Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor de 'Column' categorie

Beroof een arme niet

dinsdag, 10 april, 2018

Spreuken 22:17-29

17 Schenk mijn kennis een aandachtig oor, luister naar de woorden van de wijzen. 18  Het is goed ze vast te houden, zodat je ze altijd op je lippen hebt. 19  Jou laat ik ze horen, nu, opdat je op de HEER vertrouwt. 20  Heb ik niet dertig spreuken voor je opgeschreven, vol kennis en goede raad? 21  Het is om je de waarheid te leren, waarachtige woorden, om een betrouwbaar antwoord te geven aan wie je heeft gestuurd. 22 Beroof een arme niet, hij is al arm genoeg. Vertrap een verschoppeling niet als hij terechtstaat in de poort. 23  Want de HEER verdedigt hun rechten, wie hen bedreigen, jaagt hij de dood in. 24 Ga niet om met een heethoofd, houd je niet op met een driftkop, 25  opdat je niet dezelfde weg gaat als hij en voor jezelf een valstrik zet. 26 Geef niet zomaar een handslag, sta niet zomaar borg voor een schuld. 27  Als je die niet kunt voldoen, halen ze je bed onder je vandaan. 28 Verplaats geen oude grenzen, je voorouders hebben ze vastgesteld. 29 Zie je iemand die bekwaam is? Hij komt in dienst van de koning, onaanzienlijken zal hij niet dienen. (NBV)

We hebben al eens gelezen dat het boek Spreuken de Wet van heb je naaste lief als jezelf tot een dagelijkse richtlijn wil maken. Wie het boek Spreuken goed bestudeert heeft zich als het ware een reeks zinnetjes ingeprent die je te binnen schieten als de situatie er om vraagt en jij voor de keus staat hoe te handelen. Tegenwoordig hebben we daar een wetenschap voor: de Ethiek, de leer van de kennis van goed en kwaad. Maar Spreuken gaat voornamelijk om het goede dat mensen kunnen doen. Het kwade is voorbehouden aan goddelozen en dwazen, aan onnozelen en luiaards. En zeg zelf, daar hoor je nooit zelf bij, dat zijn altijd anderen in wie je de omschrijving van het boek Spreuken kan herkennen. Toch is het niet eenvoudig om je voortdurend bewust te zijn van de richting in het leven die in de Bijbel ons wordt aangewezen. In de Synagogen is de gewoonte ontstaan om elke dag de richtlijnen uit de Bijbel in te prenten en te bespreken met elkaar. Daarbij gaat het er niet om wie gelijk heeft, maar welke mogelijkheden er zijn.

Centraal staat altijd de zorg voor de minsten. Ook in het gedeelte dat we vandaag lezen. De arme moet je niet beroven want hij is al arm genoeg. Daar spreekt niet direct liefde uit. Maar als je een arme tegenkomt en deze tekst uit Spreuken schiet je in gedachten zul je ongetwijfeld eerder bereid te zijn met de arme te delen zoals de Bijbel je er toe oproept. Spreuken is daarbij vaak wat optimistischer dan het boek Prediker. Als Spreuken het heeft over de rechtspraak, die traditioneel in de poort plaatsvond, dat roept hij op de verschoppeling niet te vertrappen, Prediker kijkt naar de plaats van het recht en ziet daar onrecht. Mensen tot hun recht laten komen, ongeacht het inkomen dat ze hebben is een plicht van de samenleving leert de Bijbel ons. De richtlijnen die de God van Israël ons geeft zijn een verdediging van de rechten van de armen en de minsten. Niet wie de beste advocaten kan betalen, de fraaiste redevoeringen en documenten op kan laten stellen, maar wie het recht aan zijn zijde heeft dient recht gedaan te worden.

Daarom moet je in het leven niet ondoordacht te werk gaan. Niet met heethoofden en driftkoppen op stap gaan, niet borg gaan staan als je niet kan overzien waarvoor. En vooral verplaats de grenzen niet. In een land dat ingedeeld is volgens een voortdurend proces van ruilverkaveling klinkt dat wat vreemd. Maar in Israël was dit van groot belang voor elke familie. Na de verovering van het land, onder Jozua, was het land zorgvuldig verdeeld onder alle families. Die moesten leven van het land dat hen was toebedeeld. Natuurlijk snapte men dat er families zouden zijn die in de loop van de jaren hun stuk grond kwijt zouden raken. Ziekte, ongelukken, oorlog, misoogsten en wat voor tegenslagen dan ook zouden daarvoor zorgen. Maar er was een uniek systeem om voor de armsten te zorgen. Na vijftig jaar kreeg iedereen het oorspronkelijke stuk land weer terug en kon dan opnieuw beginnen. Voor de inwoners van Israël was dat stuk land hun eigen plaats. Daarom trokken Jozef en Maria op naar Bethlehem, daar lag de plaats door God hen toebedeeld. Wij kennen dit systeem niet meer. Maar elke dag mogen we ons opnieuw inspannen de armen tot hun recht te laten komen, ook vandaag weer.

De mens noemde zijn vrouw Eva

maandag, 9 april, 2018

Genesis 3:1-24

1 Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ 2  ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten, ‘antwoordde de vrouw, 3  ‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ 4  ‘Jullie zullen helemaal niet sterven, ‘zei de slang. 5  ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’ 6 De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. 7 Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van. 8  Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. 9 Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’10  Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ 11 ‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’ 12  De mens antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij ter zijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’ 13  ‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de HEER, aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’ 14 God, de HEER, zei tegen de slang: ‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan, het vee zal je voortaan mijden, wilde dieren wenden zich af; op je buik zul je kruipen en stof zul je eten, je hele leven lang. 15  Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.’ 16 Tegen de vrouw zei hij: ‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last, zwoegen zul je als je baart. Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen.’ 17 Tegen de mens zei hij: ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. 18  Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven. 19  Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.’ 20 ¶  De mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden. 21 God, de HEER, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan. 22 Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. 23  Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. 24  En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken. (NBV)

“Alles is toegestaan, maar niet alles is nuttig” zou Paulus later schrijven. En ook hij had het over het goede en het kwade. Want ook al weet de mens dat het goede nu eenmaal ook het beste is en het kwade altijd te vermijden en verwerpelijk, toch gaat de nieuwsgierigheid van de mens altijd naar het kwade uit. De schrijvers van de Bijbel wisten dat. En uit het verhaal van de tuin die God geschapen had en waarvan God had gezien dat het goed was komt de vraag naar het kwade. Hoe zit dat dan? Er is een dier dat zich ongestraft over een boom zou kunnen bewegen die God verboden zou hebben. Dat is de slang, hier staat hij als een sluw, dier maar dat woord wordt elders vertaald met slim. Veel volken uit de tijd dat de Bijbel ontstond geloofden dat de slang een bijzonder dier was. Dat dier liet zijn vel achter en vernieuwde zo zelf zijn leven. En dat beeld wordt hier gebruikt. Als de mens heer is over de dieren dan zal de mens dat vermogen toch ook wel hebben? Dan kan het zelf zijn leven vernieuwen? En dan weten we gelijk van goed en kwaad.

En dan begint het vinger wijzen en etiketten plakken. De vrouw heeft mij er van gegeven, de slang heeft mij misleid. Het volk van Israël heeft maar één God, de schepper van hemel en aarde. Dat goddelijke dier dat zijn leven kon vernieuwen door zijn huid af te werpen is maar een stofkruiper wiens huid sneller slijt door zijn manier van voortbewegen. Als je etiketten van kwaad gaat plakken is het paradijs voorbij. Dan moet er gewerkt en gezwoegd worden. Dan is het plukken van de oogst geen vreugdevolle handeling meer maar zware arbeid. Dan groeit er geen groen om van te leven maar onkruid dat je voedsel bedreigt. Dan ben je door God gevormd uit de rode aarde, maar dan moet je ook maar naar de rode aarde terugkeren, stof ben je en stof zul je weer worden. We kunnen het ook achter ons laten, goed en kwaad laten varen en ons weer richten op het goede en niet dan het goede. Zo begonnen we met Paulus.

De Bijbel vertelt ook dat het verhaal niet uit is met de komst van het kwaad. Pas toen de mens als de dieren in mannetjes en vrouwtjes was geworden en als God kennis van goed en kwaad droeg, kreeg de mens een naam. De vrouw werd Eva genoemd. En als de dieren droeg de mens voortaan kleding, dierenvellen. En de boom van het leven werd onbereikbaar. De tuin waarin het plukken van de bomen een vreugde was werd afgesloten en de aarde waarin je zwetend en ploeterend je brood moet verdienen werd ontsloten. Toen ook moest er om vruchtbaarheid en kinderen gewerkt worden. Zo kreeg ook de man een naam, hier voor het eerst als eigennaam, de mens heette Adam en verwekte nageslacht. Het werd een zoon, Kaïn, niet dat Eva gedacht had een man te baren, uitdrukkelijk stelt ze dat het gebeurde met behulp van God. Zo blijven we alles krijgen van God, we krijgen het om te delen, niet om er zelf beter van te worden. Dat is het verhaal over het goede, in dat verhaal mogen we ook elke dag weer meedoen.

Eindelijk een gelijk aan mij

zondag, 8 april, 2018

Genesis 2:18-25

18 God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. 19  Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. 20  De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste. 21 Toen liet God, de HEER, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees. 22  Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij de mens. 23  Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’24  Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt. 25  Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar. (NBV)

De uitroep die je hier boven ziet staan die hoor je tegenwoordig maar weinig meer. Mannen roepen dat niet als ze vrouwen zien, vrouwen roepen dat niet als ze mannen zien. Tegenwoordig doen we of mannen en vrouwen zeer verschillen. In het Hebreeuws klinken de woorden voor man en vrouw echter bijna hetzelfde en dat maakt dat wat hier gezegd wordt, een gelijk aan mij, een bijzondere lading krijgt die we niet uit het oog moeten verliezen. In Bijbelse zin, in de Christelijke gemeente, spelen de verschillen tussen man en vrouw geen rol. Ze worden één lichaam, want ze zijn van oorsprong één lichaam en zo keken ze van oorsprong ook naar elkaar. Ze zullen dan ook samen de opdracht te krijgen zich te vermenigvuldigen en de aarde te bevolken.

Van begin af aan is de mens dus niet geschapen als individu maar als meervoud. En dat de mens dan één vlees worden? Een grote Joodse geleerde gaf aan dat man en vrouw samen kinderen krijgen en in die kinderen is het ene vlees dat ze geworden zijn zeer zichtbaar. Het verhaal van Genesis gaat over de schepping, waar komt alles vandaag en waar gaat alles heen. Er ongelijkheid van mensen aan ontlenen is dus niet aan de orde. Wie dat doet legt een eigen verlangen in de Bijbelse teksten. Zelfs de liefde voor mensen van het eigen geslacht die mensen soms hebben speelt hier geen rol. Waar mensen op moeten letten is op het doorgeven van liefde aan de volgende generatie. In onze dagen kan dat ook middels adoptie, een middel waar juist liefde mee kan worden doorgegeven.

In het verhaal van Genesis begint de mens te zingen als die de helper ontmoet die God gebouwd heeft. Die vrouw is een mens zoals een mens is, van hetzelfde gebeente, van hetzelfde vlees, de vrouw. En wie is dan de helper van wie? God heeft de mens geschapen, man en vrouw schiep hij hen. God schiep niet de mens om later een fout te herstellen door een vrouw te scheppen. De mens hoort bij de aarde, de mens kan de helper onder de dieren zoeken. De mens is kennelijk één van de dieren. Maar de mens is net zo vreemd van de dieren als alle soorten dieren vreemd zijn voor elkaar. Zo komt het dat een mens is geroepen tot een dierlijke taak, voortplanten. Elk dier plant zich voort en zo is de mens ook geschapen. Niet iets om je voor te schamen maar iets om dankbaar voor te zijn. En elke positieve bijdrage aan de aarde helpt die voortplanting. Je hoeft je dus nooit voor je zelf te schamen.

 

God schiep de mens

zaterdag, 7 april, 2018

Genesis 2:4b-17

4b In de tijd dat God, de HEER, aarde en hemel maakte, 5  groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkele plant opgeschoten, want God, de HEER, had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; 6  wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide. 7  Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. 8 ¶  God, de HEER, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt. 9  Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad. 10  Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen. 11  Een daarvan is de Pison; die stroomt om heel Chawila heen, het land waar goud gevonden wordt. 12  (Het goud van dat land is uitstekend, en er is daar ook balsemhars en onyx.) 13  De tweede rivier heet Gichon; die stroomt om heel Nubië heen. 14  De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assyrië. De vierde ten slotte is de Eufraat. 15  God, de HEER, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. 16 Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, 17  maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’ (NBV)

De Hebreeuwse Bijbel is veel minder droog en plechtig dan uit onze deftige Nederlandse vertalingen blijkt. Het Hebreeuws maakt vaak gebruikt van woordspelingen. Zo’n woordspel begint hier al in het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling. In het Nederlands horen of lezen we die woordspelingen helemaal niet meer terug. Ook niet in de Naardense Bijbel, of de Herziene Statenvertaling, of de vorige vertaling van het Bijbelgenootschap, of de Oude Statenvertaling. Het Nederlands laat dat nu eenmaal niet toe. Ook in Engelse, Duitse of Franse vertalingen of de oude Vulgaat zijn de Hebreeuwse woordspelingen niet terug te vinden. Dat moet ons extra voorzichtig maken met het letterlijk nemen van de vertaalde teksten. Wie losse teksten uit de Bijbel wil gebruiken moet zowel de grondtekst als de wijze van vertaling nauwkeurig verantwoorden bij het gebruik en die verantwoording wordt helaas maar al te vaak vergeten waardoor sommigen eerder hun eigen Bijbel schrijven dan het Woord van God overbrengen.

Wat is dan dat bijzondere woordspel dat hier plaatsvind. Dat begint met het uitgangspunt, de aarde, die was opnieuw in het verhaal woest en ledig, droog en dor zelfs want het had nog niet geregend. Maar in dit stuk zijn de woorden mens, aarde, land, aardbodem en akker allemaal woorden die in het Hebreeuws op elkaar lijken. De aarde moet bewerkt worden maar de mens ook, die de levensadem van God krijgt. En als dan de tuin is afgepaald en er bomen met vruchten opschieten dan moet de aarde bewerkt worden zodat er dieren ontstaan waarover de mens kan heersen. Dan moet vervolgens de mens bewerkt worden zodat die niet langer alleen is. Dat zijn dus geen losse gebeurtenissen maar uit de manier waarop het verhaal ons wordt verteld is het één proces, het verhaal over de wording van de mens en zijn verhouding tot de aarde.

Waar die ideale tuin overigens gelegen heeft is niet helemaal duidelijk. De meest stoutmoedige opvatting is dat de schrijver hier namen noemt die de tuin plaatsen in het midden van het land van de ballingschap. Daar waar het volk Israël na de verwoesting van de Tempel en Jeruzalem heengevoerd was lag het land, de bloedrode akker, waar de bloedrode mens uit gevormd was. Niet om de goden te dienen zoals de Babyloniërs geloofden, maar om de geliefden van God te zijn. Geliefden omdat zij zijn geboden zouden onderhouden. De mens wordt immers geroepen om te kiezen voor het leven en weg te blijven bij de kennis van goed en kwaad. Paulus zou zeggen dat we het goede moeten doen en niet dan het goede. Dat begon al bij het begin. Daar ging het om en daar gaat het om, ook vandaag nog. Ook dit verhaal spoort ons aan geen onderscheid tussen mensen te maken, niet de ene hoger te stellen dan de ander, geen oordeel over elkaar uit te spreken en je niet voor elkaar te schamen. Dat goede kunnen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

 

Je hebt geen kwaad meer te vrezen.

vrijdag, 6 april, 2018

Sefanja 3:9-20

9  Dan zal ik de lippen van de volken rein maken, zij zullen de naam van de HEER aanroepen, ze zullen hem dienen, zij aan zij. 10  Van over de rivieren van Nubië zullen zij die ik verstrooid heb mij komen vereren en mij hun offergaven brengen. 11  Op die dag hoef je je niet meer te schamen voor alle daden waarmee je tegen mij in opstand kwam. Wie van overmoed vrolijk is laat ik uit je midden verdwijnen, op mijn heilige berg zul je niet meer hoogmoedig zijn. 12  Ik zal een arm en zwak volk binnen je muren achterlaten dat in de naam van de HEER een toevlucht vindt. 13  Wie er van Israël overblijven, zullen niet langer onrecht doen, ze zullen geen leugens spreken, uit hun mond zal geen bedrieglijke taal meer klinken. Ze zullen weiden en rustig liggen, en niemand die ze stoort. 14  Jubel, vrouwe Sion, zing van vreugde, Israël, juich met heel je hart, vrouwe Jeruzalem! 15  De HEER heeft het vonnis over jou tenietgedaan en je vijand verdreven. De HEER, de koning van Israël, is in je midden, je hebt geen kwaad meer te vrezen. 16  Op die dag zal men tegen Jeruzalem zeggen: ‘Wees niet bang, Sion! Laat de moed niet zinken!’ 17  De HEER, je God, zal in je midden zijn, hij is de held die je bevrijdt. Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou, in zijn liefde zal hij zwijgen, in zijn vreugde zal hij over je jubelen. 18  Alle treurenden zal ik bijeenbrengen, verzamelen wie op je feesten moesten ontbreken. Hun vernedering drukte zwaar op de stad. 19  In die tijd zal ik afrekenen met je verdrukkers, de kreupelen zal ik redden, de verstrooiden bijeenbrengen. En hen die in de hele wereld werden veracht zal ik met eer en roem overladen. 20  In die tijd breng ik jullie terug. Ik zal jullie verzamelen, je zult met eer en roem overladen worden door alle volken op aarde. Met eigen ogen zullen jullie zien hoe ik je lot ten goede keer-  zegt de HEER. (NBV)

“Door het vuur van mijn woede vergaat heel de aarde” was de laatste regel van het lied dat we gisteren lazen. Maar dat is niet de laatste regel die van dit lied van Sefanja in de Bijbel staat. Vandaag lezen we het tweede deel dat onlosmakelijk bij het eerste deel hoort. Gaat het in het eerste deel over de kansen die we krijgen om die verwoesting van de aarde te ontlopen, vandaag gaat het over de aarde zoals die zal ontstaan als we die kansen ook grijpen. Dan klinken niet meer de namen van de afgoden, dan wordt er niet meer geroepen om winst en profijt. Dan klinkt alleen de naam de van God van Israël, die er zijn zal zoals hij er zal zijn. Nubië, of Ethiopië zoals vroeger werd vertaald, of Koesj zoals het in het Hebreeuws heette, was het land aan de rand van de aarde, verder kon je niet gaan en vanaf die uiterste rand van de wereld komen de mensen om mee te delen van het goede aan hen die het nodig hebben. Want de offergaven aan de God van Israël zijn de goede daden die je doet voor de minste van zijn kinderen, de minste van de mensen op aarde.

Mooi is natuurlijk dat er geen scheiding wordt gemaakt tussen brave mensen die nooit iets verkeerd deden en mensen die alleen voor zichzelf hadden geleefd, niemand hoeft zich meer te schamen voor de verkeerde dingen die gedaan zijn, voor de keren dat je de armen voorbij bent gelopen, dat je je eigen plezier belangrijker vond dan het lot van de hongerigen. Aan het eind van de ballingschap zijn er in Jeruzalem alleen nog slachtoffers van bezetting en ballingschap te vinden. Maar het zijn dan wel de mensen die weer weet hebben van het heb Uw naaste lief als Uzelf en dat in de praktijk brengen. Dat zijn de mensen waar het goede van uit gaat en die daardoor niets meer te vrezen hebben. Daar mag in de Tempel over gezongen worden, want die Tempel staat op de berg Sion in het midden van Jeruzalem.

Dan breekt de bevrijding aan van armoede, onderdrukking en geweld, dan wordt er gedanst in de straten zoals in onze dagen gedanst wordt in de straten van steden waar de mensen hun dictators hebben verjaagd om opnieuw te beginnen met een echte rechtvaardige samenleving. Juist die armen waar iedereen in de wereld op neerkijkt, waar je geen militaire bondgenootschappen mee kunt sluiten, waar je geen handel mee kunt drijven omdat ze er te arm voor zijn, zullen bewondering en respect afdwingen. Hun idealen van recht en rechtvaardigheid, van vrijheid en eerlijkheid zullen respect afdwingen en navolging krijgen. Wij zijn het zelf die het mogen navolgen, elke dag weer opnieuw, zeker ook vandaag als we er weer op uit gaan om hongerigen te voeden en naakten te kleden. Vandaag zullen we het weer mogen zien.

Iedere ochtend wanneer het licht wordt

donderdag, 5 april, 2018

Sefanja 3:1-8

1 Wee de opstandige, bezoedelde, gewelddadige stad! 2  Ze luistert naar niemand, neemt geen terechtwijzing aan, vertrouwt niet op de HEER, wendt zich niet tot haar God. 3  Haar leiders zijn brullende leeuwen, haar rechters wolven in de avond die ‘s ochtends niets meer te kluiven hebben. 4  Haar profeten zijn gewetenloze bedriegers, haar priesters ontwijden wat heilig is en doen de wet geweld aan. 5  Maar de HEER is in haar midden, hij is rechtvaardig, hij doet geen onrecht. Iedere ochtend wanneer het licht wordt spreekt hij recht, en nooit ontbreekt hij. Maar wie onrecht doet, kent geen schaamte. 6  Volken heb ik uitgeroeid, hun torens vernield, hun straten verwoest, niemand kan er door. Hun steden zijn vernietigd, geen mens kan er meer wonen. 7  Ik zei: ‘Heb toch ontzag voor mij, laat je door mij vermanen.’ Dan zou haar woonplaats niet vernietigd zijn, dan had ik haar niet hoeven te straffen. Maar nee, ze deden telkens weer de schandelijkste dingen. 8 Wacht maar-spreekt de HEER -,wacht op de dag dat ik mijn buit kom halen. Ik heb besloten volken te verzamelen en koninkrijken bijeen te halen, en mijn toorn, mijn laaiende woede over ze uit te storten. Door het vuur van mijn woede vergaat heel de aarde. (NBV)

Je weet dat je elke morgen weer opnieuw mag opstaan. Opnieuw beginnen aan een splinternieuwe dag. Dat is ook het moment om je af te vragen wat je anders wil doen. Op welke manier je vanaf nu richtlijn van heb Uw naaste lief als Uzelf wil volgen. Wie je daarvoor in de komende dag wil inschakelen, wie daartoe opwekken. Het is een prachtig beeld in de Bijbel dat God elke ochtend rechtspreekt en nooit ontbreekt. Want er is immers elke ochtend weer een nieuwe dag en dat we weer opnieuw mogen beginnen is dus een geschenk van God. We hoeven de fouten van de vorige dag en van de vorige dagen niet te herhalen. We hoeven de armen niet opnieuw te verwaarlozen en mogen opnieuw proberen de onrechtvaardige handelsverhoudingen om te buigen tot rechtvaardige.

Het gedeelte dat we vandaag lezen begint met zich kwaad te maken op de stad waar alles altijd maar doorgaat. Wat wij noemen de vierentwintig uurs economie. Waar mensen dag en nacht als slaven van de economie gehouden worden. Daar wordt geen Sabbath meer gehouden, geen zondagsvrijheid is er meer te vinden. Alles is er gericht om de rijken te beschermen en te voorkomen dat bezit eerlijk wordt gedeeld. De rechters zorgen daarvoor maar ook de zogenaamde profeten en priesters, ook zij praten goed wat de armen onrecht aandoet. Maar ook de God van Israël is in die stad aanwezig en elke ochtend geeft hij de mensen van die stad weer een nieuwe kans. Een nieuwe kans om zich te bevrijden van de slavernij van winst en profijt, zich te ontdoen van de mechanismes van geweld en uitbuiting, een nieuwe kans de hongerigen te voeden, de dorstigen te laven en de gevangenen te bevrijden.

Het lijkt op een klaaglied dat we vandaag zingen, maar het is het lied dat in Noord Afrika wordt gezongen tegen de machten die de armen uitbuiten en hen de rijkdom onthouden die hen toekomt. Daarmee is het ook het lied van de hoop, de hoop op de nieuwe morgen die in de nacht kan ontwaken als er alleen nog maar duisternis lijkt te zijn. Wij lezen het begin van dit lied van Sefanja als een aanklacht tegen een opstandige bezoedelde gewelddadige stad, zo kennen wij onze steden die dag en nacht doorgaan zonder een moment zelfs van rust. Maar in het Hebreeuws staat er een woordspeling, je zou ook kunnen lezen: “beroemde, bevrijde stad, duivenstad”, dat is de andere kant van dezelfde stad, is wat je er nu leest de stad van gisteren, de stad van de afgelopen nacht, wat je er ook zou kunnen lezen is de stad van vandaag, de stad waarvoor we vandaag weer aan het werk gaan. De stad die God ons als nieuwe kans heeft gegeven, een kans die we elke dag mogen grijpen, ook vandaag weer.

 

Alle goden van de aarde doen verschrompelen.

woensdag, 4 april, 2018

Sefanja 2:4-15

4 Gaza zal verlaten zijn, Askelon een woestenij, Asdod wordt midden op de dag ontvolkt, Ekron ontworteld. 5  Wee jullie, bewoners van de kustvlakte, Kretenzers! De HEER richt zich tegen jou, Kanaän, land van de Filistijnen! Ik zal je te gronde richten, met al je bewoners. 6  De kustvlakte wordt grasland, met weidegrond voor herders en kooien voor schapen en geiten. 7  Het gebied zal toevallen aan wie er van Juda overblijven. Zij zullen daar weiden en ‘s avonds rusten in de huizen van Askelon, want de HEER, hun God, zal naar hen omzien en hun lot ten goede keren. 8 Ik heb de hoon van Moab gehoord en de spot van Ammon, ik heb gehoord hoe ze mijn volk hoonden en zijn gebied bedreigden. 9  Daarom, zo waar ik leef-spreekt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël-zal Moab worden als Sodom en Ammon als Gomorra: een distelveld, een zoutput, voor altijd een woestenij. Wat er nog over is van mijn volk zal ze plunderen, wat er van mijn natie nog rest zal ze in bezit nemen. 10  Dat is het loon voor de hoogmoed waarmee ze het volk van de HEER van de hemelse machten hebben gehoond en bedreigd! 11  De HEER zal ze ontzag inboezemen, hij zal alle goden van de aarde doen verschrompelen. Aan alle kusten zal men voor hem knielen, ieder in zijn eigen land. 12 Nubiërs, jullie worden door mijn zwaard doorboord! 13  Hij zal zijn hand uitstrekken naar het noorden, Assyrië te gronde richten, Nineve tot een wildernis maken, dor als een woestijn. 14  Kudden zullen er een rustplaats vinden, allerlei dieren zullen er samentroepen, uilen en stekelvarkens zullen zich nestelen tussen de zuilen. Hoor hoe het huilt door de vensters, puin ligt op de drempels, het cederhout is losgerukt. 15  Dat is er over van die vrolijke stad, de stad die zo onbezorgd leefde, die dacht: Ik, en ik alleen! Ach, wat een wildernis is ze geworden, een rustplaats voor wilde dieren. Wie er voorbij komt sist tussen zijn tanden en gebaart vol afschuw met zijn hand. (NBV)

Toen Israël en Juda overlopen waren door de Assyriërs en een groot deel van het volk in ballingschap werd weggevoerd klonken er vreugdekreten uit de omringende volken. Geen groter vermaak dan leedvermaak nietwaar. De profeet Sefanja waarschuwt die omringende volken. Juist vanwege dat leedvermaak zullen ze zelf ten ondergaan en hun plaats zal ingenomen worden door het handjevol dat achtergebleven is in Israël en Juda. En die Assyriërs zelf zullen ooit ook overwonnen worden. Het gedeelte van vandaag eindigt met een lied tegen de Assyriërs waarin de hoop op hun nederlaag wordt bezongen. De ontredderde minderheid die had moeten toezien hoe het leger van Juda en Israël werd verslagen, hoe Jeruzalem werd verwoest en de Tempel leeggeroofd en vernietigd, krijgt moed ingesproken van de profeet. We moeten ook zelf oppassen met leedvermaak en wraak. Na de eerste Wereldoorlog werd Duitsland zwaar gestraft voor haar oorlogshandelingen. Zo zwaar dat er een kiem werd gelegd voor de beweging die de Tweede Wereldoorlog kon veroorzaken.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam er dus een andere benadering en werd ook Duitsland geholpen bij de wederopbouw. Alleen het communistische gedeelte weigerde die opbouw en dat ging na 50 jaar alsnog ten onder aan de armoede. Sefanja liet al eeuwen geleden zien dat je als volken beter anders met elkaar omgaan dan elkaar vernederen. Zo zijn er veel mensen geweest die vonden dat de hulp aan het volk van Afghanistan bij de opbouw van een veilige en democratische samenleving een christenplicht is. Eenvoudig is dat nooit. De landbouwsamenleving van Sefanja had genoeg aan weilanden en vruchtbare akkers, onze samenleving is zo ingewikkeld geworden dat we meer nodig hebben. We moeten ook niet vergeten dat het bij Sefanja gaat om broedervolken. Moabieten en Ammonieten stamden af van Lot, de broer van Abraham die ontsnapte aan de verwoesting van Sodom en Gomorra.

Nu worden de Israëlieten bedreigd met een lot dat even erg is als het lot dat Sodom en Gomorra trof. Edom stamde af van Esau, de broer van Jacob, en is op veel plaatsen in de Bijbel de natuurlijke tegenstander van Israël, juist omdat het als broedervolk het volk Israël bestrijdt en niet te hulp komt. Met Nubiërs worden hier ook de Egyptenaren bedoeld. Over Egypte heerste een Nubisch koningshuis en Egypte was een vluchtplaats geworden voor Joden die de bezetting door de Assyriërs ontvlucht waren. Maar een wereldmacht als Egypte was net zo onbetrouwbaar en vijandig als Assyrië. Wie gelooft in de God van Israël moet blijven vertrouwen in het niet geloven in andere goden, in het houden van de richtlijn van heb Uw naaste lief als Uzelf als maat voor het dagelijks handelen. Gelukkig dat we daar elke dag weer opnieuw mee kunnen en mogen beginnen, ook vandaag weer.

 

De dag van de HEER !

dinsdag, 3 april, 2018

Sefanja 1:14–2:3

14 De grote dag van de HEER is nabij,  hij is nabij en komt zeer snel.  Hoor! De dag van de HEER !  Zelfs de dappersten schreeuwen het uit! 15  Die dag zal een dag zijn van razernij, een dag van angst en benauwdheid, een dag van rampspoed en onheil, een dag van duisternis en donkerheid, een dag van dreigende, donkere wolken, 16  een dag van hoorngeschal en krijgsgeschreeuw tegen de vestingsteden en hun hoge torens. 17  Ik zal de mensen angst aanjagen, ze zullen rondlopen als blinden, want ze hebben tegen de HEER gezondigd. Hun bloed wordt vergoten als was het maar stof, hun vlees zal tot straatvuil vergaan. 18  Goud noch zilver kan hen redden als de toorn van de HEER hen treft, als het vuur van zijn woede de aarde verteert en hij al haar bewoners een gruwelijk einde bereidt. 1 Kom tot jezelf en kom samen, schaamteloos volk, 2  voordat mijn besluit gestalte krijgt-een dag verwaait als kaf-, voordat de brandende toorn van de HEER zich tegen je keert, voordat de dag van de toorn van de HEER zich tegen je keert. 3  Zoek de HEER, allen in het land die nederig zijn en naar zijn wetten leven, zoek rechtvaardigheid, zoek nederigheid: misschien blijven jullie dan gespaard op de dag van de toorn van de HEER. (NBV)

Vandaag zingen we met de profeet Sefanja het lied mee over de dag des Heren. Dat is een beeld dat we vandaag de dag nog terugvinden in de viering van de Grote Verzoendag door de Joden. Dan wordt er op de ramshoorn geblazen en trekken de gelovigen hun doodshemd aan, want zelf iets doen om je te verzoenen met de God van Israël is er niet bij. Je mag blij zijn dat je niet ter plekke dood neervalt en opnieuw mag beginnen. Het ontzagwekkende van de dag doet denken aan de inname van Jericho bij het begin van de intocht in het beloofde land. Zes maal was het volk zwijgend rond de stad gelopen en op de zevende dag na zeven maal rond te stad te zijn gelopen blies men op de ramshoorns en barste het volk in gejuich uit, waarop de muren instortten. Alleen de macht van de God van Israël zal het volk bevrijden. Zulke beelden zijn eigenlijk ook alleen in liederen te vatten. Alleen dichters kunnen de verschrikkingen onder woorden brengen die zullen komen als je het kwade in de wereld beschouwt en door laat woekeren.

Daarom staat na het lied ook nog een oproep aan het volk om anders te gaan handelen. Leef naar de wet van heb Uw naaste lief als Uzelf. Zie af van geweld maar zoek rechtvaardigheid en nederigheid. Stel je niet op als heerser maar als dienaar. Rijkdom en welvaart zullen niet tegen het kwaad kunnen beschermen. De nederigen staat hier tegenover de hoogmoedigen, zij die met geweld vrede denken te brengen, zij die de rijken beschermen en vergeten dat de allerarmsten niets te verliezen hebben dan hun eigen leven en dat je zelfmoordaanslagen dan ook ziet onder de allerarmsten wier wanhoop tot aan de hemel schreeuwt. Pas als we bereid zijn in de wereld eerlijk te gaan delen verandert het. Zorgen dat de hongerigen te eten krijgen en dorstigen te drinken. Zorgen dat er uitzicht is op een nuttig leven voor jongeren, voor een bijdrage aan de samenleving van hen die de bijdrage kunnen leveren.

Zorgen dus dat onrechtvaardige handelsmuren worden geslecht. Dat in ons land ook jongeren die thuis weinig hebben kunnen leren. de tijd krijgen een studie af te maken als ze door de armoede thuis er wat langer over moeten doen. Zorgen dat we zo zorgvuldig met de aarde en haar grondstoffen omgaan dat er voldoende voor onze kinderen en kleinkinderen overblijft. De dag des Heren is ook het begin van het aangename jaar des Heren waarin een ieder weer de grond terugkrijgt die God had gegeven en elk gezin opnieuw mag beginnen. Het is voor Christenen ook de dag van de komst van Jezus van Nazareth als de Messias, de bevrijder, in het Grieks de gezalfde, de Christus. Die alle volken van de aarde opriep om te gaan leven volgens het heb Uw naaste lief als Uzelf. Wij mogen elke dag tot een dag des Heren maken en elke dag opnieuw beginnen met zijn weg, ook vandaag weer.

 

Wees stil voor God,

maandag, 2 april, 2018

Sefanja 1:1-13

1 Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Sefanja, de zoon van Kusi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia, toen Josia, de zoon van Amon, in Juda regeerde. 2  Alles zal ik van de aardbodem wegvagen-spreekt de HEER. 3  Mens en dier zal ik wegvagen. Ik zal de vogels aan de hemel wegvagen en de vissen in de zee, alles wat de zondaars ten val heeft gebracht. En ik laat de mensen van de aardbodem verdwijnen-spreekt de HEER. 4  Ik zal mijn hand naar Juda en de inwoners van Jeruzalem uitstrekken. Daar zal ik de Baäls, de afgodendienaars en de priesters vernietigen. 5  Ik zal wegvagen wie op het dak knielt voor het sterrenleger aan de hemel, wie knielt voor de HEER en trouw aan hem zweert, maar tegelijk ook aan Milkom. 6  Ik zal vernietigen wie de HEER de rug toekeert, hem niet zoekt en hem niet raadpleegt. 7 Wees stil voor God, de HEER, de dag van de HEER is nabij! De HEER zal een offermaaltijd houden en zijn genodigden heiligen. 8  Op de dag van die maaltijd zal ik de leiders en de koningszonen straffen, en al wie zich hult in uitheemse kledij. 9  Op die dag zal ik straffen wie over de drempel springt, wie het huis van zijn heer vult met geweld en bedrog. 10  Op die dag-spreekt de HEER klinkt er geschreeuw uit de Vispoort, gehuil uit de nieuwe stad, en heerst er verslagenheid in de heuvels. 11  Huil, bewoners van de Vijzelbuurt: de handelaars zijn omgekomen, de geldwegers zijn uitgeroeid. 12  Dan doorzoek ik Jeruzalem met lampen, straf ik hen die zich aan wijn te buiten gaan en denken: De HEER doet geen goed en geen kwaad. 13  Hun bezittingen worden buitgemaakt, hun huizen verwoest. Ze zullen huizen bouwen maar er niet in wonen, wijngaarden planten maar de wijn niet drinken. (NBV)

Vandaag lezen we uit het 12 profetenboek het begin van het verhaal van Sefanja. Een bijzondere profeet blijkt uit zijn stamboom die in het begin staat. Die Kusja is namelijk niet een persoon maar de benaming van wat wij een Moor zouden noemen. En dat er dan drie geslachten voor staan betekent dat hij overeenkomstig de wetten van Mozes in het volk Israël was opgenomen en in dit geval ook nog van Koninklijke bloede was. Sefanja kondigt aan dat God een hele boel zal wegvagen staat er in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap, maar dat wegvagen is het gevolg van wat er eigenlijk in het Hebreeuws staat. Daar staat dat de Eeuwige alles zal verzamelen van bloedrode grond. En wie het begin van het boek Genesis in gedachte neemt leest dat God de schepping ongedaan zal maken, dat de aarde weer woest en ledig zal worden, chaos zal heersen over de aarde.

Maar er is troost, niet alles en iedereen zal zomaar verdwijnen maar de afgodendienaars, zij die goden vereren naast de God van Israël. Al die klaplopers die zich rijk en machtig wanen zullen gestraft worden, het zijn de rijken die zich verdringen om bij de koning in de gunst te komen, die dus over de treden springen, die geweld en bedrog gebruiken om hun eigen belang te dienen. Zij zullen gestraft worden en gehuil zal klinken uit die mooie nieuwe huizen die in een nieuwe wijk van de stad achter de Vispoort liggen. Dan zullen hun bezittingen in beslag worden genomen, hun huizen en hun wijngaarden. Het volk moet wel diep gezonken zijn wil God het zo aanpakken. Nu dat staat al in het eerste vers waar gezegd wordt dat Sefanja sprak ten tijde van Koning Josia. En die Koning Josia kennen we. Toen hij Koning werd van Juda liet hij de Tempel in Jeruzalem restaureren, die was vervallen geraakt. En in een gemetselde muur werd een wetsrol gevonden. Dat bleek de Torah, de Leer van Mozes te zijn. Die was het volk kwijtgeraakt en Josia herstelde de godsdienst van de God van Israël en liet alle afgoden uit zijn rijk verwijderen.

We doen altijd maar of Israël als volk zo trouw is gebleven aan de belofte van de God van Israël. Niets is minder waar. Het zijn altijd individuen als Sefanja geweest die de herinnering aan de God van Israël trouw zijn gebleven. En ook nu moeten we niet zomaar aannemen dat de staat Israël wel zal handelen in de geest van de God van Israël. Eigenlijk moeten we dat zeer wantrouwen en eerst de vragen stellen die ook Sefanja stelt. Gelukkig dat wij nog weet hebben van de maat die we bij ons eigen handelen moeten aanleggen. De Tempel en Jeruzalem staan immers voor de richtlijnen die God aan het volk gaf om een menselijke samenleving te kunnen volgen. Die richtlijn van heb Uw naaste lief als Uzelf, die moet gestalte krijgen in ons eigen leven, in ons eigen land maar ook in Israël en Palestina. Daar mogen we elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

Hij gaat jullie voor naar Galilea

zondag, 1 april, 2018

Marcus 16:1-8

1 Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. 2  Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. 3  Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ 4  Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. 5  Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk.6  Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazaret die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd. 7  Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’ 8  Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden. (NBV)

Begint alles nu gewoon weer opnieuw? Het was immers in Galilea begonnen? Daar kwam Petrus vandaan, daar kwamen ook de meeste anderen vandaan. De vrouwen hadden nog zo geloofd dat het niet afgelopen zou zijn. Ze hadden op de eerste dag van de week, toen de markt weer open was, geurige olie gekocht om het lichaam van Jezus van Nazareth te balsemen. Zo vroeg mogelijk waren ze daarmee naar het graf gegaan. Ze hadden op de dag van de kruisiging, de avond van de voorbereidingsdag, zelf gezien hoe Jezus van Nazareth in dat graf gelegd was. En, o ja, ze hadden ook gezien hoe die Josef van Arimathea een grote steen voor het graf gerold had. Niks voor vrouwen om die weer weg te rollen. Maar de steen was al weggerold en toen ze het graf binnengingen zat daar een in het wit geklede jongeman. In kerkelijke verhalen werd die al snel een engel, maar dat staat er niet. Wie of wat die jongeman was en wat die daar eigenlijk deed vertelt Marcus ons niet. En die jongeman heeft een ongelofelijk verhaal. Jezus van Nazareth is niet in het graf, hij is opgewekt uit de dood.

Wat dat is en waar die dan wel is en hoe dat gegaan zou moeten zijn wordt er door de jonge man niet bij vertelt. Dat weten we dus ook niet. Jezus is dus niet opgestaan uit de dood, of uit de doden zoals in kerken vaak wordt verteld, hij is opgewekt uit de dood. En iets nieuws is er niet bij. Hij heeft geen boodschappen achtergelaten, hij heeft een boodschap vooruit gezonden want dat ze naar Galilea moesten gaan had hij vooraf al gezegd. En dan sluit het evangelie van Marcus af. Het eindigt met zwijgen, met schrik en angst. Later bevredigde dat toch niet helemaal en zijn er nog een paar verzen aan toegevoegd. Maar het verhaal over het lege graf en de opwekking van Jezus van Nazareth eindigt met een vlucht bij het graf vandaan. Als het door moet gaan met het verhaal van Jezus van Nazareth dan moet je niet bij een graf zijn, zelfs niet bij een leeg graf.

Dan moet je kennelijk weer gewoon naar huis. Daar zijn de naasten om lief te hebben als jezelf. Daar is het kruis dat je achter Jezus van Nazareth mag opnemen. Daar is die nieuwe gemeenschap die hij zo vaak het Koninkrijk van God had genoemd. Daar kom je hem tegen in de minste van zijn broeders. De vrouwen die bij hem gebleven waren tot in zijn dood toe, bij hem wilden blijven tot in het graf, voor hem wilden blijven zorgen zoals ze al die tijd hadden gedaan, kwamen tot hun schrik tot de ontdekking dat een graf een lege verblijfplaats is. Daar gaat het niet door, daar eindigt het verhaal. Als je door wilt gaan dan moet je weer naar huis, naar je eigen omgeving, daar gaat het door met Jezus van Nazareth, daar kom je hem weer tegen, dat kan de dood niet en nooit meer tegenhouden.