En nog overhouden ook

donderdag, 20 augustus, 2009

2 Koningen 4:38-44

We doen als Christenen altijd zo flink over die Jezus van Nazareth die met een paar broden een hele menigte kon voeden. En omdat we vier evangelieën hebben worden de verhalen over de wonderbare spijziging nog wel een paar keer verteld ook. Maar  in het Oude Testament staan er ook een paar van die verhalen. Deze van Elisa is nog wel de meest aansprekende. Die gaat echt over dood en leven. Allereerst valt op dat er wel honderd profeten zijn. Die kennen we niet allemaal, alleen Elisa wordt bij name genoemd in de verhalen. Maar het zijn wel de mensen die proberen te leven op de manier die God heeft gewild, samen delen en zorgen voor elkaar. Daar gaat dit verhaal dan ook over. In de eerste plaats wordt de vraag gesteld of je kunt eten van uiterlijk vertoon. Die kolokwint die wordt genoemd is een plant die gebruikt werd ter versiering van de Tempel in Jeruzalem. Het was een soort bittere meloen. Maar wel een heel erge bittere, zo bitter dat die niet te eten was. Je ging er niet direct dood aan maar het was een niet ongevaarlijk laxeermiddel. De vrucht zag er echter mooi uit en was daardoor uitermate geschikt voor versiering. Maar van een mooie buitenkant kun je niet leven. Integendeel weten we tegenwoordig. De mooie streepjespakken van de bankdirecteuren waren alleen maar tekenen van ellende en bedrog. Pas als Elisa weer gewoon gaat koken, met meel dat de overmatige bitterheid wegneemt, kan er gewoon gegeten worden, misschien niet zo lekker als het er uitzag, maar wel zo voedzaam. Dat zelfde geld ook voor de broden die hij kreeg. Dat lijkt soms niet zo veel, maar als je bereid bent om alles te delen dan kan er veel. Zoek maar eens het verhaal van de soepsteen op. Het verhaal over de steen in een pan kokend water die een heerlijke soep wordt als de een een rest wortel, de ander een rest prei, een derde een stuk overgbleven vlees, nog iemand een aardappel en zo voort er bij doet. Samen maakt men een voedzame pan soep, al die ingrediënten apart waren voor één persoon nog niet genoeg. Die soepsteen blijft eeuwig bruikbaar. Je hebt alleen mensen nodig die willen delen en een pan kokend water. Juist in deze tijd van voedselcrisis moeten we bereid blijven met elkaar te delen. In ons land leven de voedselbanken van het overschot dat er ook in tijden van schaarste nog steeds is. Internationaal leven mensen van de kruimels die van de tafels in rijke landen vallen. Maar als we werkelijk bewust zijn van het voordeel te delen met elkaar dan leren we dat niet alleen giften en aalmoezen nodig zijn maar een samenleving die op delen is gebaseerd, een samenleving waarin iedereen gelijk is en iedereen naar vermogen bijdraagt. Dat loopt pas uit op het Koninkrijk van God. Daar mogen we vandaag nog mee beginnen.

Ze zijn gebroken en geveld

woensdag, 19 augustus, 2009

Door een computerprobleem zijn er een paar weken geen columns hier verschenen. Onze excuses, vandaag wordt de dagelijkse publicatie weer hervat.

Jesaja 46:1-13

Kunnen wij dat nu ook zeggen, dat onze afgoden hebben afgedaan? Nu Babel is ingenomen en het volk kan terugkeren uit ballingschap hebben de goden van Babel afgedaan. Bel, of wel Marduk, en Nebo, ofwel Nabu, zijn misschien door hun priesters nog op tijd uit de tempels gehaald, maar het blijven zware beelden die je maar met je mee hebt te zeulen als je ze wilt redden. Wie in de God van Israël wil geloven hoeft geen beeld mee te zeulen, de terugkeer naar Jeruzalem zal zonder beelden gaan en in de nieuw te bouwen Tempel zal geen beeld van welke God dan ook komen te staan. Maar kunnen wij dat nu ook zeggen? Hebben bij ons de afgoden van succes en voorspoed, de goden van goud en beloften, ook afgedaan? Hebben we de banken en verzekeringsmaatschappijen zo ingericht dat ze ten dienste staan van de samenleving in plaats van de bonussen van hun bestuurders? Hebben de toezichthouders op de banken en de financiële markten echt bevoegdheden gekregen om in te grijpen als eigen winst gaat boven een eerlijke en verantwoorde dienstverlening? Zetten wij onze financiële dienstverlening in dienst van de armsten en de zwaksten in de samenleving? Letten we daarbij ook op de behoeften van de armsten in de wereldsamenleving? Misschien zijn het vragen waarop we geen antwoord hoeven te hebben maar zijn het vragen die we net zo lang moeten stellen tot de antwoorden vanzelf gaan spreken. Ook wij hebben immers al een paar eeuwen gehoord van een samenleving waarin je moet delen van wat je hebt en waarin je je naaste lief moet hebben als jezelf. Dat is precies wat de Profeet hier beschrijft. Maar ook wij hebben de neiging ons verre te houden van gerechtigheid. Aanzien en succes zijn ook bij ons belangrijker dan zorg en aandacht. Maakten de afgodendienaars in Babel er een wedstrijdje van wie het mooist aangeklede godenbeeld had en de grootste tempel met de beste uitstraling, bij ons gaat het om de grootste bonussen en de mooist gestylde streepjespakken. Bij ons zijn de idolverkiezingen niet beperkt tot zangwedstrijden op de televisie maar is in elke bedrijfstak en elk beroep het idolgehalte belangrijker dan de menselijke kwaliteit. Al die werklozen die deze herfst en winter een baan moeten zoeken zijn aangewezen op algemeen aanvaarde arbeid. Maar is dat ook arbeid waarin je mensen moet bedriegen? Of arbeid waarin je mensen iets moet aansmeren wat ze niet nodig hebben? Of arbeid waarin je mensen op de meest onmogelijke tijden moet lastig vallen door ze op te bellen? Mag arbeid geweigerd worden dat niet de mensen ten dienste staat maar louter en alleen de winst van de rijken? Pas dan zouden we onze afgoden eerst echt hebben afgeschaft. Maar wellicht dat we er nog hard aan moeten werken, dat moeten we er dan maar voor over hebben.