Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Onze God is groter

januari 18, 2017

2 Kronieken 1:18–2:9

18 Salomo besloot een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, en een koninklijk paleis voor zichzelf. 1 Hij beschikte over zeventigduizend sjouwers en tachtigduizend steenhouwers in het gebergte, die onder leiding stonden van zesendertighonderd opzichters. 2 Hij stuurde afgezanten naar koning Churam van Tyrus met het volgende verzoek: ‘Indertijd hebt u mijn vader David cederhout geleverd voor de bouw van een paleis. 3 Nu wil ik beginnen met de bouw van een tempel voor de naam van de HEER, mijn God. Die zal ik aan hem wijden om hem er reukoffers te brengen, met vaste regelmaat toonbroden neer te leggen en er ‘s morgens en ‘s avonds, op sabbat, nieuwemaan en de hoogtijdagen van de HEER, onze God, brandoffers op te dragen zoals dat aan Israël is opgelegd als een eeuwige verplichting. 4 Het moet een grote tempel worden, want onze God is groter dan alle andere goden. 5 Eigenlijk is niemand in staat voor hem een huis te bouwen, want zelfs de hoogste hemel kan hem niet bevatten. Dus wie ben ik dat ik voor hem een tempel zou bouwen, behalve dan om er voor hem offers te brengen? 6 Welnu, stuur mij iemand die verstand heeft van de bewerking van goud en zilver, koper, brons en ijzer, de verwerking van roodpurperen, karmozijnrode en blauwpurperen wol, en het aanbrengen van snijwerk, zodat hij de ambachtslieden kan bijstaan die mijn vader David hier in Juda en Jeruzalem al heeft aangesteld. 7 Lever mij ook ceders, cipressen en sandelhout uit de Libanon, want ik weet hoe bedreven uw knechten daar zijn in het kappen van bomen. Mijn knechten zullen de uwe helpen 8 om mij van een grote hoeveelheid hout te voorzien, want de tempel die ik aan het bouwen ben moet groot en indrukwekkend worden. 9 Ik zal uw houthakkers belonen met twintigduizend kor tarwegries, twintigduizend kor gerst, twintigduizend bat wijn en twintigduizend bat olijfolie.’

De Bijbel heeft verschillende boeken waarin wel over dezelfde gebeurtenissen wordt verteld maar op een heel verschillende manier. Je krijgt dan de neiging om de twee verhalen te gaan vergelijken en de overeenkomsten en verschillen te duiden. Maar dat is de bedoeling van de Bijbel niet. De verschillende boeken waarin over dezelfde gebeurtenissen wordt verteld laten zich niet vergelijken met twee kranten die op eigen wijze verslag doen van hetzelfde en waar de verschillen tekenend zijn voor de opvattingen die je gewoonlijk in die kranten te vinden zijn. De boeken van de Bijbel hebben een boodschap over hoe mensen met God en God met mensen omgaat. Dat is ook het geval met de boeken Koningen en Kronieken het geval. De schrijver van de boeken Koningen ging op zoek naar het antwoord op de vraag hoe het zover had kunnen komen dat Israël het beloofde land verspeelde en in ballingschap moest. De schrijver van de Kronieken ging op zoek hoe het volk zich zou moeten gedragen als ze van het land en vooral van Jeruzalem weer een stad zou willen maken die schitterde voor alle volken.

Eén van de antwoorden op de vragen van de schrijver van Kronieken is dat je dan een heel verstandige Koning nodig hebt, wijsheid en inzicht staan voorop. Dat is wat anders dan een regeringsslimheid, slimme oordelen van de Koning vind je bij Kronieken dan ook niet terug. Het begin van alle wijsheid is de vreze voor God zegt de schrijver van het Spreukenboek. En er wordt nog wel eens aangenomen dat het Salomo zelf is die dat boek geschreven heeft. Het draait dus om het nakomen van het verbond. Daar heeft Salomo de Tempel voor nodig. Het centrum van het volk moet niet alleen een paleis zijn maar vooral een Tempel. De rijkdom en een lang leven komen dan vanzelf wel. Je moet, zoals in het gedeelte van vandaag staat, wel even moeten uitleggen wat het begrip Tempel voor jou betekent. Die Tempel is dus niet voor de God van Israël maar voor de Naam van die God. Voor ons zou dat iets zijn als “Ik zal er zijn” maar die Naam spreken we nooit uit omdat we die naam niet leeg en zonder eerbied willen gebruiken. De Naam zegt genoeg.

Het gaat dan ook niet om een Tempel waar een fraai beeld van God staat en waar het volk de gunst van die God kan afsmeken. Het volk heeft een verbond met die God gesloten dat inhoud dat voor een menselijke samenleving niemand aan zijn of haar bezit moet hechten. Dat breng je tot uiting in het brengen van offers, dat wat je hebt heb je van God gekregen, je deelt met God maar je deelt in dat verbond tegelijk met de armsten, met de vreemdelingen, met slaven en knechten. In Israël hoef je die God niet in leven te houden maar je moet het verbond in leven houden. God doet dat in wie God is, de Naam brengt dat tot uiting. Salomo vraagt hulp bij de bouw van zijn Tempel, want juist als je je niet verheft boven een ander is hulpvragen eigenlijk heel gewoon. Hij vraagt om een kunstenaar. Niet om een mooi beeld van die God te maken maar om uitdrukking te geven aan de opvatting dat dat verbond, dat die richtlijnen voor de menselijke samenleving het mooiste is wat op aarde bestaat. Die richtlijnen bestaan nog steeds en elke dag weer mogen wij zelf laten zien dat ze het mooiste zijn dat de wereld zou kunnen overkomen.

De hele gemeenschap van Israël

januari 17, 2017

2 Kronieken 1:1-17

1 ¶  Salomo, de zoon van David, verstevigde zijn positie als koning. De HEER, zijn God, stond hem ter zijde en maakte hem buitengewoon machtig. 2  Salomo ontbood de vertegenwoordigers van heel Israël: de bevelhebbers over duizend man en die over honderd, de rechters en alle leiders, alle familiehoofden, 3  kortom, de hele gemeenschap van Israël. Samen met hen ging hij naar de offerhoogte van Gibeon. Daar stond de ontmoetingstent van God, die Mozes, de dienaar van de HEER, in de woestijn had gemaakt. 4  De ark van God daarentegen was door David opgehaald uit Kirjat-Jearim en overgebracht naar Jeruzalem, naar de tent die hij ervoor had opgericht. 5  In Gibeon, voor de tent van de HEER, stond ook het bronzen altaar dat Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, gemaakt had. Dat altaar was het doel van hun komst. 6  Op dat bronzen altaar, voor de ontmoetingstent, in de nabijheid van de HEER, offerde Salomo; hij bracht er een brandoffer van wel duizend dieren. 7  Die nacht verscheen God aan Salomo en zei: ‘Wat wil je dat ik je geef?’ 8  Salomo antwoordde: ‘U bent mijn vader David goedgezind geweest en hebt mij als zijn opvolger aangesteld. 9  Laat nu, HEER, mijn God, uw belofte aan mijn vader David bewaarheid worden. U hebt mij aangesteld als koning over een volk dat zo talrijk is als het stof van de aarde, 10  schenk mij daarom wijsheid en inzicht, zodat ik dit volk kan leiden. Want hoe zou ik anders dit grote volk van u kunnen besturen?’ 11  Hierop zei God tegen Salomo: ‘Omdat dit je wens is, omdat je niet gevraagd hebt om rijkdom en schatten, niet om roem en de dood van je vijanden, en ook niet om een lang leven, maar om wijsheid en inzicht om het volk te kunnen besturen waarover ik je als koning heb aangesteld, 12  zal ik je wijsheid en inzicht schenken. En ik zal je ook rijkdom, schatten en roem geven, zoveel als geen enkele koning vóór jou ooit heeft gehad of na jou ooit nog zal verkrijgen.’ 13 ¶  Hierna keerde Salomo van de ontmoetingstent op de offerhoogte van Gibeon terug naar Jeruzalem, waar hij regeerde over Israël. 14  Salomo bracht wagens en paarden bijeen. Hij bezat veertienhonderd wagens en twaalfduizend paarden, die hij deels in Jeruzalem bij zich hield en deels onderbracht in garnizoenssteden verspreid over het land. 15  Dankzij koning Salomo waren zilver en goud in Jeruzalem even gewoon als steen en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. 16  Salomo’s paarden waren afkomstig uit Egypte en uit Kewe, waar ze door handelaars van de koning werden aangekocht. 17  In Egypte betaalden ze voor een wagen zeshonderd sjekel zilver, en voor een paard honderdvijftig. Deze handelaars leverden ook paarden aan de koningen van de Hethieten en de Arameeërs. (NBV)

In de geschiedenis van het volk Israël zoals die in de Bijbel wordt verteld zijn er twee inktzwarte perioden waarover het gaat. De eerste is de slavernij in Egypte en het volk is er van overtuigd dat de God van Israël het volk uit die slavernij heeft bevrijd en het volk een eigen land heeft geschonken. Toch is het volk dat land kwijt geraakt en in ballingschap geraakt. Hoe dat zo gekomen is kun je lezen in de boeken Deuteronomium, Jozua, Richteren, 1 en 2 Samuël en 1 en 2 Koningen. Maar het verhaal van het verbond tussen Israël en God eindigt niet met de ballingschap. De ballingen keren terug en bouwen het land weer op, te beginnen met Jeruzalem. Er wordt een nieuwe gemeenschap gevormd, je leest daarover in de boeken Ezra en Nehemia. In die boeken wordt al de vraag gesteld hoe het verder moet. Centraal staat dan de Thora, de eerste vijf boeken van de Bijbel waaruit je kunt leren hoe mensen om zouden moeten gaan met de God van Israël. Die Thora werd in haar geheel voorgelezen vertellen Ezra en Nehemia. Maar kun je uit de geschiedenis ook iets leren over de werking van de Thora op het dagelijks leven van het volk.

Daar gaan de twee boeken van de Kronieken over. Wat er slecht is gegaan staat daar niet in maar de nadruk ligt op wat goed is gegaan. In het volk leven nog de verhalen over Koning Salomo. Dat was een wijze koning geweest in dagen van grote economische welvaart in Israël, zilver en goud waren in Jeruzalem even gewoon als steen en cederhout. Waar die rijkdom en die wijsheid aan te danken waren? Aan de verhouding tussen Salomo en de God van Israël. De vader van Koning Salomo, Koning David, had geprobeerd de Thora weer in het hart van het volk te plaatsen. Hij had daarvoor de Ark van het Verbond, waar de belangrijkste tekst in werd bewaard, naar Jeruzalem gebracht. Maar tot een Tempel was het niet gekomen. Die zou Salomo moeten bouwen. Nu kun je een Tempel beschouwen als de plek waar je God te bereiken is of als een plaats waar je echt kunt laten zien dat je de afspraken met die God wil nakomen. Daarom ging Salomo met alle vertegenwoordigers van het volk, met het hele volk dus eigenlijk, naar Gibeon waar de Tent stond waar God en het volk elkaar konden ontmoeten.

Als het volk er van overtuigd was dat alles wat ze hadden van God gekregen was dan lieten ze dat daar zien. Daar zouden ze maaltijden aanrichten met de armen en de vreemdelingen, hele families zouden er aan deelnemen en de priesters en levieten mochten er zelfs van leven. Offeren was dat, niet om gunsten van de God te verkrijgen maar om dank te zeggen voor alles wat die God al gegeven had. Daar ging Salomo heen, daar ging hij delen van alles wat hij had. Hij stelde zijn Koningschap in het teken van dat delen. En daarvoor werd hij ook beloond. Een lang leven, grote wijsheid en geweldige rijkdom vielen hem ten deel omdat hij zich in dienst stelde van het volk in plaats van het volk in dienst te stellen van hemzelf zoals de machtigen gewoon zijn te doen. En daarmee wordt het verhaal actueel. Stellen onze politici zich in dienst van het volk? Zijn zij bereid er voor te zorgen dat de rijken delen met de armen zodat de armoede verdwijnt, de zieken verzorgd worden, de hongerigen gevoed en de dorstigen te drinken krijgen. Wij kunnen het ze voordoen, elke dag opnieuw.

De hartstocht voor uw huis

januari 16, 2017

Johannes 2:13-22

13  Kort voor Pesach, het Joodse paasfeest, reisde Jezus naar Jeruzalem. 14  Daar trof hij op het tempelplein de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. 15  Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver 16  en riep tegen de duivenverkopers: ‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’ 17  Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.’ 18  Maar de Joden vroegen: ‘Met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’ 19  Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ 20  ‘Zesenveertig jaar heeft de bouw van deze tempel geduurd, ‘zeiden de Joden, ‘en u wilt hem in drie dagen weer opbouwen?’ 21  Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam. 22  Na zijn opstanding uit de dood herinnerden zijn leerlingen zich dat hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en alles wat Jezus gezegd had. (NBV)

Als je dit verhaal vandaag voor het eerst zou lezen zou je kunnen denken dat het over een dierenactivist ging. Iemand die met geweld in actie komt om het leven van dieren te beschermen. Want die schapen en die runderen en trouwens ook die duiven zijn bedoeld om geofferd te worden, met één haal van een mes worden ze gedood om daarna leeg te bloeden voor ze op een altaar gebraden worden. Maar het gaat in dit verhaal niet om de dieren maar om de mensen. Voor de toeschouwers zal het een rare actie geweest zijn. In de geboden stond toch dat je weliswaar een tocht moest maken rond het Pesach feest naar Jeruzalem om daar bij de Tempel een maaltijd te houden met de Priesters, de tempeldienaars, je familie en de armen, maar je hoefde de offerdieren niet van heinde en ver mee te slepen. Je mocht ook een deel van je vee verkopen en van het geld in Jeruzalem de offerdieren kopen. Gelukkig dat daar ook geldwisselaars waren want de kans dat je je eigen vee aan vreemdelingen verkocht was groter dan dat je eigen arme landslieden in staat waren voldoende vee te kopen. Zo kon je tenminste goed aan de geboden voldoen.

Waarom dan die ophef en dat geweld? De leerlingen van Jezus van Nazareth beginnen het langzaam door te krijgen. Die Tempel in Jeruzalem was een heel bijzonder godsdienstig gebouw. Wij kennen zulke gebouwen niet meer echt, maar in de dagen van Jezus van Nazareth had iedere stad één of meer tempels waar je goden kon ontmoeten. Prachtige beelden stonden er en deftige priesters namen offers in ontvangst die aan die beelden werden opgedragen. Dat vond je allemaal niet in die Tempel in Jeruzalem. Daar stond niks, ja een kandelaar en een tafel met brood. En ze vertelden dat achter een gordijn een grote kist stond met stenen platen er in. Op die stenen platen stond die Wet gebeiteld, van heb Uw naaste lief als Uzelf. Daar draaide alles om wat er in die Tempel gebeurde. En Jezus van Nazareth had gezien dat die bedoeling was verdwenen.

Want als je moest handelen om offerdieren te kopen dan bleef er maar weinig meer over voor de armen. Dan gingen de handel en de winst boven eerlijk delen met elkaar. Dan was er geen verschil meer tussen een gewone markt en de Tempel van die vreemde God zonder beeld. Daarom werd een zweep gemaakt van touwtjes, zoals er oorspronkelijk stond. Joden die dit verhaal lezen denken dan direct aan de touwtjes aan het gebedskleed, met 163 knopen, net zoveel als er geboden zijn. Met die touwtjes mag je denken, met alle geboden, sloeg Jezus van Nazareth de handelaren de Tempel uit. En toen ze vroegen waar hij het recht vandaan haalde realiseerde hij zich dat we allemaal Tempel van God zijn, in ons allen wordt die Wet bewaard van heb Uw naaste lief als Uzelf, opdat we naar die Wet leven, dag  in dag uit, door al onze handel en wandel in het teken te stellen van het delen van wat we hebben met de armsten op aarde.

Op de derde dag

januari 15, 2017

Johannes 2:1-12

1 ¶  Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea. De moeder van Jezus was er, 2  en ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. 3  Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Jezus tegen hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ 4  ‘Wat wilt u van me?’ zei Jezus. ‘Mijn tijd is nog niet gekomen.’ 5  Daarop sprak zijn moeder de bedienden aan: ‘Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.’ 6  Nu stonden daar voor het Joodse reinigingsritueel zes stenen watervaten, elk met een inhoud van twee à drie metrete. 7  Jezus zei tegen de bedienden: ‘Vul de vaten met water.’ Ze vulden ze tot de rand. 8  Toen zei hij: ‘Schep er nu wat uit, en breng dat naar de ceremoniemeester.’ Dat deden ze. 9  En toen de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, proefde-hij wist niet waar die vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden wisten het wel-riep hij de bruidegom 10  en zei tegen hem: ‘Iedereen zet zijn gasten eerst de goede wijn voor en als ze dronken zijn de minder goede. Maar u hebt de beste wijn tot nu bewaard!’ 11  Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als eerste wonderteken; hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in hem. 12 ¶  Daarna ging hij naar Kafarnaüm, met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen, en daar bleven ze een paar dagen. (NBV)

Als we het opschrift van het verhaal van vandaag noemen, “De bruiloft te Kana” dan springen gelovigen en ongelovigen op en roepen “daar werd water in wijn veranderd”. Vanaf de vroegste tijden heeft dit verhaal diepe indruk gemaakt. Helaas om de verkeerde reden, want de verandering van water in wijn is helemaal niet de kern van het verhaal. Want als er een bruiloft is, wie gaan er dan trouwen? Daar heeft het verhaal het niet over. Het gaat ook helemaal niet over twee mensen die met elkaar trouwen. Het gaat over Jezus van Nazareth en zijn optreden en het verhaal is eigenlijk het slot van het verhaal dat we eerder hebben gelezen, de doop, de werving van volgelingen. En dan op de derde dag, dan is er die bruiloft. Die derde dag doet natuurlijk denken aan de dag van de opstanding. Omdat het aan het begin van het Evangelie staat, en niet aan het einde, zijn er veel geleerden geweest die andere verklaringen hebben gezocht. Maar de Bijbel rekent nu eenmaal niet met kalenders en agenda’s, de Bijbel is geen geschiedenisboek, dat vertelt over wat er gebeurt, wat onze geschiedenis veranderd en het optreden van Jezus van Nazareth heeft de geschiedenis ingrijpend veranderd.

Op het eind van het verhaal van Jezus van Nazareth wordt gezegd dat we de verklaring van alles wat er wordt verteld moeten zoeken in de Hebreeuwse Bijbel. En dat verhaal over dat eerste optreden van Jezus van Nazareth begint met een citaat uit de Hebreeuwse Bijbel. Uit het Grieks vertaalt men het antwoord van Jezus van Nazareth op de mededeling dat er geen wijn meer is met “Mijn tijd is nog niet gekomen”, letterlijk staat er “uw zaak is mijn zaak niet” en dat is een zin uit een verhaal over een moeder en een zoon. De zoon was gestorven en de moeder spreekt daarover de profeet Elia aan, Elia geeft letterlijk hetzelfde antwoord als Jezus van Nazareth hier. Maria zal dat begrepen hebben want ze gaat verder met een ander citaat uit de Hebreeuwse Bijbel als ze tegen de dienaren zegt : “doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is” Het zijn de woorden van de Farao als hij Jozef aanstelt als onderkoning van Egypte. In het verhaal van Elia wordt de zoon weer levend en in het verhaal van Jozef worden de Egyptenaren en de nakomelingen van Jacob gered van de hongerdood. En de bruiloft? Op allerlei plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel wordt het verbond tussen God en het volk Israël vergeleken met een bruiloft.

Dit eerste verhaal gaat dus over een feest ter ere van de richtlijn die het verbond bezegelde, heb uw naaste lief als uzelf. Het oude leven, het leven alleen voor jezelf en voor je eigen gewin en genot, moet worden afgewassen, daarvoor zijn de reinigingsvaten. Daar doorheen wordt je geleid als je gaat naar het land dat overvloeit van melk en honing het land Kana-an. Op die manier leven is op zichzelf al een feest, een veel mooier feest dan het wereldse bruiloftsfeest waarop iedereen zich bedrinkt en vol laat lopen. Jezus van Nazareth is geen tovenaar die met een toverstokje boven vaten met water staat te zwaaien. Dat willen veel predikers en zogenaamde evangelisten de mensen graag laten geloven. Jezus van Nazareth gaat ons voor op de Weg van de God van Israël, door het water waar ons oude leven wordt afgewassen naar het nieuwe leven van breken van brood en delen van de beker met wijn, het leven na de opstanding uit de dood. Een leven dat we elke dag opnieuw mogen beginnen als we om ons heen kijken en ons leven in dienst stellen van de liefde voor de minsten in onze samenleving. Dat mag dus ook vandaag weer, daarmee maken we ook vandaag tot een feestdag.

Wij hebben de messias gevonden

januari 14, 2017

Johannes 1:40-51

40  Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. 41  Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’), 42  en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’). 43 ¶  De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee.’ 44  Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus. 45  Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!’ 46  ‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken, ‘zei Filippus. 47  Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ 48  ‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’ 49  ‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’ zei Natanaël. 50  Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’ 51  ‘Waarachtig, ik verzeker jullie, ‘voegde hij eraan toe, ‘jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon.’ (NBV)

Vandaag lezen we over de tweede dag van het optreden van Jezus van Nazareth. De evangelist Johannes noemt in het begin van zijn verhaal over Jezus van Nazareth namelijk drie dagen, de dag van de doop, de dag van de werving van de apostelen en de dag van het verbond, de bruiloft te Kana. Tussen de doop, waarin Johannes belijdt dat er iemand is die hij niet kent en de bruiloft in Kana waarin Jezus van Nazareth zelf zegt dat zijn tijd nog niet gekomen is ligt de belijdenis van de toekomstige apostelen. De belijdenis dat deze Jezus van Nazareth de Messias is. Messias was in de verwachting van het volk de goddelijke en koninklijke bevrijder van dood en onderdrukking. Op die Messias werd vurig verwacht, zo groot was de Romeinse onderdrukking wel.  In de Apostolische geloofsbelijdenis wordt over de tweede dag van de dood van Jezus van Nazareth gezegd dat hij was “nedergedaald ter helle”.

Dat is een klassieke Griekse uitdrukking voor een oord van verschrikking waar de goden geen bescherming meer konden geven en waar de straffen van de goden ten uitvoer werden gebracht. Toen de geloofsbelijdenis werd opgesteld werd dat beeld gekozen om die tweede dag aan te geven. In dit gedeelte van het Evangelie van Johannes lezen we wat het betekenen heeft voor ons. Hier worden de toekomstige apostelen bevrijdt uit hun onderdrukking door ze te laten aansluiten bij Jezus van Nazareth. Voor wie het optreden van Johannes de Doper had meegemaakt wordt een directe verbinding met het optreden van Jezus van Nazareth gelegd. In Nathanaël wordt gesuggereerd dat elke oprechte Israëliet zich bij Jezus zou aansluiten, de anderen worden echter niet veroordeeld.

Maar Nathanaël blijft kritisch. Dat Nazareth staat nergens als bron voor de komende bevrijding van het volk. Het heeft de klank van struikgewas en er waren in de dagen van Johannes en Jezus genoeg Messiassen die eigenlijk struikrovers waren. Maar Jezus wijst Nathanaël op de droom van Jeremia dat er ooit een dag zal komen dat iedereen onder zijn eigen vijgenboom zal kunnen zitten. Het is geen instant bevrijding. Volgen van Jezus van Nazareth is een lange en moeilijke weg gaan naar de overwinning op de dood. Dat overtuigt Nathanaël. Ook voor ons betekent dat het aansluiten bij de Weg van Jezus van Nazareth de wereld zal bevrijden van dood en onderdrukking. Zijn liefde voor mensen, die wij kunnen volgen door van onze naaste te houden als van onszelf, bevrijdt zelfs door de dood heen. Probeer het vandaag maar, het mag elke dag opnieuw beginnen.

Ook ik wist niet wie hij was

januari 13, 2017

Johannes 1:29-39

29 ¶  De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. 30  Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.” 31  Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.’ 32  En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten. 33  Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.” 34  En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.’ 35  De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen. 36  Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God.’ 37 ¶  De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee. 38  Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat zoeken jullie?’ ‘Rabbi, ‘zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert u?’ 39  Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij hem. (NBV)

“Het lam van God” lezen we vandaag als aanduiding voor Jezus van Nazareth . Ontelbare malen geschilderd, in liederen vertolkt als de Agnus Dei en nauwelijks meer uit te leggen wat er mee wordt bedoeld. Op school hadden we vroeger van die proefwerken die na een aantal lessen werden gegeven om te zien of je het voorgaande had begrepen. Wellicht moeten we dit gedeelte uit het verhaal over Jezus zoals dat door Johannes is opgeschreven ook maar zo behandelen. We kunnen in Deuteronomium lezen dat je het eerstgeborene moet slachten en er bij de Heilige Tent een maaltijd van moet aanrichten waarbij je moet delen met de priesters en met de armen en de vreemdelingen. Voor Johannes was Jezus de zoon van God, zoals alle mensen naar het beeld van God geschapen zijn zo lijkt Jezus er nog het allermeest op.

Maar voor een eerstgeboren zoon moet een offer worden gebracht, zo mogelijk een lam. Wel zegt Johannes hier, God offert zijn zoon hier zelf. Het feit dat die zoon onder ons loopt, door de Jordaan gaat om het stof van het oude leven af te spoelen en werkelijk met de Goddelijke richtlijnen uit de Woestijn aan de gang wil gaan is een offer op zichzelf. Johannes de Doper is een andere Johannes dan hij die het verhaal heeft opgeschreven maar de Doper heeft een rotsvast vertrouwen dat die Jezus niet nog een keer opnieuw hoeft te beginnen zoals wij allemaal voortdurend wel moeten doen.

Het is een fantastisch verhaal, je land is bezet, de Godsdienst verschraalt tot het dor naleven van wetjes en regeltjes die niet te houden zijn en dan komt er iemand van wie gezegd wordt dat die de ware bedoeling zal voorleven. Het is dan ook niet zo vreemd dat er gelijk twee mensen achteraan gaan die al gegrepen waren door de oproep van de Doper om het werkelijk anders te gaan doen. De verschijning van Jezus maakt alles anders. Vandaag verschijnt hij in onze verhalen maar leeft de ware bedoeling voort in onze daden. Hebben we net als hij alles over voor de armsten onder ons, voor de zieken, voor de zwakken en voor de vreemdelingen? Een vraag waarop we alleen met daden een antwoord kunnen geven, ook vandaag.

Maak recht de weg

januari 12, 2017

Johannes 1:19-28

19 ¶  Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’ 20  Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: ‘Ik ben niet de messias.’ 21  Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent u Elia?’ Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’ ‘Bent u de profeet?’ ‘Nee, ‘antwoordde hij. 22  ‘Maar wie bent u dan?’ vroegen ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben-wie zegt u zelf dat u bent?’ 23  Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer, ”zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.’ 24  De afgevaardigden die uit de kring van de Farizeeën kwamen, 25  vroegen verder: ‘Waarom doopt u dan, als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?’ 26  ‘Ik doop met water, ‘antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u niet kent, 27  hij die na mij komt-ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.’ 28  Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte. (NBV)  

Vandaag het eigenlijke begin van het Evangelie naar Johannes nadat de schrijver ons een inleiding heeft gegeven, het begint dus met  een stuk van het verhaal over Johannes de Doper, net als het Evangelie naar Marcus begint met het optreden van Johannes de Doper. Trouwe Bijbellezers weten dat die in de woestijn woonde en sprinkhanen at. De kenners van de Bijbel uit zijn tijd gingen toch eens vragen wat hij nou eigenlijk van zichzelf vond, hoe zag hij zichzelf in de geschiedenis. Hij riep net als een profeet vroeger het volk op om weer achter de goddelijke richtlijnen uit de woestijn te gaan staan. Ooit waren ze immers uit de woestijn gekomen het land van melk en honing in. Maar Johannes was in elk geval niet de reïncarnatie van de profeet Jesaja en ook niet van Elia, die ook nog een tijdje in de woestijn had gewoond. Johannes doopte met water, hij riep de mensen op hun oude leven af te wassen en opnieuw te beginnen, als voorbereiding op een leven met Jezus, de bevrijder die beloofd was.

Jezus van Nazareth zou die goddelijke richtlijnen op een heel nieuwe manier centraal stellen. Niet langer de regels en interpretaties en interpretaties van regels en interpretaties van interpretaties. Jezus van Nazareth stelde de liefde voor de mensen centraal. De richtlijnen waren er om mensen te bevrijden, niet om mensen te binden. De richtlijnen waren er om het mogelijk te maken van alle mensen te houden, om te zorgen dat iedereen mee kan doen. De profeet Jesaja had het ooit eens gehad over een tafel vol met drank en uitgelezen spijzen die gratis klaar gemaakt was voor iedereen die mee wilde doen. Gewone mensen in Nederland dromen zich een keer per jaar ook zo’n tafel, dat doen ze met kerst. In de donkerste dagen van het jaar begint een nieuw leven. Wij moeten dat delen nog leren blijkt in de dagelijkse praktijk De voedselbanken lopen over. Het oude leven afleggen betekent wel ook echt met het nieuwe beginnen. Johannes kwam eerst en Jezus kwam daarna. We vieren het zo dat het verhaal van Jezus op Eerste Kerstdag begint, maar het moet niet op Tweede Kerstdag al uitverteld zijn.

Tijdens de tocht door de woestijn, veertig jaar had de tocht geduurd, toen ze moesten leren te leven met de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf, gingen ze voortdurend in de fout. Maar God had hen een manier gegeven om telkens weer opnieuw te beginnen. Ze lieten de priester een maal per jaar alle fouten op een ram leggen en stuurden die de woestijn in. Zo krijgt ook nu het volk de gelegenheid opnieuw te beginnen, Johannes de Doper had hen daartoe opgeroepen, maar Jezus van Nazareth zou hen leren hoe dat dan moest, leven volgens de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf. Zo mogen ook wij weten dat we er elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen. Johannes de Doper roept ons daartoe op, het verhaal van Jezus van Nazareth leert ons hoe te doen, en als we fouten maken leert Jezus van Nazareth hoe het weer goed te maken, dat betekent het als er staat “hij nam onze zonden op zich”, elke dag kan het weer opnieuw, ook vandaag weer.

Hij ondervond geen tegenstand

januari 11, 2017

1 Kronieken 29:21-30

21  De volgende dag brachten ze vredeoffers en brandoffers aan de HEER: duizend stieren, duizend volwassen rammen en duizend jonge rammen, en de bijbehorende wijnoffers. Voor de verzamelde Israëlieten werd een enorm aantal dieren geslacht. 22  Vol blijdschap aten en dronken ze die dag ten overstaan van de HEER. Davids zoon Salomo werd ten tweeden male tot koning uitgeroepen. Ten overstaan van de HEER zalfde men hem tot vorst, en Sadok tot hogepriester. 23 ¶  Zo besteeg Salomo de troon van de HEER en volgde hij zijn vader David als koning op. Hij ondervond geen tegenstand en heel Israël accepteerde hem. 24  Alle aanvoerders en helden en ook alle andere zonen van koning David betuigden hem trouw. 25  De HEER maakte dat Salomo buitengewoon veel aanzien genoot bij de Israëlieten en verleende hem een koninklijke majesteit zoals geen enkele koning van Israël vóór hem had gehad. 26  David, de zoon van Isaï, heeft over heel Israël geregeerd. 27  Hij regeerde veertig jaar over Israël, zeven jaar in Hebron en drieëndertig jaar in Jeruzalem. 28  Toen hij stierf, had hij een eerbiedwaardige ouderdom bereikt en veel roem en rijkdom vergaard. Zijn zoon Salomo volgde hem op. 29  De geschiedenis van koning David is van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de ziener Samuël, de profeet Natan en de schouwer Gad. 30  Daarin staat zijn machtig koningschap beschreven en alles wat hij heeft meegemaakt, en de gebeurtenissen die in Israël en de andere koninkrijken hebben plaatsgevonden. (NBV)

Een koning van Israël vertegenwoordigt het volk bij de God van Israël en een koning naar Gods hart vertegenwoordigt God bij zijn volk. In het gedeelte dat we vandaag lezen zien we dat gebeuren. Koning Salomo neemt de verantwoording op zich voor dat Koningschap dat ook zijn vader David had bekleed. Maar niet om er een geweldig inkomen aan over te houden. Niet om vermogensvorming door aandelen en obligaties. Niet voor de geweldige pensioenvoorziening die hij bij het verlies van zijn koningschap zou kunnen meenemen. Wij hebben allemaal van de kleine Koninkrijkjes geregeerd door Koning CEO waar dat wel het geval is. Die Koningen komen niet om hun Koninkrijk te versterken en te beschermen tegen vijanden en afvalligheid van de God van Israël maar die Koningen komen om zich te verrijken. Desnoods ten kosten van het koninkrijk waar ze CEO van zijn. En er nooit een CEO geweest die deed wat Salomo deed, rijkelijk delen van zijn bezit met zijn onderdanen. Salomo slachtte wel duizend dieren en richtte een feestmaaltijd aan voor heel het volk.

Het is dan ook gen wonder dat Salomo  buitengewoon veel aanzien genoot bij zijn volk. Het betekent kennelijk ook een soepel afscheid van Koning David. Die had een woestijnreis lang geregeerd over Israël, die had het land bevrijdt van de vijanden en een hoofdstad gegeven met aanzien, Jeruzalem. We kennen overigens de boeken van Samuël maar de boeken van Natan en Gad kennen we niet. Ze hebben voor de schrijver van de boeken der Kronieken kennelijk als bron gediend voor de verhalen die deze heeft opgeschreven. Maar Salomo is niet de enige die gezalfd wordt. Het staat er als in een tussenzin maar het geeft een verandering weer in de verhoudingen binnen de autoriteiten van het volk. David had een profeet die hem namens God zo af te toe op de vingers kwam tikken, Natan was dat. Kennelijk moest ook Salomo een dergelijke figuur naast zich hebben, een hogepriester. Sadok was dat en verder komen we die in de Bijbel niet tegen. Maar het begin van de bouw van een Tempel is de zalving van een hogepriester. Die moest Salomo terzijde staan als het gaat om een Koning naar Gods hart te blijven.

In Oude Tijden kwam het wel voor dat de heer van een stad of dorp bepaalde wie er dominee of priester mocht worden. Die werd dan ook door die heer betaald en het zal duidelijk zijn dat die zo nodig ook de belangen van de heer kon behartigen of de daden van de heer goed kon praten. In Bijbelse tijden werden zowel de Koning als de Hogepriester door het volk geroepen. Uitgeroepen tot Koning, gezalfd tot hogepriester. In de Koninkrijkjes van de CEO’s  speelt de onafhankelijke opinie van een geestelijke geen rol. Goed of kwaad wordt dan ook niet bepaald door goed of kwaad voor de onderdanen van de CEO maar alleen door de opbrengst voor de rijke eigenaren of de CEO zelf. Want uiteindelijk kunnen zelfs de rijke eigenaren verlies lijden als de CEO er maar rijker van wordt. De verhalen uit de Bijbel werpen soms een heel nieuw licht op de machtsverhoudingen in onze eigen samenleving. Het blijft zaak die verhalen los van de politieke werkelijkheid te lezen maar onze machthebbers te blijven oproepen het licht van die Bijbelverhalen over hun handelen te laten schijnen. Daar mogen we elke dag toe oproepen, ook vandaag weer.

U beslist wie groot en machtig is.

januari 10, 2017

1 Kronieken 29:10-20

10 ¶  Toen loofde David de HEER, ten aanhoren van de hele gemeenschap. Hij zei: ‘Geprezen bent u, HEER, God van onze voorvader Israël, voor altijd en eeuwig. 11  U, HEER, bent groots en machtig, vol luister, roem en majesteit. Alles in de hemel en op aarde behoort u toe, HEER, u bezit het koningschap en de heerschappij. 12  Roem en rijkdom zijn van u afkomstig, u heerst over alles. In uw hand liggen macht en kracht besloten, u beslist wie groot en machtig is. 13  Daarom danken wij u, onze God, en prijzen wij uw luisterrijke naam. 14  Wat ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zijn gebleken zoveel kostbaarheden af te staan? Alles is van u afkomstig, en wat wij u schenken komt uit uw hand. 15  Net als al onze voorouders zijn wij slechts vreemdelingen die als gasten bij u verblijven, ons bestaan op aarde is als een schaduw, zonder enige zekerheid. 16  HEER, onze God, al deze rijkdom die we bijeengebracht hebben om voor u een tempel te bouwen voor uw heilige naam, komt uit uw hand en aan u dragen wij die op. 17  Ik weet, mijn God, dat u de harten van de mensen beproeft en oprechtheid verlangt. Welnu, uit de oprechtheid van mijn hart heb ik u dit alles geschonken, en ook uw volk, dat hier bijeen is, heb ik zijn bijdrage met vreugde zien schenken. 18  HEER, God van onze voorouders Abraham, Isaak en Israël, koester dit blijk van de gezindheid van uw volk voor altijd en laat hun hart op u gericht zijn. 19  Geef ook dat mijn zoon Salomo met volle toewijding uw geboden, bepalingen en wetten naleeft en alles in het werk stelt om de burcht te bouwen waarvoor ik de voorbereidingen heb getroffen.’ 20  Daarna droeg David de gemeenschap op de HEER, hun God, te loven. Heel de gemeenschap loofde de HEER, de God van hun voorouders, en knielde neer en boog diep voorover voor de HEER en voor de koning. (NBV)

De overdracht van de plannen voor de bouw van de Tempel en de inzameling voor alles wat nodig is om die bouw te realiseren wordt besloten met een gebed. In onze dagen beëindigen machten nog wel eens met het nalaten van grote bouwwerken. Denk in Frankrijk maar eens aan het Centre Pompidou. Die bouwwerken zijn bestemd om blijvend te demonstreren hoe belangrijk de machtige wel niet was. Zo worden er ook standbeelden opgericht voor belangrijke historische figuren. Dat zijn niet altijd machtige mannen, de stadstimmerman van Alkmaar heeft zijn eigen standbeeld vanwege zijn rol bij Alkmaars Ontzet, maar ze worden door machtige mannen het volk ten voorbeeld gesteld. Die Tempel van Salomo krijgt bij ons gemakkelijk de geur van een monument voor Salomo. Dat was toch de Koning die de Tempel had mogen bouwen. Dat ligt in het verhaal van de Kronieken toch wat genuanceerder. Het is David die het plan heeft gemaakt, het is David die een groot vermogen beschikbaar stelt, het is David die een inzameling houdt zodat niets meer de bouw in de weg staat. Toch is het niet de Tempel van David geworden.

David maakt zelf duidelijk waarom niet hij iets nalaat maar dat ook bij de bouw van de Tempel, het belangrijkste gebouw in het land, de God van Israël zelf centraal wordt gesteld als degene die de bouw mogelijk heeft gebouwd. David drukt dit uit in zijn gebed. Dat begint met een lofprijzing. Alles wat het volk heeft ontvangen behoort aan die God toe. Zelfs het Koningschap en de heerschappij die bij de Koning horen, eerst David en straks Salomo, zijn eigenlijk van God. Roem en rijkdom, waar je koningen aan kunt herkennen zijn niet van deze koningen maar van de God van Israël. Om goed te begrijpen wat David hier tot uitdrukking brengt moeten we even door de vertaling heen weten te lezen. Overal waar over God wordt gesproken staat “HEER”. Daar hebben de vertalers vanouds voor gekozen. In het Hebreeuwse schrift staan hier de vier letters van de Naam van de God van Israël. Omdat Israëlieten de Naam van God niet leeg willen gebruiken spreken ze die Naam niet uit. Ze gebruiken een woord dat Heer betekent maar dat buiten deze plaats nergens in het Hebreeuws wordt gebruikt.

De Naam van de God van Israël betekent iets als “Ik zal er zijn” Omdat ook wij er voor passen de God van Israël voor ons karretje te spannen, onze daden gemakkelijk aan hem toe te schrijven, gebruiken wij ook niet de Naam zelf maar onderschikken wij ons door over Heer te spreken. David maakt duidelijk dat dit ook een politieke keuze is. Als je de God van Israël met Heer aanspreekt dan spreek je uit dat er naast die God geen andere heren kunnen zijn. Dan belijd je dat de “heren”, de machtigen, net zo ondergeschikt zijn aan de ene Heer van de wereld als iedereen anders. Het Bijbelverhaal spreekt dan ook altijd over mensen die de heersende koning tegenspreken en wijzen op dat wat met God was overeengekomen. David werd voor zijn relatie met Uria dan ook fors op de vingers getikt door een profeet. Het is God die ons de rijkdom schenkt die we hebben, niet omdat we zo goed zijn maar omdat we met de armen van deze wereld kunnen delen, omdat we de vreemdelingen kunnen behandelen als behorend tot ons eigen volk, omdat die God dus het goede brengen en niet dan het goede. Daar mogen wij ook die God dankbaar voor zijn. Voor een Koning moet je buigen leren we, maar de enige koning waarvoor je echt moet buigen is de God van Israël, daar mogen we wel wat vaker bij nadenken.

Een vrijwillige gave

januari 9, 2017

1 Kronieken 29:1-9

 1 ¶  Daarna wendde David zich tot de verzamelde Israëlieten: ‘God heeft mijn zoon Salomo uitgekozen, hem alleen, een jongeman nog, zonder ervaring. Zijn taak is zwaar, want de burcht die hij moet bouwen is niet voor een mens bestemd, maar voor God, de HEER. 2  Ikzelf heb me tot het uiterste ingespannen om zo veel mogelijk materiaal voor de tempel van mijn God bijeen te brengen: ik heb goud verzameld voor de gouden voorwerpen, zilver voor die van zilver, koper voor die van koper, ijzer voor die van ijzer, hout voor die van hout, en verder een grote hoeveelheid onyx en edelstenen om in te zetten, mozaïeksteentjes om in te leggen en allerlei andere kostbare gesteenten en soorten marmer. 3  Bovendien, de tempel van mijn God gaat mij zo ter harte, ik stel boven op alles wat ik al voor het heilige huis bijeen heb gebracht mijn hele persoonlijke vermogen aan goud en zilver voor de tempel van mijn God ter beschikking: 4  drieduizend talent goud uit Ofir en zevenduizend talent puur zilver om de wanden van de vertrekken mee te versieren, 5  goud voor de gouden voorwerpen die de ambachtslieden zullen maken en zilver voor die van zilver. Wie van u stelt zich vandaag in dienst van de HEER door een vrijwillige gave te schenken?’ 6  De familiehoofden en de stamhoofden van Israël, de bevelhebbers over de eenheden van duizend en van honderd man en de hoofden van dienst schonken allen een vrijwillige gave. 7  Zij stonden voor het werk aan de tempel van God vijfduizend talent baar goud en  tienduizend gouden munten af, tienduizend talent zilver, achttienduizend talent koper en honderdduizend talent ijzer. 8  Wie edelstenen bezat, stelde ze ter hand aan de Gersoniet Jechiël ten bate van de schatkamer van de tempel van de HEER. 9  Het volk bracht zijn gaven met vreugde, want men was van ganser harte bereid een bijdrage te schenken voor de HEER. Ook koning David was zeer verheugd.(NBV)

Elke Christelijke kerk en groepering kent één gemeenschappelijk gebruik, dat is de collecte. In de Protestantse Kerk Nederland zijn er in de kerkdiensten in het algemeen twee collecten die direct na elkaar worden gehouden. Veel geleerden en dominees vinden die collectes maar bijzaak. Maar wie de collectes goed bekijkt ziet dat ze een wezenlijk onderdeel uitmaken van een kerkdienst. In de eerste plaats zijn het geen offers. Offers als dank voor Gods genade zijn niet op zijn plaats, offers om God ergens voor in beweging te krijgen ook niet. Alles is immers ons toegevallen uit Gods hand. Alles is al van God en hoeft niet nog eens te worden teruggegeven. De twee collectes in de kerkdiensten van de Protestantse Kerk Nederland hebben elk een verschillende bestemming. De ene is bestemd voor de diaconie, de armenzorg en de andere collecte is bestemd voor het laten bestaan van de kerkelijke gemeenschap, alles kost nu eenmaal geld. De gemeente drukt uit een gemeente te zijn waarvan de zorg voor de armsten een wezenlijk onderdeel uitmaakt van die gemeente en de gemeente drukt uit dat zonder de gemeente er eigenlijk ook geen zorg voor de armen is.

De Christelijke kerk stelt zich daarmee in de traditie van de Bijbel. Moest Mozes dit delen nog onderwijzen aan het volk en legde hij daarom de bijdrage voor de Tabernakel verplicht op, Koning David weet dat de Tabernakel alleen een Tempel zal kunnen worden als het volk bereid is alles over te hebben voor de God van Israël. David stelt zichzelf hier tot voorbeeld. De vrijwillige bijdrage wordt niet gevraagd als een door de Koning opgelegde belasting waarvan een mooi paleis kan worden gebouwd en een leger kan worden onderhouden, Samuël had hier tegen gewaarschuwd,  maar de bijdrage is bestemd voor de Tempel van God en de eerste die daar een geweldige bijdrage aan wil geven is de koning zelf. Onderschat de bijdragen niet, David geeft zowel uit de Koninklijke schatkist als uit het door hem zelf verkregen vermogen een fortuin voor de Tempel. Dat het niet gaat om de eer van de Koning maar om de eer van de God van Israël wordt in het Hebreeuws uitgedrukt door voor Tempel het woord burcht te gebruiken. Dat onze God een vaste burcht is zal later in een Psalm in de Tempel worden bezongen en zal in de reformatie die we dit jaar herdenken door Maarten Luther nog eens worden nagezongen.

Maar waar blijft dan die zorg voor de armen in dit schitterende verhaal over de bouw van de Tempel. Die zorg ligt in de relatie die in de leer van Mozes wordt gelegd tussen de Tempel en de zorg voor de armen en de vreemdelingen. De Tempel maakt dat alle onderdanen van de God van Israël gelijk zijn. Natuurlijk zijn er rijken en armen. Als er geen rijken waren zouden de armen nooit worden geholpen en als er geen armen waren dan hadden de rijken niemand meer om mee te delen. de Bijbel heeft dus geen hekel aan de rijken maar vervloekt de armoede die telkens weer een kans krijgt mensen in haar greep te krijgen. Daarom staat in de leer van Mozes dat men tenminste één maal per jaar, het liefst drie maal per jaar, op moet trekken naar het Heiligdom van de God van Israël. Dat zal de Tempel worden. Daar moest elke familie een maaltijd houden voor de familie, voor de priesters en levieten, maar ook voor de armen uit het dorp en de vreemdelingen die bij hen woonden. Dat is een richtlijn die wij uiten in de diaconale zorg. Niet alleen met geld maar ook met inzet van eigen tijd en energie. Tienduizenden gelovigen uit de kerken van Nederland doe vrijwilligers werk voor vreemdelingen en vluchtelingen, werken in de zorg voor zieken en gehandicapten en bezoeken de gevangenen. Door dat zo te doen vragen ze iedereen daar aan mee te doen, u bent ook vandaag weer van harte welkom.