september 2, 2010
Deuteronomium 29:1-14
Strikt genomen waren alleen Mozes zelf en Jozua en Kaleb getuigen geweest van de slavernij in Egypte. Maar de generaties die in de woestijn zijn opgegroeid wordt nu de slavernij in Egypte present gesteld. Zij zijn het volk dat uit de slavernij is bevrijd. Zoals de Afro Amerikanen in de Verenigde Staten en de Surinamers in Nederland nog weet hebben van het slavernij verleden waar hun voorouders onder geleden hebben. Zo zouden de generaties van na de Tweede Wereldoorlog nog weet moeten hebben van het leed van de bezetting, het uitroeien van mensen in concentratiekampen en de vernedering en de dood in de interneringskampen in de Oost. Weet hebben van het leed dat is geleden kan maken dat je dat leed weet af te weren, dat het zich niet meer herhaald. De generaties die in het land Moab opnieuw een verbond met de God van Israël moeten sluiten hebben in elk geval weet van de strijd die nodig was om dat punt in de uittocht te bereiken. Zoals wij nu ook weet hebben van de strijd in Vietnam, de val van de Berlijnse Muur en de oorlogen in de Golf, allemaal bedoeld om de wereld veiliger en welvarender te maken. In de dagen van Mozes opende de overwinning op de Koningen van Chesbon en Basan en verdeling van een deel van het land onder de stammen Ruben en Gad en de helft van Manasse de ogen van het volk. Maar bij het sluiten van het verbond zijn niet alleen de stamhoofden en de oudsten betrokken, maar ook de schrijvers en verder alle mannen en vrouwen. En alle vreemdelingen die als gastarbeider binnen het volk van Israël werken. Het is dus ook niet aan ons de vreemdelingen, die onder ons werken en die soms een paar generaties geleden al naar ons land gehaald zijn om hier te werken, uit te sluiten en te vernederen. Pas als iedereen mee kan doen wordt je tot een volk dat een verbond kan sluiten met de God van Israël, nu en in de toekomst. Het begin van dat verbond, waarin de Wet van de God van Israël door het volk wordt aanvaard, is dus dat iedereen mee mag doen. Al die discussies over wie wel bij ons volk mag horen en wie niet zijn in elk geval niet aan de orde voor de mensen die bij de God van Israël willen horen en die ook in de samenleving en het landsbestuur iets willen laten doorklinken van hetgeen de God van Israël aan zijn volk heeft willen meegeven. Het is aan het kind van dat volk, Jezus van Nazareth immers te danken dat het verbond, dat die Wet, in ons hart gegrifd mag zijn en dat ook wij Heidenen bij dat volk mogen horen. Het volk waar alle volken van de aarde, dus ook ons volk, zich naar mogen richten en de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf tot hoofdlijn van landsbestuur en wetgeving mogen maken. Wij kunnen dat doen door ons gedrag daardoor te laten leiden, dat kan ook vandaag weer.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »
september 1, 2010
Filemon 15-25
Natuurlijk schreef Paulus niet dat Onesimus een weggelopen slaaf was. Een organisatie die weggelopen slaven hielp zou geen lang leven beschoren zijn in het Romeinse Rijk. Filemon weet heus wel wie die Onesimus was. Want wellicht heeft die bij zijn vlucht ook nog het een en ander meegenomen dat niet van hem maar van zijn meester was. Paulus biedt in elk geval aan eventuele schade te vergoeden, al heeft het verkondigen van het Evangelie aan Filemon veel meer opgeleverd dan Paulus ooit zou kunnen terug betalen. Maar Onesimus keert terug als broeder van Filemon. Dat was de manier waarop in de Christelijke gemeenten met elkaar wordt om gegaan. Er zit een klein grapje in deze brief. De naam Onesimus betekent iets als nuttige, en eerst noemt Paulus hem onnutte slaaf en nu wordt hij pas nuttig. Paulus volgt in deze brief nauwkeurig de regels van de rethorica, de kunst van het overtuigen. Door de manier van terugsturen die Paulus kiest heeft dit kleine briefje grote maatschappelijke gevolgen. Want als elk verschil tussen ras en stand, tussen mannen en vrouwen, tussen autochtonen en allochtonen, tussen bazen en knechten, tussen slaven en eigenaars, wegvalt dan keert de bestaande samenleving zich radicaal om, ook in onze dagen nog. Die Onesimus was in de ogen van de Romeinse samenleving een zware misdadiger die zonder verder proces direct ter dood zou zijn gebracht. Een ontsnapte slaaf die ook nog gestolen had, erger kon bijna niet, alleen een opstandeling zoals ze van die Jezus van Nazareth hadden gevonden was misschien nog erger. De boodschap die Paulus brengt keert die samenleving om. Niet door een revolutie, niet door een opstand, maar door in de christelijke gemeente alvast met die nieuwe samenleving te beginnen. Door vrede te bewaren en liefde op te brengen zelfs voor zijn beulen had Jezus van Nazareth immers uiteindelijk de kruisdood doorstaan en was zijn leven voortgezet. Dat maakt dat ook ieder van ons elke dag opnieuw kan beginnen met die nieuwe samenleving. Door de armen recht te doen, door hongerigen te voeden en naakten te kleden, door bedroefden te troosten en vreemdelingen te respecteren. Als een slaaf als Onesimus ook onze broeder is geworden dan zijn eigenlijk alle mensen in de wereld onze broeders en zusters. Wij gaan immers niet over het oordeel wie er wel en wie er niet bij het Koninkrijk van God behoort, dat oordeel is aan God. Wij mogen er mee beginnen. Zoals gewoonlijk hoopt Paulus bij de gemeente van Filemon langs te kunnen komen, ook in gevangenschap blijft hij op een goede afloop vertrouwen. Epafras, stichter van de gemeente in Kolosse, zit met hem gevangen. Maar de medewerkers Marcus, Demas, Lucas en zelfs Aristarchus uit Tessalonica zijn nog bij hem. Mensen zijn lang en ver met Paulus meegetrokken door het Romeinse Rijk om overal mensen te bevrijden van de knellende banden en angst voor de dood die het Rijk hen oplegde. Wij mogen net als Filemon en zijn huisgenoten gewoon in onze eigen omgeving beginnen, beginnen aan het werk voor het Koninkrijk van God, ook vandaag weer.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »
augustus 31, 2010
Filemon 1-14
Vandaag beginnen we te lezen in het meest persoonlijke briefje dat in de Bijbel is opgenomen. Een klein briefje eigenlijk ook. Van de een aan de ander. Zoiets als de brief van Lubbers aan Verhagen met de oproep op te houden met onderhandelen met de PVV. Dat was een open brief en ook de brief aan Filemon is geadresseerd aan meer dan de ene man om wie het uiteindelijk gaat, Filemon. Ook zijn vrouw Apfia en de collega van Paulus Archippus worden aangesproken en de gemeente die bij Filemon aan huis samenkomt. Vers 3 is de groet die tot op vandaag de dag in veel kerken is te horen bij het begin van de kerkdient. Daarmee begroet de voorganger de gemeente en treed zo in de voetsporen van de apostelen door in de voetsporen van Paulus te treden. In de kerk wordt immers nog steeds datzelfde Evangelie verkondigd dat ook Paulus en de andere apostelen verkondigden. Maar Paulus noemt zich in deze brief geen apostel, hij noemt zich gevangene. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft hier “omwille van Christus vertaald” omdat tegenwoordig aangenomen wordt dat Paulus het briefje in gevangenschap heeft geschreven. Vorige vertalingen vertaalden met gevangene van Christus, daarmee aangevend dat de boodschap uit het briefje heel erg ook van Jezus van Nazareth komt. De geadresseerden zijn goede bekenden van Paulus en staan ook als erg gelovig bekend. Ze horen echt bij de jonge Christengemeenschap die zich in het Romeinse Rijk aan het vormen is. Daarom neemt Paulus aan dat een bevel niet nodig is en dat hij in deze zaak met een verzoek kan volstaan. Het gaat om de slaaf Onesimus. Die heeft zich bij Paulus bekeerd tot het Christendom maar het was een slaaf van Filemon. Dus kun je tussen de regels door lezen dat het een ontvluchte slaaf was, kennelijk weggelopen om aan een straf te ontkomen. Hij was immers niet van nut. Nu moest een onvluchte slaaf direct ter dood worden gebracht. Anders konden slaven altijd wel vluchten. Nee slaven moesten op hun plek blijven anders koste het hun leven. Paulus trekt zich hier niks van aan. Slaven zijn mensen en mensen moeten bevrijd worden van de slavernij, de God van Israël had immers de slaven uit Egypte geleid en die bevrijding zou door Jezus van Nazareth iedereen ten deel vallen. Waarom ook niet de slaaf Onesimus? Een goede vraag. Protestantse slavenhouders in het zuiden van de Verenigde Staten verboden dan ook de bekering van slaven, ze zouden dan bevrijd moeten worden en dat konden ze niet hebben. Paulus pakt het subtiel aan en overlegt met Filemon. Wij moeten leren dat, ook al gaat in tegen onze zeden en gewoonten, we een ander als broeder moeten blijven zien. Uitsluiten, verguizen, wegsturen is er niet bij. Wie zich onder ons bevindt is onze broeder en zuster, dat is het kenmerk van het Koninkrijk van God waarin we willen werken en waaraan we vorm willen geven, getuige van willen zijn. Dat zullen we dus ook vandaag weer waar moeten maken, en gelukkig heeft God ons daarvoor de Geest gegeven.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »
augustus 30, 2010
Lucas 14: 25-35
Zucht naar populariteit is Jezus van Nazareth vreemd. Hij is op weg naar Jeruzalem en hele scharen trekken met hem mee. Hij had op die weg een wetgeleerde de raad gegeven de Wet van Mozes te volgen, met dat prachtige verhaal over die Samaritaan. En in die wet staat dat je je vader en moeder moet eren. En nu zegt hij dat je geen leerling van hem kan zijn als je je vader en moeder niet haat, ja zelfs als je je hele familie niet haat. Hoe zit dat nu? Je moet afscheid nemen van alles wat je bezit, bereid zijn te lijden als het nodig is. Dat moet je niet achteraf opbrengen, dat moet je vooraf bedenken, zoals een bouwer vooraf bedenkt wat het gaat kosten, zoals een koning voor de oorlog bedenkt hoeveel soldaten hij nodig heeft. Jezus van Nazareth heeft uit de ontmoetingen met Farizeeën en Wetgeleerden kennelijk het gevoel over gehouden dat het op zijn reis naar Jeruzalem wel eens heet zou kunnen toegaan. Een menigte die achter hem aanloopt omdat hij zulke mooie dingen doet en van die geweldige dingen zegt zou wel eens van een koude kermis thuis kunnen komen als het niet gewaarschuwd is. Voor ons lijkt die waarschuwing terecht. Wij kennen immers de afloop, wij weten van het kruis en het lijden. Maar we weten ook van de intocht in Jeruzalem met de palmtakken en de mantels op de straten. En dat wisten de eerste lezers van het Evangelie van Lucas ook, die waren immers al in de eerste gemeenten. De waarschuwing geld dus kennelijk niet alleen voor al die mensen die achter Jezus van Nazareth aansjouwden toen hij op weg was naar Jeruzalem maar ook voor al die mensen die het met hem wilden en willen wagen op weg naar het nieuwe Jeruzalem. Al die Christenen in hun nette pakken op zondagmorgen in de kerk worden opgeroepen afscheid te nemen van alles wat ze bezitten. Als die mensen die praise en worship zingen lopen de kans weggegooid te worden als ze hun partner en hun kinderen niet haten. Dat klinkt hard, maar ook in onze dagen lopen we de kans ons meer met onze eigen omstandigheden bezig te houden dan met de armen en de vreemdelingen. We zingen toch mooi, we bidden toch hard, we liegen niet, we stelen niet en we vermoorden niemand. Maar dat is bij lange na niet genoeg. Groepen in onze samenleving worden tegen elkaar opgezet en vrede brengen betekent je nek uitsteken, het risico lopen uitgescholden te worden door de opstokers met een grote bek, de laffe angsthazen. De armen lopen in onze dagen het gevaar afgenomen te worden ook dat wat ze nog hebben, te beginnen bij de gepensioneerden. De hongerigen moeten het maar even zelf uitzoeken als wij de gevolgen van de financiëlen crisis moeten oplossen. De rijken moeten immers hun hypotheeksubsidie houden. Zolang wij aan familie, carière en bezit vasthouden worden we dus geen leerling van Jezus van Nazareth. Loslaten dus, het kan vandaag nog.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »
augustus 29, 2010
Lucas 14:12-24
Die opstanding der rechtvaardigen brengt menigeen in verwarring. Want na de dood is alles toch afgelopen? Het lichaam vergaat tot stof en de Adem die van God kwam keert weer terug naar God. De mens is niet meer. Er staat dan ook “in de opstanding der rechtvaardigen” en iedere keer als er rechtvaardigen opstaan hoor je er bij. Dat is de meest gangbare uitleg. Er zit nog een bijklank aan in dit verhaal. We hebben al eens gelezen uit het boek van de Makkabeeën, een boek dat niet in de Bijbel staat maar volgens Luther het best waard is om daar bij te lezen. Daar werden mensen zwaar gemarteld omdat ze vasthielden aan de Wet van de God van Israël. Heel van mensen in die dagen vonden het onrechtvaardig dat die martelaren moesten sterven en hun beulen mochten voortleven. Als God rechtvaardig zou zijn dan zouden die martelaren ook vast deel hebben aan het land dat God zou geven na het eind van de geschiedenis. Dan zouden die martelaren dus weer opstaan, de opstanding van de rechtvaardigen. Jezus van Nazareth verbindt dus het delen van brood, het maken van een feestmaal voor de armen en behoeftigen met het gevaar gemarteld te worden. Mensen die hechten aan hun bezit en hun eigen belang verliezen zo gemakkelijk het belang van het delen met de armsten uit het oog. Iedereen die werkt in een vrijwilligersorganisatie kent de smoezen die hier mensen weghouden van het feestmaal uit het hoofd. Ze worden tot op de dag van vandaag gebruikt en aan het begin van een nieuw winterseizoen worden ze ons weer in herinnering gebracht. Ons inkomen is belangrijker, we hebben het druk op het werk, ofwel we hebben net een akker land gekocht. Weer een ander heeft net een auto gekocht en moet die onderhouden alsof er vijf span ossen zijn gekocht. Nog iemand is net getrouwd en heeft alle tijd nodig voor het nieuw gevormde gezin. We hebben het allemaal te druk om voor een ander bezig te zijn, om mee te doen aan de schrijfavond voor Amnesty, om een halve dag in de week in de Fair Trade of de kringloopwinkel te staan, om een taalles te geven in een asielzoekerscentrum, om een zieke te bezoeken voor de Zonnebloem, om met de Justitiepredikant een gevangene te bezoeken, om voedsel te sorteren in de voedselbank, om voor te lezen op een kleuterschool in de buurt, kortom om mee te werken aan de komst van het Koninkrijk van God. Daarom zie je steeds meer werklozen, gehandicapten en armen in het vrijwilligerswerk. Maar vergeet niet. Pas als je je weet in te zetten voor die nieuwe samenleving, waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar alle leed geleden zal zijn, dan pas zul je gelukkig worden. Niet het geluk van materiële rijkdom, niet het geluk van veilig te zijn voor het geweld van de rijken, maar het geluk van de vreugde in de ogen van de mens die eindelijk iemand naast zich heeft. Dat kan ook vandaag weer.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »
augustus 28, 2010
Lucas 14: 1-11
Die maaltijd is een verzinsel van de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling. Er staat in het Grieks “om brood te eten” En we weten dat die uitdrukking te maken heeft met het leren van de Tora, de Wet van Mozes. Dat brood, het ongezuurde brood van de bevrijding, en het Manna dat in de woestijn als brood gegeven was, speelt daarbij een grote rol. Jezus van Nazareth zou vlak voor zijn dood het brood breken en delen met zijn leerlingen en hen de opdracht geven dat te blijven doen als herinnering aan hem. In Joodse zin betekent dat het steeds weer aanwezig maken van die gebeurtenis, zoals bij de maaltijd voor de Pesach, ons paasfeest, steeds weer de bevrijding uit de slavernij present wordt gemaakt. Steeds weer moeten we immers bevrijd worden. Dat brood eten met Farizeeën heeft dus een veel wijdere strekking dan alleen een keer gaan eten op de Sabbat. Ook hier gaat het om bevrijding. In dit geval ook present gesteld door een zieke. Waterzuchtige staat in onze vertalingen, Huub Oosterhuis en Alex van Heusden zetten in hun vertaling van het Evangelie van Lucas er een hongeroedeem neer. De Griekse term wijst inderdaad op honger en van kinderen in hongersnoodgebieden weten we dat die een opgezette buik krijgen van het water dat ze vasthouden. Je geneest dat door eten te geven en de vraag die Jezus van Nazareth hier stelt is of je op de rustdag door God gegeven je brood mag delen met iemand die dat brood zeer hard nodig heeft. De Farizeeën zwijgen want ze weten dat die Sabbat niet alleen een rustdag is. Het is ook de dag dat God zag dat het goed was, de dag die nog komen zal als alle tranen gedroogd zullen zijn. Ook op die dag gaat onze blik dus als eerste naar de zwakken, de hongerigen. Die dag is bij uitstek de dag om de komst van het Koninkrijk van God dichterbij te brengen. Maar dat raakt niet alleen de positie van de zwaksten, daarbij komt ook je eigen positie in het geding. Ook bij het delen van brood met de armen gaat het niet om het geven van aalmoezen maar om het benadrukken dat die ander net als jij is. Daar het gaat het tweede gedeelte van de lezing van vandaag over. Wie waar aan tafel mag zitten kan ook in onze dagen een zaak van groot gewicht zijn. Zitten we bij de kapitein aan tafel of gewoon ergens in de eetzaal. Voor Jezus van Nazareth is het duidelijk, begin maar onderaan, als je daar niet hoort dan wordt je vanzelf naar een belangrijker plaats geroepen. Maar weggestuurd worden is een vernedering. Ook als je bij het laagste begint mag je beseffen dat de ander net als jij is. Die zogenaamd belangrijke plaatsen maken je als mens niet beter. Alleen dat delen van het brood, de kennis van de Wet van heb je naaste lief als jezelf, dat maakt je een beter mens, meer mens zal Paulus later ergens zeggen. Daar mogen we vandaag ook weer aan werken, zoals elke dag dat we ons dagelijks brood eten.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »
augustus 27, 2010
Hebreeën 13: 17-24
Dit slot van de brief aan de Hebreeën maakt dat je bijna zou gaan denken dat de brief door Paulus is geschreven. De hoop om snel bij de gemeente te zijn aan wie de brief is gericht, de opmerkingen over Timoteüs, je vindt vergelijkebare opmerkingen letterlijk terug in brieven waarvan wel vaststaat dat ze van Paulus afkomstig zijn. Van deze brief staat na veel wetenschappelijk onderzoek vast dat die in elk geval niet van Paulus kan zijn. Maar het was in de tijd dat de brief werd geschreven wel vaker gebruikelijk dat een geschrift werd uitgegeven alsof het van een bekende schrijver of denker afkomstig was. Het was de garantie dat het geschrift gezag kreeg en vaker werd gelezen. In onze tijd zou de uitgever er wat meer geld aan verdienen maar dat was in de dagen van het Romeinse Rijk niet het geval. Geschriften moeten worden overgeschreven wilden ze verspreid worden en rijken lieten hun slaven de geschriften overschrijven om aan vrienden en bekenden te geven of te sturen. De jonge Christelijke gemeenten hadden zulke schrijfslaven als lid en daardoor vonden geschriften als deze brief een snelle verspreiding onder de gemeenten. Een groot deel van de brief aan de Hebreeën gaat over de strijd tegen verkeerde invloeden op het denken en geloven van de gemeenten. Dat aan het eind wordt opgeroepen om te gehoorzamen aan de voorgangers is daarom niet zo vreemd. Zij immers hebben en hadden tot taak de gemeente zo voor te lichten dat die zicht kregen en krijgen op het Evangelie van Jezus van Nazareth, de boodschap dat de armen worden bevrijdt en dat we op weg kunnen naar een nieuwe aarde en een nieuwe hemel waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Een brief als deze is bemoediging. Net als in de dagen dat de brief werd geschreven is het ook nu zo dat de meerderheid van de mensen denkt dat het allemaal maar flauwekul is dat Christelijk geloof. Er komt immers nooit een betere wereld, zelfs het geld dat opgehaald is voor Haïti of Pakistan verdwijnt in de zakken van de rijken en bereikt maar nauwelijks de armen die het zo hard nodig hebben. En als je aan rampen wil geven kan je wel aan de gang blijven. Dat de Bijbel oproept om inderdaad aan de gang te blijven en je niks aan te trekken van de rijken en de machtigen die het eerlijk delen, het voeden van hongerigen en kleden van de naakten zoals in Pakistan en Haïti zo nodig is, tegenhouden en teniet willen doen horen veel mensen niet. Pas als we in beweging blijven en door blijven gaan met delen, desnoods dwars door de dood heen zoals Jezus van Nazareth, pas dan gaan we op weg naar die nieuwe aarde. De vernedering die daarbij hoort moeten we op de koop nemen, die is nooit groter dan de vernedering die Jezus van Nazareth werd aangedaan. Daarom klinkt het ook vandaag weer dat we door moeten gaan en volhouden.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »
augustus 26, 2010
Hebreeën 13:7-16
Als het dan gaat om de samenleving als zodanig, om de aarde in haar geheel, hoe moeten we ons dan gedragen? Het laatste vers van het gedeelte van vandaag geeft op die vraag voor ons het meest heldere antwoord, liefdadigheid en solidariteit, dat zijn offers waarin God behagen schept. En die uitleg maakt ook duidelijk wat er in de rest van het gedeelte van vandaag wordt bedoeld. Tenminste als we ons de sectes in gedachten nemen waarmee de jonge christelijke gemeenten te maken hadden. Er waren Joodse sectes die wilden dat de Heidenen die mee wilden doen met de God van Israël helemaal volop Joods zouden worden, dat schrikte veel mensen af die eigenlijk wilden mee doen. Er waren Heidense scholen, mysteriescholen, die het Oude Testament verwierpen en die leerden dat mensen in de loop van hun geloofsontwikkeling zouden veranderen en één konden worden met het goddelijke. In deze passage worden beide opvattingen bestreden en verworpen. De jonge Christelijke gemeenten beriepen zich op de leer van de Apostelen, de zendelingen die door Jezus van Nazareth zelf de wereld in waren gezonden. Die hadden het nooit gehad over een verandering die je zou moeten ondergaan. Dat gold nog het meest voor Jezus van Nazareth zelf die altijd dezelfde zal blijven. Dat je bij het Koninkrijk van God zal mogen horen hangt in elk geval niet af van wat je wel of niet eet zoals de Joden de Heidenen voorhielden. De schrijver van de Hebreeënbrief wijst nog eens op de offergeboden voor de grote verzoendag. De priester mag wel het Heilige ingaan, de hogepriester zelfs het Heilige der Heiligen en daar het bloed sprenkelen dat symbool staat voor het leven waarvoor gekozen wordt door te kiezen voor de Wet die in het Heilige der Heiligen bewaar wordt, maar die priester en die hogepriester mogen van het vlees van de offerdieren niet eten, die moeten verbrand worden buiten de legerplaats, de rusplaats van het volk in de woestijn. Als je dus in liefdadigheid en solidariteit jezelf offert dan krijgen priester en hogepriester daar dus in elk geval geen deel aan, dan gaat het bij uitstek om de armen, om de mensen die buiten de samenleving zijn geplaatst. Daar, buiten de samenleving, was ook Jezus van Nazareth op het diepst van zijn lijden. Daar hoort dus ook de Christelijke gemeente thuis, bij de mensen die bespot en verguisd worden. Want onze samenleving zal veranderen, aan de huidige samenleving komt een einde aan, het wordt een samenleving waarin iedereen mee mag doen, waar de hongerigen gevoed worden en de bedroefden getroosd. Dat is de samenleving die de God van Israël voor ons geschapen heeft, waar dus zijn lof klinkt, ononderbroken. Dat is ook de samenleving waar we dag in dag uit aan mogen werken, ook vandaag weer.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »
augustus 25, 2010
Jesaja 66: 18b-24
Soms is de vraag waarom er toch zoveel politiek zit in de uitleg van de Bijbel. Het gaat toch om je eigen zaligheid, je eigen geloof, je eigen heil? Het gedeelte dat we vandaag lezen bepaald ons maar weer eens bij het feit dat het in de Bijbel nooit echt om je eigen geluk gaat, maar om een aarde die voor alle mensen ontdaan is van haar chaos en een leefbare aarde voor alle mensen is geworden. En de aarde zo inrichten is politiek. Daarvoor worden mensen opgroepen hun eigen belang, zichzelf daarmee ook, op te geven en daaraan ondergeschikt te maken. Alle landen en volken worden opgeroepen om samen te doen en de luister van God te zien. Wat is dan de luister van de God van Israël? Dat hebben we eerder in het boek van de profeet Jesaja kunnen lezen en dat kunnen we overigens ook in de hele Bijbel telkens weer lezen. De luister van de God van Israël is dat Hij samen met mensen optrekt en hen bevrijdt uit de slavernij, dat Hij een volk vormt dat een land krijgt waar het goed is te leven, overvloeiende van melk en honing. En dat volk zal zorgen voor de zwaksten onder hen, de hongerigen voeden, de armen recht verschaffen, dat is het geschenk van God aan Israël en door Israël aan alle volken op aarde. Of de hongerigen worden gevoed en allen ook echt mee mogen doen is de toets voor de vraag wie er uiteindelijk mee mogen doen en wie niet. Alle volken worden opgeroepen, hier worden de volken genoemd waar Israël kennis mee gemaakt heeft, volken tot in Afrika toe en zeker alle volken rond de Middellandse zee. Het zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde worden. Niet zomaar, niet zonder strijd en verzet, er zullen er zijn die zich verzetten en dat verzet met de dood moeten bekopen. Maar uiteindelijk zullen alle volken zich wenden tot Jeruzalem, de term die in de Bijbel voortdurend gebruikt wordt voor het beeld dat elk volk op aarde zich zal inrichten naar de wegwijzers die aan Israël in de woestijn werden meegegeven, houd van je naaste als van jezelf. Daar ligt het vieren van alles wat nieuw wordt met de nieuwe maan, een oude Israëlische feestdag, daar is de rustdag elke zeven dagen die bevrijdt van de slavernij van de arbeid, die feestdagen zullen door alle volken op aarde gevierd worden. Met die zevende dag waren we aardig op weg, de tegenstanders van delen, van zorgen voor de zwaksten zijn in onze dagen een campagne begonnen om die rustdag af te schaffen zodat iedereen weer slaaf kan worden van productie en consumptie. Ze doen dat onder de valse leus van vrijheid om te consumeren, we moeten mogen werken wanneer we willen en kopen wanneer we willen. Dat het verslavend werkt ontgaat hen. Jesaja roept ons op om een andere weg in te slaan. De weg van het bevrijden van de arbeid van de slavernij, het in de vrijheid stellen van mensen, ter eer van God. Jezus van Nazareth heeft ons laten zien hoe daar vandaag al mee kan worden begonnen.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »
augustus 24, 2010
Jesaja 66:7-18a
Dat was een lastig probleem na de ballingschap. In het land Israël woonde een handjevol afstammelingen van achterblijvers bij de ballingschap. En nu kwamen daar de ballingen bij die terugkeerden uit ballingschap. Zo werd het tenminste genoemd maar die teruggekeerde ballingen waren afstammelingen van hen die oorspronkelijk in ballingschap waren weggevoerd. Ze hoorden allemaal tot hetzelfde volk, zo werden ze beschouwd en zo beschouwden ze zichzelf. Maar ze hadden een heel verschillende geschiedenis. Ze hadden hun gewoonten en hun geloof in stand moeten houden onder heel verschillende omstandigheden. Ze hadden dan ook heel verschillende antwoorden op vragen van geloof en leven. Met de vraag of dat allemaal wel kan, dat vormen van één nieuw volk, zonder een aanlooptijd, zonder een gemeenschappelijke geschiedenis begint het gedeelte dat we vandaag lezen. Het is de vraag van de integratie. Een vraag die ook wij kennen. Hoeveel generaties gaan er voorbij voordat integratie is geslaagd? De geschiedenis van de Verenigde Staten leert ons dat het verschillende generaties zijn en dat het langer duurt als de integratie wordt tegengewerkt. Veel Amerikanen van Afrikaanse afkomst zijn ook na eeuwen nog bezig te integreren. En de Italianen die eind 19e en begin 20e eeuw zwaar werden gediscrimineerd moeten het crimineel imago dat daarna werd opgebouwd nog steeds bestrijden. Door die geschiedenis zouden we gewaarschuwd moeten zijn. In het boek van de profeet Jesaja klinkt de oplossing eenvoudig. Zorg dat je met elkaar deelt en dat je zorgvuldig omgaat met het leven dat je neemt om je te voeden. De gewoonten en regels die vastliggen in de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf moeten het uitgangspunt voor het volk vormen. Dan zul je rijk worden en samen welvaart kunnen beleven. De mensen die zich niet aan die gewoonten en regels uit die Wet willen houden, die niet zorgvuldig met het leven van dieren omgaan en die vasthouden aan gewoonten van afgoden die horen niet bij het volk, die worden daar buitengesloten. Voor ons ligt dat niet zo gemakkelijk. Wij hebben een vrijheid van godsdienst en daar zijn we trots op. Rooms Katholieken en protestanten vervolgen en doden elkaar niet meer zoals ze ooit hebben gedaan. Dat willen we ook niet meer terug. In die tijd is de overtuiging geboren dat we pas een welvarend volk kunnen worden als we elkaar tolereren, als we iedereen op de wereld tolereren, ieder geloof en elke overtuiging. We zijn daarna niet voor niets 400 jaar het grootste Moslim land van de wereld geweest, een land waar godsdienstvrede heerste. De oplossing van Jesaja kunnen we dus ook tot de onze maken dezer dagen, delen met elkaar en samen opnieuw een volk vormen, daar mogen we ook vandaag weer aan werken.
Geposted in Zonder categorie | Geen reakties »