Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor de 'Column' categorie

Zelfs de mus vindt een huis

maandag, 11 juni, 2018

Psalm 84

1 ¶  Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van de Korachieten, een psalm. 2 Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten. 3 Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER. Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God. 4 Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt, bij uw altaren, HEER van de hemelse machten, mijn koning en mijn God. 5 Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij u loven. sela 6 Gelukkig wie bij u hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar u. 7 Trekken zij door een dal van dorheid, het verandert voor hen in een oase; rijke zegen daalt als regen neer. 8 Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen. 9 HEER, God van de hemelse machten, hoor mijn gebed, luister naar mij, God van Jakob. sela 10 God, ons schild, zie naar ons om, sla goedgunstig het oog op uw gezalfde. 11 Beter één dag in uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten, beter op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen. 12 Want God, de HEER, is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan. 13 HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op u vertrouwt. (NBV)

Vandaag zingen we mee met de drempelwachters van de Tempel, de Korachieten, die in het boek van de Psalmen hun eigen verzameling hebben. Het gaat op een onbekende melodie, de Gatitische, die melodie is in de tijden verloren gegaan. De Psalm bezingt de heerlijkheid van de Tempel. De voorhoven van de Tempel waren voor de meeste Israëlieten de plaats waar ze het dichtst bij het Heiligste van hun volk waren. Dat was niet een beeld van hun God. Wat ze zeker wisten was dat daar de richtlijnen werden bewaard die ooit in de woestijn aan Mozes waren gegeven. De richtlijnen die zich samen lieten vatten in het heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat kwamen ze ook weer oefenen in de Tempel. De voorschriften waren immers dat ze een paar keer per jaar op moesten trekken naar de Tempel om daar een maaltijd te houden met de hele familie, inclusief al het personeel en de slaven, de dienaren in de Tempel, de armen en de vreemdelingen uit hun stad of dorp. Het was daar dus een voortdurend feestgedruis want niemand liet zich graag zo’n feestelijke maaltijd ontgaan.

De Korachieten moesten er op letten dat alles goed bleef gaan, dat er geen beelden van afgoden de Tempel werden binnengesmokkeld bijvoorbeeld. In de Bijbel staan diverse voorbeelden van perioden waarin ook vreemde goden werden aanbeden in de Tempel. Zo’n kist met stenen platen die je niet eens mag zien spreekt natuurlijk niet erg aan. Dat je in de ogen van je naaste het beeld van God kunt zien wordt ook in onze dagen maar al te gemakkelijk vergeten. De psalm straalt een zekere onbezorgdheid uit. Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt, maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen. Dat is zeker zo op een plaats waar altijd iedereen welkom is aan de maaltijd, waar iedereen altijd bereid is te delen. Veel en veel later zou Jezus van Nazareth deze Psalm aanhalen in een waarschuwing en geruststelling. De Zoon van de mensen heeft zelfs geen plaats om zijn hoofd neer te leggen vulde hij het citaat van de mus en de zwaluw aan.

Je wordt er niet rijk van als je onvoorwaardelijk de naaste liefhebt. Tegelijkertijd is het een geruststelling, nooit zal je immers iets ontbreken zingt een andere psalm. Zeker als je het aandurft met de minsten om te gaan, de mensen die buiten de samenleving gezet zijn. Als je niet bang bent, je angst weet te overwinnen zoals de Bijbel zegt, zul je merken dat vreemdelingen, illegalen en asielzoekers incluis, vaak verrassend gastvrij zijn. Ze horen bij de armsten in ons land, maar er is altijd een plek aan tafel. Het lijkt voor velen zelfs een eer te zijn een gast een maaltijd voor te zetten, zonder er overigens iets voor terug te verwachten. Wij mogen ons dat ook wel eens bedenken als we deze Psalm meezingen. En wie zijn of haar huis als een Tempel beschouwt mag vandaag de deur openzetten om een maaltijd te houden met de familie, de armen en de vreemdelingen.

 

Ze schoten op en groeiden

zondag, 10 juni, 2018

Marcus 4:1-9

1 Weer ging hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om hem heen staan. Daarom ging hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan. 2  Hij onderwees hen uitvoerig en sprak hen toe in gelijkenissen. Hij zei: 3  ‘Luister. Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. 4  Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. 5  Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; 6  en toen de zon opkwam verschroeide het jonge groen, en omdat het geen wortel had droogde het uit. 7  Weer ander zaad viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vrucht voort. 8  Maar er waren ook zaadjes die in goede grond vielen en wel vrucht voortbrachten: ze schoten op en groeiden en droegen vrucht. Sommige leverden het dertigvoudige op, andere het zestigvoudige en weer andere het honderdvoudige.’ 9  En hij zei: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’ (NBV)

Vandaag lezen we de gelijkenis van Jezus over zaadjes die in de akker vallen en vrucht dragen. Het meest vruchtbaar zijn natuurlijk de vrouwen onder ons. In de Bijbel vindt je veel verhalen over bevrijding die beginnen met verhalen over de vrouwen die daarin een rol spelen. Mozes zou het volk Israel uit de slavernij in Egypte leiden en aan het begin van het verhaal over Mozes gaat het over zijn moeder, zijn zuster en een Egyptische prinses. De zuster van Mozes speelde ook later nog een belangrijke rol. Aan het begin van het verhaal van Jezus van vandaag staat zijn moeder. Het is eigenlijk een verhaal over hoop en wanhoop. We hopen natuurlijk allemaal dat ons streven in het leven ook wat opbrengt. Veel mensen zeggen dan dat ze de wereld voor hun kinderen een beetje beter willen achterlaten als ze de wereld hebben aangetroffen.

Voor de agrariërs was er de tijd van zaaien en planten aan en de hoop op een goede oogst. Nu de meeste agrariërs verdwenen zijn heeft de Protestantse kerk in de jaarlijkse bid en dankdagen voor het gewas ook de arbeid daar bij betrokken. En natuurlijk is het goed om met elkaar af te spreken, en daarbij stil te staan, dat dat zaaien, oogsten en werken tot zegen zal zijn, ofwel ten goede komt aan de armsten in de samenleving. En in onze dagen kan dat heel direct en tastbaar door een flink deel van gewas en inkomen te bestemmen voor de voedselbanken, als een winkel 2 producten voor de prijs van 1 geeft kun je dat extra product gemakkelijk even langsbrengen. Vrouwen weten dat over het algemeen al wel, maar vrouwen moeten vandaag weer eens stilstaan bij wat ze eigenlijk waard zijn.

Veel vrouwen stellen zich nog te dienstbaar en onderdanig naar hun mannen op. Omdat ze vaak zo weinig van zichzelf houden komt er van de liefde voor hun naaste ook maar weinig terecht. Je moet ook van jezelf houden om veel te houden van je naaste. De gelijkenissen van Jezus van Nazareth gaan over het Koninkrijk van God en dat Koninkrijk is er nog niet. Toch kunnen we er van leren voor ons eigen handelen. Zaad dat op vruchtbare grond valt levert eindelijk ook wat op. Die vruchtbare grond is natuurlijk de liefde. Hoe meer liefde hoe meer opbrengst. Maar de opbrengst op vruchtbare grond is niet direct 100 procent, nee 30 en 60 procent kunnen ook. Er zijn mensen die er niet aan durven te beginnen. De hongerigen eten geven, de dorstigen laven, de gevangenen bezoeken. Het klinkt soms zwaar en veel. Maar een glimlach voor een van de buren, het dank je wel voor de zorgverleenster, ook dat zijn uitingen van liefde voor de naaste. En ook die uitingen zijn vruchtbaar, elke dag opnieuw.

Als een gemeenschap innerlijk verdeeld is

zaterdag, 9 juni, 2018

Marcus 3:20-35

20  Hij ging terug naar huis, en weer verzamelde zich een menigte, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te gaan eten. 21  Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren. 22 Ook de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul, ‘en: ‘Dankzij de vorst der demonen kan hij demonen uitdrijven.’ 23  Toen hij hen bij zich geroepen had, sprak hij tot hen in gelijkenissen: ‘Hoe kan Satan zichzelf uitdrijven? 24  Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden; 25  als een gemeenschap innerlijk verdeeld is, zal die gemeenschap niet kunnen standhouden. 26  En als Satan tegen zichzelf in opstand is gekomen en verdeeld is, kan ook hij niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet. 27  Bovendien kan niemand het huis van een sterkere binnengaan om zijn inboedel te roven, als hij die sterkere niet eerst vastgebonden heeft; pas dan kan hij zijn huis leeghalen. 28  Ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, 29  maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp.’ 30  Dit omdat ze gezegd hadden: ‘Hij is bezeten door een onreine geest.’ 31 Intussen waren zijn moeder en zijn broers aangekomen. Ze stuurden iemand naar binnen om hem te halen. Zelf bleven ze buiten wachten. 32  Er zat een groot aantal mensen om hem heen, en die zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken u.’ 33  Hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’ 34  Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. 35  Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’ (NBV)

Die Jezus van Nazareth leek wel gek. De toeloop naar zijn huis was zo groot dat hij niet eens toekwam aan een fatsoenlijke maaltijd. Iedereen leek wel deel te willen hebben aan zijn nieuwe Koninkrijk van de Liefde. Fatsoenlijke mensen trokken het gedrag van Jezus overigens direct in het kwade, het kwade maakt je immers schijnbaar sterk. Van het goede dat je wil doen is nog wel eens misbruik te maken, van het kwade dat je wil doen lukt dat meestal niet. Jezus gaat er direct tegen te keer. Het uitdrijven van het kwade kan niet kwaad zijn, zorgen dat iedereen kan meedoen aan de nieuwe samenleving van liefde en rechtvaardigheid is geen zaak voor het kwade, daar is voor het kwade zelfs geen plaats. Als dat zo zou zijn dan was het een gespleten gemeenschap, en een gespleten gemeenschap is geen gemeenschap. Wij kennen dat maar al te goed. Als iedereen hetzelfde doet voelen we ons veilig, dan weten we waar we aan toe zijn. Als er enkelingen zijn die van dat gemeenschappelijk gedrag afwijken dan weten we ze nog wel als zonderlingen te plaatsen.

Maar als er grote groepen zijn die er andere gebruiken en gewoonten op na houden dan wordt het eng. Dan voelen we ons snel bedreigd. Als we dan ook niet erg geloven in de waarde van wat we zelf aan gewoonten hebben dan wordt het helemaal eng, die anderen zouden zich eens beter kunnen voelen. We hebben dan een keus uit twee mogelijkheden. Of we zetten ons af tegen die vreemden, of we proberen er samen een nieuwe samenleving van te maken. Kiezen voor de eerste mogelijkheid levert een innerlijk verdeelde gemeenschap op, die houdt dus geen stand volgens Jezus van Nazareth, de tweede levert een nieuwe samenleving op, een samenleving waarin iedereen weer mag meedoen. Hopelijk laten al die mensen die zich nu door angst voor het nieuwe, voor het andere, laten verleiden op tijd voor de volgende verkiezingen hun angst varen. Het sprookje van de maagdelijke geboorte van Jezus en de bijna goddelijkheid van zijn moeder Maria moet eigenlijk ook maar eens uit zijn. Het doet afbreuk aan het verhaal, het goede nieuws, dat Jezus van Nazareth wil verspreiden. Jezus van Nazareth had een moeder. Maria zegt het verhaal. En hij had een aantal broers. Andere handschriften als die voor de Nieuwe Bijbelvertaling zijn gebruikt spreken zelfs van broers en zusters. Die maagd was gewoon een oude manier om een jonge vrouw aan te spreken. Uit de discussie die in dit deel van het verhaal ontstaat blijkt dat Jezus van Nazareth echte broers heeft. Eén van de broers zou volgens het verhaal dat door Lucas in Handelingen is opgetekend nog een belangrijke rol in de eerste gemeente in Jeruzalem spelen.

Maar vandaag houden we ons bezig met het belang van de familie. Die moeder en broers dringen zich niet op aan Jezus. Het was zo druk in het huis van Jezus dat hij immers nauwelijks de tijd had om te eten. Ze blijven daarom op een afstand. Er zijn echter altijd mensen die denken het fatsoen te dienen. Je familie gaat voor, je familie gaat voor de armen, de zieken, de zwakken, de mensen die buitengesloten zijn. Maar niet bij Jezus. Het goede nieuws is dat al die mensen mee mogen doen en dus familie zijn, net zo belangrijk en net zoveel aandacht waard. Moeder Maria moet het er maar mee doen zou je zo denken. Maar al voor de geboorte van haar beroemde zoon zong ze van een wereld waar de machtigen van de troon gestoten werden en de onvruchtbaren vruchtbaar zouden zijn. De omgekeerde wereld. Van een protest van de familie is in dit verhaal dan ook geen sprake, de familie voelde zich kennelijk in het geheel niet beledigd maar wist haar plaats. De verering van Maria als meer dan andere mensen, zoals in sommige schijnbaar christelijke kerken, slaat dan ook nergens op. De energie en het geld dat daarin gestoken wordt kan beter gestoken worden in de armen. Voedselbanken moeten mensen weigeren omdat ze geld, mensen en voedsel tekort komen. Haal de Mariabeelden maar uit de kerken, verkoop het goud en de diamanten waarmee ze zijn bekleed en besteed het aan een wereld waar de familie van Jezus, de onderkant van onze samenleving, weer de boventoon voert.

Hij sprak hen bestraffend toe

vrijdag, 8 juni, 2018

Marcus 3:7-19

7  Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde hem. Ook uit Judea 8  en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar hem toe, omdat ze hadden gehoord wat hij allemaal deed. 9  Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen. 10  Allerlei zieken verdrongen zich om hem aan te raken, want hij had al veel mensen genezen. 11  Telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ 12  Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie hij was. 13 Hij ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar hem toe. 14  Hij stelde twaalf van hen aan als apostel; ze moesten hem vergezellen, en hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken. 15  Ze kregen de macht om demonen uit te drijven. 16  De twaalf die hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam Petrus gaf, 17  Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent), 18  Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs 19  en Judas Iskariot, die hem heeft uitgeleverd. (NBV)

Iedereen mocht meedoen met het nieuwe Koninkrijk van Jezus. Overal vandaan stroomden de mensen toe, zieken raakten hem aan om genezen te worden, konden zij ook weer meedoen. De toeloop werd zo groot dat Jezus in een boot moest gaan staan om de mensen te kunnen toespreken. Godslasteraars die het kwaad met hem voorhadden maakten het rumoer nog groter dan het al was. Die werden dan ook bestraffend toegesproken. Jezus wilde niet groter dan de mensen zijn, iedereen moest echt kunnen meedoen. Dat is tegenwoordig wel anders. Kijk maar eens naar de verkiezingscampagnes,  dan krijgen we weer die strijd tussen een aantal mensen die zichzelf als persoon de betere vinden dan een ander. Dat het gaat om een vreedzame en rechtvaardige samenleving waarin ook de minsten en de zwaksten onder ons mee kunnen doen wordt vergeten. Zelfs de apostelen van Jezus hadden het overigens nog wel eens over wie onder hen de meeste kon zijn.

De twaalf apostelen. Ze zijn een begrip geworden in taal en cultuur. Marcus heeft ze op deze manier in zijn verhaal opgenomen. De andere schrijvers van evangeliën zijn er wat genuanceerder over. Het getal twaalf heeft een bijzondere betekenis. Als je 12 mensen aanstelt om het goede nieuws te vertellen dan mag je gelijk zeggen dat je het hele volk Israel het goede nieuws hebt vertelt. En daar gaat het om. Daarom krijgen ze ook de kracht om demonen uit te drijven, want de kwade krachten onder de mensen waren volgens het verhaal van Marcus voortdurend bezig Jezus in een kwaad daglicht te stellen. Dat kwade daglicht is nog steeds een beproefd middel om de publieke opinie te bespelen. In Amerika leeft de huidige president er van. Politieke tegenstanders, landen die hun eigen belang voorop stellen en vooral de pers die een eerlijke weergave van de staat van het land probeert te geven, worden afgeschilderd als nietsnutten, dieven en leugenaars.

In ons land zijn vreemdelingen zijn vaak het slachtoffer van moddergooien. Als Nederlanders wat te snel sympathie lijken op te brengen dan zijn de vreemdelingen criminelen die hun cultuur en geloof en ons willen opdringen. Of oorlogsmisdadigers die hun eigen land ontvluchten om daar hun straf te ontlopen. Alle Afghaanse mannen zijn zo tot oorlogsmisdadiger verklaard hoewel in hun eigen land niemand hen wil vervolgen of bestraffen en er tegen individuen vaak ook geen enkel bewijs is voor wat voor misdrijf dan ook. Ook wij moeten dus kijken wie er met modder gooit, het kwaad in de wereld verspreid en  dat aan zoveel mogelijk mensen duidelijk maken. Ook wij zijn dan verspreiders van het goede nieuws, het Koninkrijk waaraan iedereen kan mee doen, is echt dichterbij dan je denkt.

 

Zwakken en armen zuchten onder het geweld

donderdag, 7 juni, 2018

Psalm 12

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De achtste. Een psalm van David. 2 Grijp in, HEER ! Niemand is nog trouw,  geen mens spreekt nog waarheid. 3 Ze beliegen elkaar allemaal, vals en verraderlijk is hun woord. 4 HEER, snijd hun valse tongen af, snoer de monden vol grootspraak 5 die zeggen: ‘Met onze tong zijn we sterk, onze mond helpt ons, wie kan ons aan?’6 Zwakken en armen zuchten onder het geweld-‘ Om hen sta ik op, ‘zegt de HEER, ‘ik breng de redding die zij verlangen.’7 De woorden van de HEER zijn zuiver als zilver, gesmolten in de smeltkuil, gelouterd tot zevenmaal toe. 8 Behoed hen, HEER, bescherm hen steeds tegen dat volk. 9 Overal sluipen verraders rond en onder de mensen verbreidt zich het kwaad.(NBV)

Vandaag zingen we een roep om bevrijding met de Bijbel mee. Wie er bevrijd moeten worden? Ze worden in deze Psalm niet met name genoemd. Maar van wie er bevrijd moet worden wel. Van de leugenaars en de grootsprekers moeten we bevrijd worden. En daarvan wil iedereen wel bevrijd worden, daarvan moet de hele samenleving bevrijd worden. De zwakken en de armen zuchten onder het verbale geweld van de leugenaars en grootsprekers. Wie kijkt naar de woorden van God die ziet dat die zuiver zijn, zuiver als het gezuiverde edelmetaal dat we kennen, zeven maal is het gesmolten en van de verontreinigingen ontdaan zingt de Psalm ons toe. Juist door die zuiverheid van het Woord van de God van Israël kan die opstaan tegen dat volk.

Je mag dan ook gerust vragen waar we het dan over hebben. De armen in onze samenleving kennen ze wel. Het zijn de rijken die roepen in tijden van grote werkloosheid dat het eenvoudig is voor iedereen om werk te vinden. Dat de uitkeringen te hoog zijn en dat er daardoor zo’n hoge werkloosheid is en het geringe aantal banen maar een bijkomende factor is. Dat lage uitkeringen de koopkracht van het volk vermindert en dat daardoor de economische motor van consumptie en productie tot stilstand komt wordt verzwegen. Dat het vertrouwen van consumenten daalt en aankopen worden uitgesteld juist bij onzekerheid over uitkeringen en pensioenen hoor je maar van een heel enkele econoom Dat samen delen zoals de Bijbel ons voorhoudt ons rijker maakt hoor je bijna helemaal niet meer. Nee de chronisch zieken moeten de mogelijkheden om zelfstandig te leven worden afgenomen.

Dat bemiddelingsbureaus frauderen en niet de patiënten ontgaat menigeen. Dat controle op de toeslagen van de belastingdienst volledig zijn wegbezuinigd wordt verzwegen. Controle moet je immers alleen op de armen uitoefenen, daarvoor moet je de vreemdelingen in je midden gewoon in de gevangenis zetten. De grootspraak en de leugens van de rijken vliegen je dag in dag uit om de oren. Pas laat in de avond zie je een enkele keer de rijen voor de voedselbanken of de zielige oudere werknemers die geen werk meer kunnen vinden. Dat het de rijken zijn die niet willen delen, niet willen afzien van buitensporige beloningen als bonussen en exorbitante salarissen hoor je nergens meer. Tijd om de Bijbel te laten spreken, daar klinkt nog dat je de naaste lief moet hebben als jezelf, dat is de maatstaf die in elk bedrijf en elke organisatie moet worden aangelegd. Dan gaat ons land weer bloeien. Elke dag opnieuw kunnen we deze maatstaf aanleggen, ook vandaag weer.

In het dodenrijk worden de goddelozen stil

woensdag, 6 juni, 2018

Job 3:1-26

1 Daarna opende Job zijn mond en vervloekte de dag van zijn geboorte. 2  Hij zei: 3  ‘Laat de dag dat ik geboren ben vergaan, en ook de nacht die zei: “Een jongen is verwekt.” 4  Laat die dag een dag van duisternis worden, laat God in de hemel er geen acht op slaan. Laat die dag niet baden in het licht. 5  Laat het diepste donker hem omhullen, een dichte wolk hem bedekken en een zonsverduistering hem teisteren. 6  Laat het donker die nacht wegnemen, zodat hij geen dag van het jaar vergezelt, en geen plaats vindt in de reeks van maanden. 7  Laat die nacht onvruchtbaar worden-een nacht waarin geen vreugdekreet opklinkt. 8  Laten zij die het licht wekken die dag vervloeken, zij die het wagen om Leviatan te verstoren. 9  Zelfs de ochtendsterren zullen niet verschijnen, die dag verwacht vergeefs de komst van het licht en zal nooit de wimpers van het morgenrood zien. 10  Hij opende de deuren van mijn moeders buik, hij hield het ongeluk niet voor mij verborgen. 11 Waarom ben ik niet in haar schoot gestorven, niet gestikt toen ik ter wereld kwam! 12  Hadden knieën mij maar niet ontvangen en borsten mij maar niet gezoogd! 13  Dan zou ik nu geborgen in de aarde liggen, dan zou ik geen zorgen hebben, ik zou slapen, 14  omringd door koningen en raadsheren, bouwers van paleizen, al vergaan tot puin, 15 tussen machtigen die goud bezaten en die hun huis met zilver vulden. 16  Was ik maar als een misgeboorte weggestopt, als een kind dat het licht nooit heeft gezien. 17  In het dodenrijk worden de goddelozen stil, zij die uitgeput zijn, vinden daar hun rust. 18  Gevangenen worden niet meer opgejaagd, de stem van de drijver horen ze niet meer. 19  Daar zijn hoog en laag verzameld en is de slaaf vrij van zijn meester. 20 Waarom geeft God het licht aan ongelukkigen, het leven aan verbitterden? 21  Zij wachten op de dood die uitblijft, ze zoeken naar hem, meer dan naar schatten; 22  hun vreugde kent geen grenzen, ze jubelen als ze hun graf gevonden hebben. 23  Waarom geeft God het licht aan hem voor wie de weg verborgen blijft, wie hij de weg verspert? 24  Ik heb geen ander voedsel dan verdriet, mijn klachten stromen in een vloed van tranen. 25  Wat ik vreesde, komt nu over me, wat mij angst aanjoeg, heeft me getroffen. 26  Ik vind geen vrede, vind geen kalmte, mijn rust is weg-onrust bevangt mij.’ (NBV)

Voor Job maakt het aanbreken van een nieuwe dag niet meer uit. Hij wenste wel dat hij dood was, ja zelfs nooit geboren was, ja zelfs nooit verwekt was. Maakt Job er nu een einde aan? Dat lijkt toch hetgeen hij wil? Nee, over die gedachte staat in het hele boek Job in het geheel niets. Hoe ver Job ook heen is, het leven is te kostbaar om te verliezen. Het lijkt er eerder op dat Job zo somber wordt omdat hij zijn leven dreigt te verliezen aan ziekte en rampspoed. Er staat iets over hen die het wagen de Leviatan te verstoren. We kennen dat monster niet maar sommige vertalers vermoeden het dat het wijst naar de krokodillen die in de Nijl voorkomen. Tegen de ochtend maakt de warmte van de zon ze wakker waarna ze op zoek gaan naar voedsel. Voor iemand zo zwak en ziek als Job zou dat een nieuwe bedreiging zijn. De dag is geen bevrijding maar een nieuwe kans op rampen. We denken er vaak zo gemakkelijk over, achter de wolken schijnt de zon, na regen komt zonneschijn.

Je wordt er moe van. Alles doe je goed, je probeert zelfs dingen goed te maken die misschien verkeerd zijn gegaan. Zonder naar resultaat voor jezelf te vragen doe je goed. En dan kom je in de grootste ellende. Job wordt er wanhopig van. Je kunt dan maar beter dood zijn. Want in de dood is iedereen weer gelijk. Daar is geen onderscheid tussen de armen en rijken, tussen slaven en vrijen. Daar geldt de wet van recht en rechtvaardigheid weer, de dood is immers voor iedereen. Jeremia schreef er ook al over. Die was niemands schuldeiser en had bij niemand schulden toch klaagde hij er over door iedereen te worden vervloekt. Jeremina beklaagde zijn moeder dat zij hem moest baren, Job vindt het beter dat dat maar nooit was gebeurt. Veel vrijwilligers die zich met vluchtelingen bezig houden voelen Zich dezer dagen precies als Job, en misschien Jeremia. Ze kennen mensen die zo angstig waren voor vervolging dat ze nooit en tegen niemand de volledige waarheid vertelden.

Pas na jaren ontstond er een vertrouwen, soms ook op basis van een gedeeld geloof in het verhaal van Israel en van Jezus van Nazareth. In dat vertrouwen kwamen de verhalen los die waren zij van  begin af aan verteld direct tot een vluchtelingenstatus hadden geleid. Nu dreigen die mensen te worden uitgezet vanwege het niet helemaal vertellen van de waarheid tegen mensen in dreigende uniformen en onverschillige vermoeide ambtenaren.  Je moet elkaar kunnen vertrouwen maar vertrouwen moet je winnen. Wij willen het vertrouwen niet winnen van vreemdelingen die dat vertrouwen wellicht nodig hebben. Onze politici zijn niet te vertrouwen, maar zij zijn als wijzelf, zij vertegenwoordigen ons immers. Daarom zitten er ooit vooraanstaande politici in de gevangenis. Zijn nietsnutten en zakkenvullers nu arm omdat alles hen is afgenomen. Maar ook die zuivering hielp niet. Kinderen die hier zijn geboren en opgegroeid worden uit hun basisschool geplukt om naar een hen onbekend en bedreigend land gestuurd. Ooit hoorden we de oproep voor het leven te kiezen, die oproep klinkt ook tot Job, en de treurenden onder ons.

Ondanks alles zondigde Job niet

dinsdag, 5 juni, 2018

Job 2:1-13

1 Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de HEER, en ook Satan maakte bij hem zijn opwachting. 2  De HEER vroeg aan Satan: ‘Waar kom je vandaan?’ Hij antwoordde: ‘Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde.’ 3  De HEER vroeg aan Satan: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad. Ja, hij is nog even onberispelijk als altijd, en jij hebt mij ertoe aangezet hem zonder reden te gronde te richten.’ 4  Hierop zei Satan: ‘Zijn leven is hem alles waard. Daarvoor geeft hij zijn hele bezit. 5  Maar als u uw hand naar hem uitstrekt en zijn lichaam aantast, zal hij u ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken.’ 6  Toen zei de HEER tegen Satan: ‘Goed, doe met hem wat je wilt, maar spaar zijn leven.’ 7 Hierop vertrok Satan en overdekte Job van voetzool tot kruin met kwaadaardige zweren. 8  Job pakte een potscherf om zich te krabben, terwijl hij in het stof en het vuil zat. 9  Zijn vrouw zei tegen hem: ‘Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God toch en sterf.’ 10  Maar Job zei tegen haar: ‘Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord. 11 Drie vrienden van Job, Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma, hoorden van de rampspoed die hem had getroffen, en ze besloten hem op te zoeken. Onderweg ontmoetten ze elkaar, en samen gingen ze naar hem toe om hun medeleven te tonen en hem te troosten. 12  Toen ze Job vanuit de verte zagen herkenden ze hem niet, en ze barstten uit in luid geweeklaag, ze scheurden hun kleren en wierpen stof omhoog over hun hoofd. 13  Zeven dagen en zeven nachten bleven ze naast hem op de grond zitten zonder iets tegen hem te zeggen, want ze zagen hoe vreselijk hij leed. (NBV)

Als we al het goede van God krijgen zullen we dan het kwade niet op de koop toe nemen? Het is de geloofsbelijdenis van Job. Het doen van de liefde, het vasthouden aan recht en rechtvaardigheid is niet altijd eenvoudig. Als je alles kwijt bent, zoals Job en dan ook nog ziek wordt lijkt het of het leven zinloos wordt. Zelfs je vrouw wil eigenlijk dat je sterft. Wat moet je ook met zo’n man. Voor Job blijft de zin van het leven zitten in vasthouden aan eerlijk delen, aan respect voor het leven. Hij wordt daarin in eerste instantie gesteund door zijn vrienden die bij hem zijn. Troost is dan ook niet het spreken van mooie woorden, troost is doen wat God heeft beloofd, Ik Zal Er Zijn, noemde God zich toen naar zijn naam werd gevraagd. Zo zijn die vrienden er dus ook. Dit is toch wel een heel andere manier van omgaan met rechtvaardigheid als we vandaag in het nieuws meemaken.

Dat er zijn is in onze samenleving vaak wegbezuinigd. Ja, die vrienden zijn van harte welkom. Ze worden mantelzorgers genoemd. Mensen die om niet de zorg verlenen waar anders duur voor moet worden betaald. En dat betalen dat gaat dus niet, dan gaan de zorgkosten stijgen. Als we de uren die mantelzorgers in de zorg steken zouden moeten betalen dan was de zorg nu al onbetaalbaar. En die mantelzorgers zijn niet de rijken. Als je voldoende geld hebt dan huur je particuliere hulp in. Als je geen geld heb dan ben je gedwongen om je zelf in te zetten. Mensen met minder geld hebben het dus gemakkelijker om de Weg van de God van Israël te volgen zoals Jezus van Nazareth ons dat heeft voorgedaan.

Maar de Bijbel gaat over eerlijk delen. Job heeft dat ons voorgedaan. Zijn bezit kwam niet van hem zelf. Het was geen verdienste maar een geschenk. Wij hebben geen rijken, geen leiders van grote ondernemingen die hun positie, hun rijkdom, zien als een geschenk van God. Zij menen er recht op te hebben. Maar het recht op rijkdom bestaat niet. De Bijbel is overigens niet tegen rijkdom maar tegen armoede. En de houding van Job die alles als een geschenk van God aanvaart is een voorbeeld daarvan. Job ervaart het overigens niet lijdzaam zonder protest, maar dat komt later in het verhaal. Voor ons is het waarschijnlijk tijd om te veranderen misschien, ook al lijkt dat moeilijk, een lot als Job is dan wellicht toch beter.

Hij maakte God geen enkel verwijt

maandag, 4 juni, 2018

Job 1:13-22

13 Toen Jobs zonen en dochters op een dag weer in het huis van hun oudste broer zaten te eten en te drinken, 14  kwam er een boodschapper bij Job en zei: ‘De runderen trokken de ploeg en de ezelinnen liepen vlakbij in de wei te grazen, 15  maar plotseling werden we overvallen door de Sabeeërs, die het vee roofden en de knechten met hun zwaarden doodden. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is.’ 16  Nog voordat de boodschapper uitgesproken was, kwam er een volgende met het bericht: ‘Een verwoestende bliksem uit de hemel trof de schapen en geiten en de knechten, en het vuur verbrandde en verteerde allen. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is.’17  En ook hij was nog niet uitgesproken, of er kwam een volgende met het bericht: ‘De Chaldeeën overvielen ons van drie kanten en roofden de kamelen, en ze doodden de knechten met hun zwaarden. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is.’  18  Ook deze boodschapper was nog niet uitgesproken, of er kwam een volgende met het bericht: ‘Uw zonen en uw dochters zaten in het huis van hun oudste broer te eten en wijn te drinken. 19  Maar plotseling werd het huis getroffen door een hevige storm uit de woestijn, zodat de vier muren instortten, en uw kinderen onder het puin bedolven werden en de dood vonden. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is.’ 20 ¶  Toen stond Job op, hij scheurde zijn kleren, schoor zijn hoofd kaal en wierp zich neer in het stof. 21  En hij zei: ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.’ 22  Ondanks alles zondigde Job niet en maakte hij God geen enkel verwijt. (NBV)

Job maakte God geen enkel verwijt. Nee Job niet, hij was niet gehecht aan bezit, hij wist dat rovers en dieven in de nacht je hele bezit kunnen wegroven. Hij wilde kennelijk ook niet horen bij het slag rijken dat we tegenwoordig kennen. Die rijken bevoordelen alleen zichzelf. Voortdurend zijn er discussie over exorbitante beloningen en salarisverhogingen waar gewone mensen zelfs nog nooit van hebben durven dromen. Deskundigen als de Nederlandse Bank zeggen dan dat ondanks de groei van de economie en de toenemende welvaart de loonstijging en de stijging van pensioenen en uitkeringen achter blijft. De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen staat er geschreven.  Maar die Heer zit niet in de Raad van Bestuur of de Raad van Commissarissen.

Die “heren” kunnen ten val worden gebracht. Allereerst moeten we dan gaan geloven dat het navolgen van de goddelijke richtlijnen van Liefde en recht een betere wereld oplevert. Het is zo’n soort geloof als dat van Job, die ging delen met armen en vreemdelingen als hij dacht dat zijn kinderen dat zouden kunnen zijn vergeten. Dan moeten we de ondersteuners van die zelfverrijkers wegsturen, Oud politici, gepensioneerde voorzitters van raden van bestuur in ondernemingen die ook altijd al de eigen winst boven de armen en het milieu stelen. Dan moeten we vakbonden als CNV en FNV actief steunen, zonder instemming van hun leden beginnen ze immers niets. En we moeten de Ondernemingsraden versterken, te vaak worden ze niet ondersteund door de collega’s die ze vertegenwoordigen.

Iedere werknemer heeft een eigen verantwoordelijkheid, iedere gelovige heeft er zelf voor te zorgen dat we samen op weggaan naar het Koninkrijk van God. We doen het per slot van rekening zelf. Maar ook wij zullen rekening moeten houden met de verwarrer. Er zijn tal van redenen aan te voeren waarom de rijken rijker moeten worden en de armen armer. De liefde voor de naaste zou toch echt ook de liefde voor het inkomen van de rijken, de bazen, moeten zijn. Voor loonslaven moet toch gezorgd kunnen worden en daar verdienen die zorgers een best inkomen aan. De Bijbel leert ons dat onze God te vinden is aan de kant van de armen, van de minsten, van de gehandicapten, de ouderen en de chronisch zieken. Aan ons de keus waar wij willen staan.

Een man die Job heette

zondag, 3 juni, 2018

Job 1:1-12

1 In het land Us woonde een man die Job heette. Hij was rechtschapen en onberispelijk, hij had ontzag voor God en meed het kwaad.
2 Job had zeven zonen en drie dochters. 3  Hij bezat zevenduizend schapen en geiten, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen en een groot aantal slaven en slavinnen. Hij was de aanzienlijkste man van het Oosten.
4 ¶  Zijn zonen hadden de gewoonte om de beurt een feest te geven, ieder in zijn eigen huis, en nodigden dan hun drie zusters uit om bij hen te komen eten en drinken. 5  Nadat elk van zijn zonen zo’n feest had gegeven, liet Job hen bij zich komen voor een reinigingsritueel. Hij stond dan ‘s ochtends vroeg op om voor elk van hen een offer te brengen, want hij dacht bij zichzelf: Misschien hebben mijn kinderen wel gezondigd en God in hun hart vervloekt. Job deed dit telkens weer. 6 Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de HEER, en ook Satan bevond zich onder hen. 7  De HEER vroeg aan Satan: ‘Waar kom je vandaan?’ Hij antwoordde: ‘Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde.’ 8  De HEER vroeg aan Satan: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad.’9  Satan antwoordde de HEER: ‘Zou Job werkelijk zonder reden zoveel ontzag voor God hebben? 10  U beschermt hem immers, evenals zijn gezin en alles wat hem toebehoort. U hebt het werk dat hij doet gezegend, zodat zijn bezit zich steeds meer uitbreidt. 11  Maar als u uw hand naar hem uitstrekt en aantast wat hem toebehoort, zal hij u ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken.’
12  Toen zei de HEER tegen Satan: ‘Goed, met alles wat van hem is mag je doen wat je wilt, maar raak Job zelf niet aan.’ Hierop vertrok Satan. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek Job. Dat hebben we  jaren geleden ook al eens gedaan maar we zijn nu een flink aantal jaren verder en dan kan het geen kwaad nog eens te kijken of ons iets nieuws opvalt. Het boek Job behoort tot de zogenaamde wijsheidsliteratuur. In dit geval een boek geschreven om duidelijk te maken dat de liefde voor de Wet van de Liefde het begin is van alle wijsheid, in oude taal heet het dat de vreze des Heeren het begin is van alle wijsheid. In het boek Job gaat het dus niet over hoe het echt in de Hemel of met God en de Satan gesteld is. De persoon van Satan heeft in de loop van de geschiedenis een hoop problemen opgeleverd. Dat het kwaad naast God een eigen persoon heeft is een opvatting uit een oud Oosters geloof uit Iran, Zarathustra was daar de profeet van. In de Joodse, en daarmee ook in de Christelijke traditie klopt dat geloof van Zarathstra niet. Er is één God, de God van Israël, daarnaast bestaan geen andere goden.

Het verhaal begint dan ook met het gerechtshof van die God waar een verwarrer zich komt melden om mensen te beproeven. Verwarrer is de letterlijke vertaling van Satan. Het boek Job is dus een echte oosterste vertelling. In dit geval heeft het verhaal een boodschap  en is het verhaal bedoeld om de boodschap duidelijk te maken. Het verhaal gaat niet over een arme sloeber maar over een rijk man. Een man ook die verantwoordelijkheid neemt voor de daden van zijn kinderen. Als zijn kinderen een feest geven geeft Job er ook een. Het feest van Job is er dan een volgens de leer van Mozes, niet alleen de famillie mag mee eten maar ook de armen uit de buurt, de dienaren van de tempel, de vreemdelingen en het personeel alsof ze bij de famillie hoorden. Stel dat je kinderen iemand vergeten zijn, Job wil dat hoe dan ook goed maken. Dat heet in Bijbelse termen een offer.

Nou is het gemakkelijk om goed te doen als je het goed hebt. Kijk maar eens naar de nieuwe regering. Je laat arbeiders met een handicap, mensen die al jong gehandicapt zijn en mensen die aan de bodem van het bestaan zijn beland gewoon het cadeau aan de rijken, die geen dividend belasting hoeven te betalen, betalen . Nu zijn ze weer populair want ze doen net of ze teruggeven wat ze eerst hebben afgepakt. Dat doen ze natuurlijk niet echt. Compensatie voor de gestegen energieprijzen is er alleen voor grootverbuikers, Shell en Esso krijgen geld van de regering om de schade in Groningen te herstellen. Om na te gaan hoeveel de liefde voor de God van Israël bij Job waard is moet hij het maar eens zonder bezit proberen. En het zou goed zijn de inkomen van de ministers deze zomer eens te verlagen tot het niveau van een bijstandsuitkering.

De sabbat is er voor de mens

zaterdag, 2 juni, 2018

Marcus 2:23–3:6

23  Eens liep hij op een sabbat tussen de korenvelden door. Zijn leerlingen gingen de velden in en begonnen aren te plukken. 24  ‘Kijk eens!’ zeiden de Farizeeën tegen hem. ‘Waarom doen ze iets dat op sabbat niet mag?’ 25  Maar hij antwoordde: ‘Hebt u dan nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen gebrek leden en honger hadden? 26  Hij ging het huis van God binnen-Abjatar was toen hogepriester-en at van de toonbroden, waarvan alleen de priesters mogen eten. En hij gaf ze ook aan zijn mannen te eten.’ 27  En hij voegde eraan toe: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat; 28  en dus is de Mensenzoon ook heer en meester over de sabbat.’ 1 Weer ging hij naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand. 2  Ze letten op hem om te zien of hij die op sabbat zou genezen, zodat ze hem zouden kunnen aanklagen. 3  Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’ 4  Aan de anderen vroeg hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen. 5  Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in. 6  De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen overleggen hoe ze hem uit de weg zouden kunnen ruimen.(NBV)

Zijn de mensen er voor de regels of zijn de regels er voor de mensen. Het is de vraag uit het verhaal van vandaag. Het is eigenlijk een rare vraag want in onze samenleving worden de regels gemaakt door mensen omdat er mensen zijn die de regels nodig hebben om elkaar geen problemen te bezorgen. Maar als de regels er eenmaal zijn maken mensen misbruik van die regels door ze zo toe te passen dat ze zelf meer macht krijgen. De regels zijn er dan niet voor de mensen, de mensen zijn er dan voor de regels. Het is die houding waar Jezus tegen te hoop loopt in het verhaal van Marcus. Want die rustdag is natuurlijk zeer nuttig. Wij zijn de Sabbath gaan vervangen door de zondag, niet de laatste maar de eerste dag van de week is bij ons centraal komen te staan, de Zondag is dus niet een nieuwe Sabbath. Maar op dit moment zijn we die zondag aan het offeren aan de goden van winst en profijt. Het gevolg is niet dat we niet meer vrij hebben maar dat we niet meer samen vrij zijn, dat er geen dag in de week meer is dat echt iedereen vrij is en dat iedereen mee kan doen met het plezier dat een echte samenleving kan bieden.

We vergeten daarmee dat onze samenleving er is voor de mensen en niet voor winst en profijt. Daarom is er geen tijd meer om nieuwe mensen in de buurt te leren kennen, samen te eten met je buurt of zelfs met je dorp of met de hele stad, met je familie en vrienden, maar ook met de armen en de vreemdelingen in ons midden. De zondag wordt niet meer de dag om de God van de Liefde te aanbidden en te oefenen in de dienst aan die God, je weet wel van heb je naaste lief als jezelf. Maar de zondag wordt de dag van consumeren en nog meer consumeren. Wie werkt verdient aan het consumeren en wie niet werkt zorgt dat er geconsumeert wordt. Het lijkt wel een bij uitstek religieuze dag geworden waar de kassabel en de pinautomaat de klank van de kerk en de collectezak hebben vervangen. Alleen gaat het bij deze religieuze beweging niet om het delen met elkaar, om te zorgen voor elkaar, om samen het leven te vieren, maar gaat het om de dingen, om het geld, om het meer en het beter.

Uit het verhaal van vandaag lees je dat je niet helemaal niks moet gaan doen op de Sabbat en dus al helemaal niet op de eerste dag van de week de Zondag. Je moet de mensen in het oog blijven houden. Zoals David toen hij op de vlucht was en honger had het brood uit de Tempel mocht eten, normaal alleen bestemd voor priesters, mochten de leerlingen het graan langs de rand van de akker eten. Dat graan was bij uitstek bestemd voor de armen, die kunnen het ook op Zondag arm hebben. Dat ze honger kunnen hebben is zelfs bij ons duidelijk. De voedselbanken hebben het extra druk en krijgen minder aangeleverd. Als we de zondag eens echt een religieuze dag willen maken dan zamelen we zondag zo veel mogelijk voedsel in voor de voedselbanken in onze stad. De Zondag is immers het feest van de opstanding tegen de dood, het feest van een nieuw soort leven, niet voor jezelf, niet voor andere goden, maar voor de ander, de minsten allereerst.