Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Zwijg niet, God

februari 19, 2017

Psalm 83

1 ¶  Een lied, een psalm van Asaf. 2 God, houd u niet stil, zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe, 3 uw vijanden roeren zich, trots heffen uw haters het hoofd. 4  uw volk smeden zij een complot, ze spannen tegen uw lieveling samen, 5 en zeggen: ‘Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls naam zal nooit meer worden genoemd.’6 Zij hebben samen plannen gesmeed en zich tegen u verenigd: 7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de zonen van Hagar, 8 Gebal en Ammon en Amalek, Filistea en de bewoners van Tyrus. 9 Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten en de hand gereikt aan de zonen van Lot. sela 10 Doe met hen als met Midjan, als met Sisera en Jabin in het Kisondal, 11 die bij Endor werden vernietigd en als mest op het land bleven liggen. 12 Behandel hun vorsten als Oreb en Zeëb, hun leiders als Zebach en Salmunna, 13 die zeiden: ‘Wij bezetten het land waar God zijn woning heeft.’14 Mijn God, maak hen tot distelpluis, tot kaf dat verwaait in de wind. 15 Zo snel als vuur het bos verbrandt, als vlammen de bergen verschroeien, 16 laat zo uw storm hen voortjagen, uw wervelwind hen verwarren. 17 Overdek hen met schande, dan zullen zij vragen naar uw naam, HEER.18 Laat hen beschaamd staan, in verwarring raken en eerloos verloren gaan, voorgoed. 19 Dan zullen zij weten dat uw naam HEER is, dat u alleen de Allerhoogste bent op aarde. (NBV)

Vandaag zingen we mee met Psalm 83. Uit de vermelding dat het een psalm van Asaf is mogen we opmaken dat de Psalm gezongen werd bij de Tempel. Daar waar de Wet van de liefde werd bewaard en geoefend kwam het volk bij elkaar, waarschijnlijk voor een vastendag, samen te delen, maar ook om zich samen sterk te voelen als kinderen van de God die ooit had gezegd met hen mee te gaan. Want elk volk heeft zo zijn vijanden en zeker Israël kent een lange geschiedenis met volken die dat vruchtbare land wel zouden willen beheersen en zelfs bewonen. Er worden hier zelfs 10 vijandige volken genoemd waarvan er een aantal zelfs nog familie van Israël zijn. Edom, afstammelingen van Esau en de Ismaëlieten, afstammelingen van de oudste zoon van Abraham. Kennelijk waren ook de afstammelingen van Lot, de neef van Abraham in conflict geraakt met Israël. In de nieuwe Bijbelvertaling duikt overigens ineens Assyrië op in het rijtje, een land dat in andere vertalingen niet voorkomt.

De geleerden zijn het er niet over eens welke vijand hier nu weer wordt aangeduid. Het meest waarschijnlijk is de Arabische stam van de Assurieten die in het boek Genesis worden genoemd. Dat plaatst het ontstaan van de Psalm tenminste voor de ballingschap. God wordt gevraagd te doen met de vijanden wat er ook met de vijanden gebeurde in de dagen van de Rechters. In het Hebreeuws klinkt dit lied rauw en onheilspellend. Een paar duizend mensen dit lied horen zingen moet diepe indruk gemaakt hebben op de vijanden. Toch zingt de Psalm ook uit dat men niet zozeer voor eigen belang oorlog wil voeren. Juist de hebberigheid van de vijanden wordt veroordeeld. Daarom moet het een oorlog van de Heer zelf worden, ter bescherming van de armen, van de zwakken ook. Jezus van Nazareth zou veel later oproepen zelfs je vijanden lief te hebben. Een volk heeft niet altijd de keus geen oorlog te voeren als het wil blijven bestaan.

Maar uit deze Psalm kunnen we al leren dat er een groot verschil is tussen een veroveringsoorlog, waarbij de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf met voeten wordt getreden en een verdedigingsoorlog waarbij de nadruk ligt op het verdedigen van de zwaksten in de samenleving. In de dagen waarin deze Psalm ontstond was elk volk op zichzelf aangewezen. Bondgenootschappen werden gesmeed om er zelf beter van de worden. Bondgenootschappen gericht op onderlinge hulp en bijstand waren zeldzaam. Tegenwoordig hebben we de Verenigde Naties als organisatie gericht op het brengen van vrede en bescherming van de zwaksten op onze aarde. Daarom kunnen oorlogen worden afgemeten aan de vraag of ze met of zonder toestemming van de Verenigde Naties gevoerd worden. Maar dat we samen vragen om kracht om de armsten op aarde te beschermen is zeker vandaag een bede die we samen zingend kunnen aanheffen.

Een gulle gever zal gedijen

februari 18, 2017

Spreuken 11:22-31

22 ¶  Schoonheid bij een vrouw zonder verstand is een gouden ring in de snuit van een varken. 23 ¶  Wat een rechtvaardige verlangt, brengt niets dan goeds, wat een goddeloze hoopt, veroorzaakt rampspoed. 24 ¶  Wie vrijgevig is, wordt almaar rijker, wie gierig is, wordt arm. 25 ¶  Een gulle gever zal gedijen, wie te drinken geeft, zal te drinken krijgen. 26 ¶  Wie zijn graan vasthoudt, wordt door het volk vervloekt, wie het verkoopt, wordt gezegend. 27 ¶  Wie het goede zoekt, zal waardering vinden, wie het kwade zoekt, wordt door het kwaad getroffen. 28 ¶  Wie vertrouwt op zijn rijkdom is een blad dat valt, een rechtvaardige komt tot bloei. 29 ¶  Wie have en goed verwaarloost, krijgt er wind voor terug, zo’n dwaas wordt de slaaf van een wijze. 30 ¶  Een rechtvaardig mens plant een levensboom, wie wijs is, neemt veel mensen voor zich in. 31 ¶  Een rechtvaardige krijgt op aarde zijn loon, zondaars en goddelozen niet minder. (NBV)

Het boek Spreuken lijkt ook na herhaaldelijk lezen een losse verzameling spreekwoorden. Nu komt dat ook doordat sommige vertalingen dat versterken. In een oude vertaling staat bijvoorbeeld “wie laaft wordt ook gezalfd” waar tegenwoordig staat “wie te drinken geeft zal te drinken krijgen” Dat laatste zal eerder in het spraakgebruik worden opgenomen dan het eerste maar we hebben er al een prima spreekwoord voor: “Wie goed doet, goed ontmoet” Het vat het hele deel samen dat we vandaag uit het Spreukenboek lezen. Maar we moeten in de gaten blijven houden dat het nog steeds gaat om de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Daarbij is het boek Spreuken de alledaagse uitwerking van de Wetten van Mozes, de Wet die God gaf op de Horeb en die zich laat samenvatten als “Heb God lief boven alles en doe dat door je naaste lief te hebben als jezelf.”

De Wijze wordt nog steeds tegenover de dwaas gezet. De sociaal levende mens tegenover de egoïst. En ook al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. Daar begint het gedeelte van vandaag mee. Uiterlijke opsmuk, uiterlijke sier telt niet, alleen het gedrag telt. We zeggen zo gemakkelijk dat het innerlijk telt maar het innerlijk is alleen voor God zichtbaar en God wil nu eenmaal graag dat zijn heerlijkheid voor alle mensen zichtbaar wordt en dat wordt alleen zichtbaar in de liefde voor de naaste. Een rechtvaardige, iemand die de ander tot zijn of haar recht weet te laten komen is een mens van wie iets uitgaat. Die mens is op anderen ingesteld en merkt het direct als het die ander niet zo vergaat als hij zou willen dat het hem zelf zou vergaan. Doe de ander niet wat jij niet wil dat jou gedaan wordt is immers maar de helft van het verhaal.

De andere helft is dat je de ander zou moeten doen wat jij zou willen dat jou gedaan wordt. Als jij langs de kant van de weg ligt zou je toch willen dat iemand een hand uitsteekt om je te laten opstaan. Als jij honger hebt zou je willen dat iemand je voedt en als je dorst hebt zou je willen dat iemand je te drinken geeft. Nu spreekt het boek Spreuken wel gemakkelijk uit dat wie kwaad zoekt het kwaad zal overkomen maar dat merken we niet altijd in de praktijk. De onrechtvaardigen zwemmen in hun rijkdom, hun ogen puilen uit van vet zegt de psalmdichter. Maar die let dan ook op het einde van die onrechtvaardigen en dan is te merken dat dat einde niet plezierig is, ze worden in elk geval als vrekken en gierigaards niet met plezier herdacht en zijn geen voorbeelden voor de nakomende generaties. Wij mogen elke dag opnieuw ons leven vernieuwen door de Weg te gaan die de God van Israël ons wijst, de Weg van wijsheid zoals we die in het Spreukenboek vinden, de Weg van delen en zorgen voor de naaste. Dat mag ook vandaag weer.

Wie liefdevol is

februari 17, 2017

Spreuken 11:12-21

12 ¶  Wie zijn medemens kleineert, heeft geen verstand, iemand met inzicht zwijgt. 13  Bij een roddelaar is een geheim niet veilig, wie betrouwbaar is, hult zich in zwijgen. 14 ¶  Door gebrek aan visie gaat het volk ten onder, een keur van raadgevers brengt het tot bloei. 15 ¶  Wie borg staat voor een vreemde brengt zichzelf veel schade toe,  wie zo’n handslag wantrouwt, weet zich veilig. 16 ¶  Een vrouw verwerft haar eer door haar bevalligheid, een man zijn rijkdom door zijn kracht. 17 ¶  Wie liefdevol is, bewijst zichzelf een weldaad, wie wreed is, schaadt zichzelf. 18 ¶  De winst van een goddeloze is bedrieglijk, het loon van een rechtvaardige is duurzaam. 19 ¶  Wie werkelijk rechtvaardig is vindt het leven, wie uit is op het kwaad de dood. 20 ¶  De HEER verfoeit bedriegers, wie eerlijk leven, zijn hem welgevallig. 21 ¶  Zo zeker als een onrechtvaardige gestraft wordt,  zo zeker gaat het nageslacht van een rechtvaardige vrijuit. (NBV)

Hadden we bij het lezen van het eerste deel van dit hoofdstuk het nog over de manier waarop mensen zich tot elkaar verhouden bij het handeldrijven, in het tweede deel van dit hoofdstuk gaat het meer in het algemeen over hoe mensen zich tot elkaar verhouden in de samenleving. Waarbij die samenleving natuurlijk ook de plek is waar handel wordt gedreven en waar wordt genoten van de vruchten van dat handeldrijven. De nadruk ligt in een aantal verzen op het vermogen te zwijgen over wat je ziet. Je ergert mensen niet, je zet mensen niet tegen je op, je verspreidt geen laster en, wat het allerbelangrijkst is je beschadigt geen mensen, zeker niet per ongeluk of ondoordacht. Dat zwijgen goud is blijkt uit dit gedeelte van het boek Spreuken. In onze samenleving, waar ieder detail van mensen over straat kan gaan, zijn deze spreuken hoogst actueel en wellicht volledig vergeten, er zijn immers mensen die een goed bestaan hebben aan de roddel die ze verspreiden.

Voordat je een oordeel velt over de samenleving, en daarmee een visie geeft op waar het naar toe moet, doe je er goed aan eerst eens goed na te denken en te rade te gaan bij betrouwbare raadgevers. Zeker als je gevraagd wordt borg te staan. Nu is borg staan om een betrouwbare ondernemer aan de noodzakelijke financiering te helpen voor zijn onderneming niet verkeerd. Het houdt een zakelijk risico in zich en je loopt dus het gevaar je geld kwijt te raken. Maar daar gaat het in dit vers niet over. Als je borg staat voor een onderneming die je niet kent dan kun je ook in de macht komen van vreemde ondernemers. Als je immers niet mee wil gaan in het kwade dat ze in de zin hebben dan verlies je je geld. Niet alleen in Spreuken maar in het hele Midden Oosten werd in oude tijden om deze reden gewaarschuwd tegen het borg staan voor vreemdelingen. Een afspraak is net zolang geldig als je elkaar kunt zien.

Rechtvaardig is dus de benaming van mensen die de Weg van de God van Israël volgen. En rechtvaardig is hier meer dan een benaming voor het oordeel dat je velt. Juist het oordelen over mensen zou je achterwege moeten laten. Rechtvaardig is hier je eigen houding, het goede benoemen en het kwade weren, eerlijkheid betrachten en beseffen dat snel verdiende rijkdom altijd de reuk om zich heeft van bedrog of handelen ten koste van anderen. Het wordt hier in tegenstelling gebracht met de bevalligheid van een vrouw, die vrouw zal veel langer aanzien krijgen. Het snelle geld, het snelle oordeel, de roddel en de achterklap, het alleen letten op het kwade van anderen, alles is onwijsheid, goddeloosheid. Laten we daarom eens om ons heen kijken in wat voor samenleving wij eigenlijk leven, wat zijn hier de normen en waarden, is dat wijsheid? Gelukkig dat we elke dag opnieuw op een andere manier het leven mogen leven, in Wijsheid op de Weg die gewezen werd door de God van Israël in zijn richtlijnen die zich laten samenvatten als: “Heb uw naaste lief als uzelf”.

Rijkdom helpt je niet

februari 16, 2017

Spreuken 11:1-11

1 ¶  Een valse weegschaal is de HEER een gruwel, zuivere gewichten zijn hem welgevallig. 2 ¶  Hoogmoed leidt tot schande, wijsheid kenmerkt wie bescheiden is. 3 ¶  Wie eerlijk leeft, heeft zijn onkreukbaarheid als gids, wie onbetrouwbaar is, gaat aan zijn oneerlijkheid ten onder. 4 ¶  Rijkdom helpt je niet op de dag dat God straft, rechtvaardigheid redt van de dood. 5 ¶  Wie rechtvaardig leeft, baant zich een rechte weg, een goddeloze legt voor zichzelf een hinderlaag. 6  Wie eerlijk leeft, wordt door zijn rechtvaardigheid gered, wie onbetrouwbaar is, raakt verstrikt in zijn begeerte. 7 ¶  Wanneer een goddeloze sterft, gaat al zijn hoop verloren, van zijn rijkdom hoeft hij niets te verwachten. 8 ¶  Wie rechtvaardig is, wordt bevrijd van zijn ellende, zijn plaats wordt ingenomen door een goddeloze. 9 ¶  Een kwaadaardig iemand richt met zijn woorden anderen te gronde, een rechtvaardige wordt door inzicht gered. 10 ¶  Als het rechtvaardigen goed gaat, is heel de stad verheugd, als goddelozen ten onder gaan, klinkt overal gejuich. 11  Door de zegen van oprechte mensen komt een stad tot bloei, de uitspraken van goddelozen zijn haar ondergang. (NBV)

Vandaag een verzameling stellingen over de houding van mensen in de handel die ze met elkaar drijven. Wat is wijsheid? Moet je de ander voor de gek houden om zelf meer te verdienen of moet je genoegen nemen met een kleinere opbrengst maar wel eerlijk en oprecht blijven. Wij leefden tot voor kort in een tijd van economische crisis. Die crisis is begonnen met de val van een Amerikaanse bank. Die bank, hebben we inmiddels wel geleerd, ging ten onder aan bedrog en eerzucht. De bank sleepte daarin de hele wereld mee, alsof het een dominosteentje was aan het begin van de enorme rij dominostenen. De wijsheid die we vandaag uit het boek Spreuken lezen werkt de richtlijnen voor de menselijke samenleving verder uit. We denken vaak dat die spreuken spreekwoorden op zich zijn maar ze vertonen wel degelijk een samenhang. De Wijsheid waarover gesproken wordt is de eerste richtlijn, heb God lief boven alles. Alle andere richtlijnen gaan over de vraag hoe je dat doet en dat laat zich samenvatten in het “Heb je naaste lief als jezelf”

Het is duidelijk dat valse weegschalen een gruwel zijn en dat je beter zuivere gewichten kunt gebruiken. Wij hebben het ijkwezen voor het zuiver houden van de gewichten Dat ijkwezen is in het leven geroepen toen er zoveel valse gewichten in omloop kwamen dat het kopen op gewicht niet meer vertrouwd kon worden. Verkopers probeerden een te laag gewicht te verkopen en kopers die zelf weegschalen meenamen probeerden een hoger gewicht als lager voor te spiegelen. De waarheid lag vaak in het midden maar als niemand meer te vertrouwen is neemt de handel af. Daar hebben we dus nu ook last van. Aangezien de banken niet meer te vertrouwen zijn lenen we niet meer voor grote aankopen en aangezien mensen daardoor werkeloos dreigen te worden kopen we nog minder. Woekerhypotheken met aflossingen die veel en veel te hoog zijn leggen een extra rem op de economische ontwikkeling.

Als je in het licht van de crisis het gedeelte uit Spreuken nog eens op je in laat werken dan lijkt het of er voortdurend open deuren worden ingetrapt. Uiteindelijk overleven alleen de eerlijke mensen die anderen ook eerlijk behandelen. Naar een bank die je eerlijk behandelt en de risico’s eerlijk met je doorneemt durf je nog wel een keer toe te gaan. Maar die banken zijn er dus op dit moment bijna niet, zelfs niet de banken die door de overheid zijn overgenomen. In de Spreuken wordt nog gedaan of God straft. Maar de goddeloze straft eigenlijk zichzelf. Wat God gedaan heeft is zijn richtlijnen ons voor te houden. Wie het gedrag van de bedriegers legt naast de richtlijnen van de God van Israël ziet waar het fout zit en als je het niet direct ziet moet je uitwerking uit het boek Spreuken er nog eens bij nemen. Het is dus zaak ons financieel systeem te hervormen. Dat horen we al een paar jaar maar het gebeurd niet. Nergens blijkt dat banken nu eerlijker zijn en genoegen nemen met kleinere winsten in ruil voor meer eerlijkheid. De hoogste inkomens stijgen weer, dat kan alleen door bedrog en diefstal, dat gaat altijd ten koste van de armen. Daarom zal de crisis nog wel even blijven, tenzij we ons echt gaan verzetten.

Ik heb je gebed gehoord

februari 15, 2017

2 Kronieken 7:11-22

11  Toen Salomo het werk aan de tempel van de HEER en het koninklijk paleis voltooid had, en alles wat hij zich omtrent de bouw van de tempel en het paleis had voorgenomen geheel volgens plan was uitgevoerd, 12 ¶  verscheen de HEER hem in de nacht. Hij zei tegen hem: ‘Ik heb je gebed gehoord. Ik heb deze tempel aanvaard als de plaats waar men mij offers mag brengen. 13  Wanneer ik de hemel gesloten houd zodat er geen regen valt, of de sprinkhanen beveel het land kaal te vreten, of pest onder mijn volk laat uitbreken, 14  en wanneer dan mijn volk, het volk dat mij toebehoort, het hoofd buigt, al biddend mijn aanwezigheid zoekt en terugkeert van zijn dwaalwegen, dan zal ik het aanhoren vanuit de hemel, zijn zonden vergeven en het land genezen. 15  Ja, ik zal opmerkzaam zijn en luisteren naar de gebeden die vanaf deze plaats tot mij worden gericht. 16  De tempel die je gebouwd hebt aanvaard ik en heilig ik om er voor altijd mijn naam te laten wonen. Niets van wat daar gebeurt zal me ontgaan; ik zal alles ter harte nemen. 17  En wat jezelf betreft, als je mij toegewijd blijft, zoals je vader David dat was, als je alles doet wat ik je opdraag en je altijd houdt aan mijn bepalingen en rechtsregels, 18  zal ik ervoor zorgen dat jouw troon nooit wankelt, zoals ik met je vader David overeengekomen ben toen ik hem zei dat er altijd een van zijn nakomelingen over Israël zou heersen. 19  Maar mochten jullie je van mij afwenden en je niet houden aan de bepalingen en geboden die ik jullie heb opgelegd, en in plaats daarvan andere goden gaan vereren, 20-21 dan zal ik de Israëlieten verdrijven van het grondgebied dat ik hun gegeven heb en wil ik niets meer weten van deze tempel, die ik voor mijn naam heb geheiligd. Deze tempel, ooit hoog verheven, zal dan bij alle volken het mikpunt worden van hoon en spot; ieder die er voorbijkomt zal huiveren. En wie zich afvraagt waarom de HEER zo tegen dit land en deze tempel is opgetreden, 22  zal als antwoord krijgen: “Omdat ze zich hebben afgewend van de HEER, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte heeft geleid, en zich aan andere goden hebben vastgeklampt. Ze zijn andere goden gaan vereren, en daarom heeft hij hun al deze rampspoed bezorgd.”’ (NBV)

We hebben een God die niet alleen gebeden hoort maar ze ook verhoort. Salomo had niet iets voor zichzelf gevraagd. Hij was het volk voorgegaan in gebed voor alle Israëlieten. Zelfs de vreemdelingen had hij in het gebed betrokken. Nu kreeg hij antwoord. Meestal moeten we het doen met het soort antwoorden dat we in de Bijbel lezen. Dat iemand God in een droom ontmoet gebeurt maar zelden. en als iemand beweert God ontmoet te hebben in een droom moet je je afvragen of dat niet een zeer gewenste droomuitleg is die ook een heel andere duiding kan hebben. Het antwoord op het gebed is vaak te vinden in de loop van de geschiedenis. En dan nog hangt het er van af of de mensen mee willen werken aan de gewenste gang van zaken. God werkt namelijk nooit op basis van een knip met de vingers. Dat God mensen geneest in een show van een zogenaamde gebedsgenezer is dan ook een leugen. Dat sluit niet uit dat een gebed om genezing van een zieke haar werking kan hebben, zelfs een genezende werking.

De schrijver van de Kronieken heeft uitvoerig verteld wat een feest de opening van die geweldige Tempel van Salomo is geweest. Duizenden dieren waren geofferd, grote priesterkoren en priesterorkesten hadden er opgetreden. Het hele volk had de pracht en praal gezien. Maar wat vindt de God van Israël er zelf van? Om dat te vertellen is een droom een goede manier. We dromen immers allemaal wel eens van een betere wereld. Dat we die niet alleen tot stand kunnen brengen is duidelijk. Dat de weg naar een betere wereld geplaveid is met daden van onbaatzuchtige liefde is ons ook duidelijk. Maar hoe we de last kunnen dragen van die onbaatzuchtige liefde is lang niet altijd duidelijk. De Bijbel geeft het volk, de gemeenschap, de geloofsgemeenschap als mogelijkheid voor elk van ons om samen de weg te gaan. Een weg waarop we elkaar ondersteunen. Daarom heeft God de Tempel  aanvaard als samenbindend symbool voor het hele land.

De nood die iemand uitschreeuwt in de richting van de Tempel zal dan ook gehoord moeten worden door die leden van het volk die de mogelijkheden hebben te hulp te komen. God geeft ons immers dat wat we hebben om daar het goede mee te doen, dat is de naaste lief te hebben als onszelf. Pas als we andere goden gaan aanbidden, de God van de eigen samenleving waarvan niets mag veranderen, de goden van winst en profijt, de goden van winnaars van talentenjachten en loterijen. Steeds vaker kijken we op naar machtige en zogenaamd wijze mensen die durven te zeggen wat ons op de lever brand. Zelf in de richting van de Tempel, het hart van de gelovige, roepen komt steeds minder voor. Daarom blijven onze angsten onze angsten, daarom blijft het gevoel niet gehoord te worden. De liefde die nodig is is niet de liefde voor onszelf, het is de liefde die weet om te delen, die werkt aan een betere wereld. Elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw

februari 14, 2017

2 Kronieken 7:1-10

1 ¶  Toen Salomo zijn gebed tot de HEER beëindigd had, daalde er vuur uit de hemel neer, dat het brandoffer en de vredeoffers verteerde. De majesteit van de HEER vulde de tempel. 2  De priesters konden niet naar binnen gaan, want de tempel was gevuld door de majesteit van de HEER. 3  Alle Israëlieten zagen het vuur en de majesteit van de HEER op de tempel neerdalen. Ze knielden op het plaveisel neer, bogen diep voorover en loofden de HEER: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.’ 4  Samen met de Israëlieten droeg de koning offers op aan de HEER. 5  Hij liet tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen en geiten slachten om samen met het volk de tempel in te wijden. 6  De priesters stonden op hun vaste plaatsen. De Levieten loofden de HEER met het lied ‘Eeuwig duurt zijn trouw’, zoals dat ook onder koning David gebeurde, en begeleidden die lofzang op de instrumenten die David voor dat doel had laten maken. Tegenover hen stonden de priesters die op de trompetten bliezen, en heel het volk van Israël was gaan staan. 7  Salomo wijdde het midden van het voorplein van de tempel van de HEER, zodat de offers daar konden worden opgedragen, want het bronzen altaar was te klein voor alle brandoffers, graanoffers en het vet van de geslachte dieren. 8  Toen vierde Salomo het Loofhuttenfeest, zeven dagen lang, samen met de Israëlieten, die in zeer groten getale bijeen waren gekomen uit het hele land, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. 9  Op de achtste dag hielden ze een feestelijke samenkomst; het inwijdingsfeest van het altaar had zeven dagen geduurd, en daarna vierden ze zeven dagen het Loofhuttenfeest. 10  Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand stuurde de koning het volk naar huis terug. Allen waren opgewekt en verheugd om het goede dat de HEER voor David, Salomo en zijn volk Israël had gedaan. (NBV)

Opnieuw stelt de schrijver van Kronieken de nieuwe Tempel van Salomo in de traditie van Mozes en David. Toen Mozes de Tent der Ontmoeting, de Tabernakel, had laten bouwen had God vuur gezonden voor het brandoffer, toen David een altaar voor de God van Israël had gezonden had God zelf voor het vuur gezorgd dat het offer verbrandde. Het volk zal zich ook de verhalen over de zeer populaire profeet Elia hebben herinnerd. Op de Berg Karmel had hij de priesters van Baäl, de god van Kanaän, kunnen verslaan omdat zijn God, de God van Israël vuur stuurde om het offer op het altaar aan te steken. De Tempel staat dus zeer uitdrukkelijk in de religieuze en staatkundige traditie van Israël. Tijd dus om de Tempel met een geweldige hoeveelheid offers in te wijden. Nu wordt het eetbare deel van het offer samen gegeten. Er werd dus een geweldige maaltijd gehouden waar heel het volk aan kon deelnemen.

Zeven dagen duurde het feest van de inwijding van de Tempel. Zeven dagen feest voor heel het volk. We lezen gemakkelijk over het muzikale optreden van priesterkoren en priesterorkesten heen. Wij kennen geen muzikale feesten meer die zeven dagen duren. Feesten waaraan iedereen mee doet, waar geen honger is en geen dorst, waar de altaren nauwelijks de offers aankunnen, waar het hele plein een altaar erd. Op die manier wordt een dergelijke tempel wel het centrum van het religieuze leven van het volk. Maar het is niet genoeg. Want na de zeven dagen voor de grootheid van de Tempel en het geweldige belang dat die Tempel heeft werden er zeven dagen Loofhuttenfeest gevierd. Voor dat feest bouwde iedereen hutten van takken en bladeren. Je kon er in de nacht de sterren door heen zien. Dat feest herinnerde aan de reis door de woestijn naar het beloofde land, nu was het beloofde land echt bereikt.

Dat blijkt ook op de achtste dag. De Bijbel kent twee begrippen voor de dag na het feest. De achtste dag en de eerste dag. De achtste dag is de dag van de afsluiting, de feesten die er waren zijn ten einde. Nog een keer spreekt de Koning, nu om iedereen naar huis te sturen en een blij volk verspreidde zich weer over het land. Het zullen wellicht optochten geweest zijn, waar gezongen werd en gedanst, zoals later ook de pelgrims naar Jeruzalem in optocht en zingend optrokken naar het feest bij de Tempel. Dat loofhuttenfeest is het enige feest dat door Christenen niet is overgenomen. In Israël werd het een afsluitend oogstfeest in de herfst waar nog een keer gevierd was dat alles van God gekregen was om met elkaar te delen. Christenen vieren elke week de eerste dag. Die staat voor het nieuwe dat met Jezus van Nazareth is begonnen. Het licht van Israël schijnt met hem voor alle volken. En op die eerste nieuwe dag komen Christenen bij elkaar om met elkaar te delen en te vieren dat alles van God gegeven is en wij dat mogen delen. Elke zondag is iedereen daarbij welkom.

Luister naar de gebeden

februari 13, 2017

2 Kronieken 6:32-42

32  Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen vanwege uw grote naam, vanwege uw sterke hand en opgeheven arm-wanneer zo iemand hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, 33  aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij u vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor u tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel die ik heb gebouwd. 34  Wanneer uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen de vijand en zij tot u bidden in de richting van deze stad die u hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 35  luister dan vanuit de hemel naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. 36  Wanneer ze tegen u zondigen-er is immers geen mens die niet zondigt-en u hen uit woede uitlevert aan vijanden die hen gevangennemen en meevoeren naar een ander land, hetzij ver weg of dichtbij, 37  en wanneer ze dan in hun ballingsoord tot inkeer komen en zich in dat vreemde land smekend tot u wenden en belijden dat ze hebben gezondigd, dat ze verkeerd hebben gedaan en slecht hebben gehandeld, 38  wanneer ze zich in het land waarheen ze zijn weggevoerd weer met hart en ziel aan u toewijden en bidden in de richting van het land dat u aan hun voorouders hebt gegeven, naar de stad die u hebt uitgekozen en de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 39  luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. Vergeef uw volk alle zonden en misstappen die het tegen u begaan heeft. 40  God, wees opmerkzaam en luister naar de gebeden die vanaf deze plaats tot u worden gericht.  41  Kom, HEER, mijn God, neem hier uw intrek, u en uw machtige ark. Mogen uw priesters bekleed zijn met zegen, uw getrouwen zich verheugen in geluk. 42  HEER, mijn God, wijs uw gezalfde niet af, gedenk de trouw van uw dienaar David.’(NBV)

Er zijn mensen in ons land die vinden dat we een natie zijn in de Joods Christelijke traditie en dat we de waarden van die traditie hoog moeten houden. Christenen geloven inderdaad dat de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals die aan het volk Israël zijn gegeven in onze harten gebeiteld zouden moeten zijn. Maar volgen wij die traditie? Als een vreemdeling uit een ver land naar ons land kom om de bescherming te vinden die de goddelijke richtlijnen ons opdraagt steunen wij die vreemdeling dan in zijn verzoek om een veilige woonplaats en zijn wij dan bereid de handen en voeten van de God van Israël te zijn? Laten wij alle volken op aarde zien wat het betekent dat een volk de richtlijnen voor de menselijke samenleving volgt, dus in de traditie van Joden en Christenen wil staan? Het lijkt er soms helemaal niet op. De roep om grenzen te sluiten klinkt maar al te luid. Die zogenaamde veilige plaatsen worden in brand gestoken en als er een gebouwd moet worden is het geschreeuw er tegen niet van de lucht.

Zelfs als een land op bevel van God ten strijde trekt. Om vrede te brengen waar oorlog is, om mensen te beschermen tegen onderdrukking en uitbuiting, dan nog zal dat volk niet uit eigen belang mogen handelen en het Gij zult niet doden moeten eerbiedigen. Daar zit een tegenstrijdigheid in. Salomo beseft dat en vraagt God het volk te helpen als het zich, ook onder oorlogsomstandigheden blijft richten naar de richtlijnen van de Tempel en het vertrouwen dat de God van Israël meetrekt. Wij hebben wel eens geprobeerd om in tijden van oorlog vrede te stichten en een bevolking te helpen een vreedzame en welvarende samenleving op te bouwen. Maar de roep om verdelging van wat dan ongelovigen wordt genoemd is zo groot dat bescherming van het leven van de soldaten en de eigen economie belangrijker zijn dan de gevolgen van ons handelen voor het volk waar wij onze diensten hadden aangeboden.

Salomo besluit met een gebed dat bijna een dankgebed kan worden genoemd. Hij vraagt om bij een mogelijke ballingschap de ballingen terug te laten keren als die ballingen zich weer richten naar de richtlijnen die God het volk had gegeven. De lezers van Kronieken, het volk dat het boek hoorde voorlezen, zullen instemmend geknikt hebben. Ze zijn immers teruggekeerd nadat ze zich de verhalen over het verbond met de God van Israël weer hadden herinnerd en ze serieus waren gaan nemen. Het was dus al sinds Salomo zaak de samenleving zo op te bouwen dat die overeen kwam met de richtlijnen van God, zoals die in de Tempel werden bewaard. Daar was dus ook die nieuwe Tempel voor bedoeld die de ballingen aan het bouwen waren. Daar lag hun toekomst, van de priesters moest het goede uitgaan, niet alleen voor het eigen volk maar voor iedereen op aarde. Ook voor ons dus als ook wij weten te leven naar de richtlijnen voor de menselijke samenleving die God de mensen heeft gegeven.

Spreek recht over uw dienaren

februari 12, 2017

2 Kronieken 6:22-31

22  Wanneer iemand een ander kwaad heeft gedaan en deze van hem eist dat hij een vervloeking over zichzelf uitspreekt, en wanneer hij dan naar uw altaar in deze tempel komt om zichzelf te vervloeken, 23  aanhoor hem dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, vergeld de boosdoener zijn misdaad en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht. 24  Wanneer uw volk Israël door de vijand is verslagen omdat het tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan tot inkeer komen, uw naam prijzen en tot u in deze tempel bidden en smeken, 25  aanhoor hen dan vanuit de hemel, vergeef uw volk Israël wat het heeft misdaan en breng hen terug naar het grondgebied dat u aan hen en hun voorouders hebt gegeven. 26  Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt omdat het volk tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan een gebed richten naar deze tempel, uw naam prijzen en hun leven beteren, antwoord hun dan. 27  Aanhoor hen vanuit de hemel en vergeef uw dienaren, uw volk Israël, wat ze hebben misdaan. Wijs hun de juiste levensweg en laat het regenen op uw land, dat u als erfdeel aan uw volk gegeven hebt. 28  Wanneer er in het land hongersnood of pest uitbreekt, wanneer het gewas wordt getroffen door korenbrand, meeldauw of vraatzuchtige sprinkhanen, wanneer het volk in eigen land door vijanden bedreigd wordt, wanneer er kortom bij enige ramp of ziekte 29  ook maar iemand van uw volk Israël een smeekgebed tot u richt en zijn handen heft in de richting van deze tempel-ieder gebukt onder zijn eigen leed en verdriet-, 30  aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en vergeef hem. Geef hem wat hem toekomt, want u weet wat er in hem omgaat. Alleen u kunt immers de mens doorgronden. 31  Dan zullen ze in het land dat u aan onze voorouders hebt gegeven hun leven lang ontzag voor u tonen en u gehoorzamen. (NBV)

De Tempel in Jeruzalem was het middelpunt van de godsdienst van Israël geworden. Geen andere heilige plaats kon op tegen de glans en de luxe die Salomo in de Tempel had aangebracht. In de omringende volken kon je een beschuldiging wegens een misdrijf voorleggen aan de goden die dan recht moesten spreken. Ook de Tent van de Ontmoeting kende een dergelijke voorziening. Aan het grote brandofferaltaar dat voor de Tent was opgericht zaten op de hoeken vier hoorns. Iemand die van een moord werd beschuldigd kon naar dat altaar vluchten. Zolang hij een hoorn vasthield was hij onaantastbaar. De gedachte was dat als iemand onschuldig was dan zou dat na verloop van tijd blijken en anders kon er een overeenkomst gesloten worden waarbij een dader de slachtoffers of nabestaanden een vergoeding kon geven. Salomo maakt in zijn gebed de Tempel tot centrum van het strafrecht. Wie van een misdrijf werd beschuldigd kon dit aan de Tempel voorleggen en daar werd dan recht gesproken.

Ook het oorlogsrecht werd door Salomo aan de Tempel toebedeeld. Hiermee geeft hij een traditionele taak van Koningen uit handen. Het was immers de Koning die moest uitmaken of een oorlog gerechtvaardigd was of niet. Nu kon het oordeel achteraf door de priesters van de Tempel worden geveld. We moeten daarbij niet vergeten dat in die richtlijnen voor de menselijke samenleving staat dat je niet mag doden. Als je een oorlog wint dat mag je er van uit gaan dat God je handelen heeft goedgekeurd, maar als je een oorlog verliest dan staat dat niet vast. Voor Israël kon de God van Israël geen oorlog verliezen en als het volk dus een nederlaag leed dan had God zijn handen van het volk afgetrokken. Dat volk moest dan schuld belijden en vergeving vragen aan de God van Israël. Dan kon volgens Salomo alleen bij de Tempel. Dus niet op het slachtveld waar het afsmeken van de steun van God ook als een versterking van het moreel der soldaten gebruikt worden.

Heel duidelijk is Salomo over het eigendom van het land. Het is niet van het volk, niet van de boeren en de akkerbouwers. Voor een landbouwnatie is dat een vreemde houding, maar van begin af heeft het volk van Israël die kant gekozen. Het land was een erfdeel. Het bleef van God en bleef in erfenis van de familie die er van moest leven. Elke vijftig jaar moesten de families die de grond waren kwijtgeraakt die grond weer terugkrijgen. Maar er zijn ook factoren die buiten de macht van de mens liggen. Storm, hagel, plunderingen, ziekte, pest en nog meer rampen die het kunnen leven van het land bedreigen. Offeren aan een God om die God weer gunstig te stemmen is in Israël niet nodig. Die God trekt immers altijd met zijn volk mee. Als het volk daar werkelijk op weten te vertrouwen dan mag God daar ook op antwoorden, een smeekgebed in de richting van de Tempel moet dan voldoende zijn. De richtlijnen voor de menselijke samenleving en het vertrouwen op God bepalen dus het leven in Israël. Wij mogen ons afvragen of ze ook het leven van onze samenleving bepalen.

De hoogste hemel kan u niet bevatten

februari 11, 2017

2 Kronieken 6:12-21

12 ¶  Toen wendde Salomo zich naar het altaar van de HEER, ten aanschouwen van de verzamelde Israëlieten, en hief zijn handen. 13  Hij had een bronzen podium laten maken van vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog, en dat midden in de voorhof laten neerzetten. Daarop had hij plaatsgenomen, en nu knielde hij neer, ten aanschouwen van de hele gemeenschap van Israël, hief zijn handen ten hemel 14  en zei: ‘HEER, God van Israël, er is geen god zoals u, noch in de hemel, noch op de aarde. U houdt u aan het verbond en blijft trouw aan uw dienaren die u met heel hun hart toegewijd zijn. 15  U hebt u gehouden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd. U hebt het niet bij woorden gelaten, maar u bent vandaag uw belofte daadwerkelijk nagekomen. 16  Daarom vraag ik u, HEER, God van Israël, of u zich ook wilt blijven houden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd, namelijk dat u zijn nakomelingen de troon van Israël nooit zult ontzeggen, zolang wij tenminste op het rechte pad blijven door uw wetten in acht te nemen, zoals ook hij u toegewijd was. 17  Welnu, HEER, God van Israël, moge de belofte die u uw dienaar David hebt gedaan, bewaarheid worden. 18  Zou God werkelijk bij de mensen op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd. 19  HEER, mijn God, hoor het smeekgebed van uw dienaar aan en luister naar de verzuchtingen die ik tot u richt. 20  Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan u zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat ik naar deze tempel richt. 21  Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israël naar deze tempel richten, aanhoor ons gebed vanuit de hemel, uw woonplaats, aanhoor ons en schenk ons vergeving. (NBV)

Als je God niet in de Tempel woont die je voor die God hebt gebouwd, wat heb je dan aan die Tempel en  wat heb je dan aan die God. Dat  is een vraag die ook bij het volk Israël zal zijn opgekomen. Zeker bij de mensen waar de schrijver van de Kronieken voor schrijft. Zij hadden de God van Israël leren kennen in de Ballingschap. Daar hadden ze de verhalen gehoord over die God en over de geschiedenis die het volk met die God had doorgemaakt. Een Tempel was er toen niet meer, maar die God wel. Nu horen ze het verhaal over Koning Salomo die toch een Tempel had gebouwd. Die God had aan de populaire koning David beloofd dat zijn zoon een Tempel zou mogen bouwen. En die God had zich aan zijn belofte gehouden. De nakomelingen van Salomo zouden op de troon mogen blijven zitten als het volk de richtlijnen voor de menselijke samenleving zou nakomen die in de Tempel werd bewaard.

Aan die twee beloften hadden de hoorders en lezers van het boek Kronieken wat. Ze waren ballingen geweest. Ze waren terug gekeerd naar een leeg en verwoest land, naar de puinhopen van het eens zo mooie Jeruzalem. Ze hadden de opdracht van hun Heidense keizer Cyrus om die hoofdstad en vooral haar Tempel weer op te bouwen. Maar wat was de rol van die God. Uit de profetenschool van Jesaja was de boodschap gekomen dat die Heidense keizer Cyrus de door God gezonden verlosser van Israël was. Dat klonk wel mooi maar in de geschiedenis had de ene Heidense Keizer de ander opgevolgd. Maar de geschiedenis had dus ook geleerd dat als de God van Israël iets beloofde dat het dan ook zou gebeuren. Vanaf het begin van de ballingschap hadden profeten als Jesaja en Jeremia beloofd dat die ballingschap niet het einde betekende maar zelf een einde had en dus ook nieuwe kansen bood.

En dan die voorwaarden naar de toekomst. Ezra en Nehemia hadden de leiding genomen van de wederopbouw. Zij hadden de boekrol met de richtlijnen voor de menselijke samenleving een paar keer laten voorlezen. Dat was de manier waarop de nieuwe samenleving moest worden opgebouwd. In de ballingschap hadden ze wel hun identiteit hervonden, hadden ze opnieuw hun tradities ontdekt en nu moest duidelijk worden dat het niet vergeefs was geweest. Dat verhaal over die Salomo die God durfde vragen extra op zijn Tempel te letten en op hoe zijn volk daarmee om zou gaan was een steun in de rug. Op die manier moest het lukken. Wat dat voor ons betekent? Veel! Sinds de komst van Jezus van Nazareth mogen ook wij aan die nieuwe samenleving mee doen. De Tempel in Jeruzalem is wel verwoest maar volgens Paulus kunnen die goddelijke richtlijnen ook in ons hart worden geschreven en is er de Geest van God om ons te helpen die in gemeenschappen van gelovigen te realiseren. Als we dat doen zal de hele wereld mee gaan doen. Daar mogen we tot op de dag van vandaag aan werken. De geschiedenis van de Bijbel, waaronder de Kronieken, kan ons daarbij helpen.

Toen iedereen was gaan staan

februari 10, 2017

2 Kronieken 6:1–11

1 ¶  Toen sprak Salomo: ‘HEER, u hebt gezegd dat u in een donkere wolk wilde wonen. 2  Welnu, ik heb voor u een vorstelijk huis gebouwd, dat voor altijd uw woning kan zijn.’ 3  Hierna keerde de koning zich om en zegende de gemeenschap van Israël. Toen iedereen was gaan staan, 4  zei hij: ‘Geprezen zij de HEER, de God van Israël, die het niet bij woorden heeft gelaten maar zijn belofte aan mijn vader David daadwerkelijk is nagekomen. Hij heeft gezegd: 5  “Nooit, vanaf de dag dat ik mijn volk uit Egypte heb weggeleid, heb ik een van de steden van Israëls stammen uitgekozen om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. En nooit heb ik iemand aangewezen om als vorst over mijn volk, Israël, te regeren. 6  Maar nu heb ik Jeruzalem uitgekozen als woning voor mijn naam, en David om mijn volk Israël te regeren.” 7  Toen nu mijn vader David het plan opvatte om een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, de God van Israël, 8  zei de HEER tegen hem: “Je hebt er goed aan gedaan een huis te willen bouwen voor mijn naam. 9  Toch zul jij niet de tempel bouwen. Je zoon, die uit jou zal voortkomen, die zal voor mijn naam een huis bouwen.” 10  En de HEER heeft zijn woord gestand gedaan. Ik ben mijn vader David opgevolgd en zit nu op de troon van Israël, zoals de HEER heeft beloofd. En ik heb voor de naam van de HEER, de God van Israël, een tempel gebouwd 11  en daar de ark geplaatst die het verbond bevat dat de HEER met de Israëlieten heeft gesloten.’ (NBV)

Er was altijd twijfel geweest. Wie was er de echte koning van Israël? Was dat de God van Israël of was het de gezalfde Koning? Volgens velen hoorde het de God van Israël te zijn. Dat was al begonnen met de profeet Samuël. Toen had het volk gevraagd om een koning zoals er koningen waren in alle andere volken. Samuël had ze gewezen op de Koninklijke taak die de God van Israël op zich had genomen. Hij had het volk ook gewaarschuwd, een Koning zoals de andere volken hadden zou belasting heffen om er een passende hofhouding op na te kunnen houden. Een Koning zoals de andere volken hadden zou de jonge mannen van de akkers willen halen om ze als soldaten in de lijven in de legers waarmee oorlogen moesten worden gevoerd en eer voor de Koning moest worden verkregen. Een dergelijke Koning hadden ze gekregen, Saul, die boven allen had uitgestoken.

Daarna kwam David. Ook die had oorlogen gevoerd. Aanvankelijk in dienst van Saul waar hij als generaal grote successen had geboekt en uiteindelijk ook met een dochter van Saul was getrouwd. Dat huwelijk maakte hem tot opvolger van Saul toen die met zijn zonen was gesneuveld in een van die vele oorlogen die hij had gevoerd. David had altijd geweigerd tegen zijn eigen volk te vechten. David had geprobeerd de godsdienst van Israël weer centraal te stellen door de ark met het verbond naar Jeruzalem over te laten brengen. Dansend achter die ark had David de eer bewezen die de God van het verbond toekwam. Maar ook onder David waren er spanningen oorlogen en epidemieën geweest. Hij had zich zelfs als een echte heidense Koning gedragen toen hij de vrouw van een ander inpikte. Maar ook de strijd tussen zijn zonen om de opvolging had de nodige onrust in het volk gegeven. De plunderingen van de oogst waren onder David voorgoed verleden tijd geworden.

Salomo had dus nog werk liggen om ook de laatste twijfelaars te overtuigen van de goddelijke goedkeuring van zijn Koningschap. Het bouwen van de Tempel en het demonstratief plaatsen van de ark daarin hielpen bij de beeldvorming van een Koning onder God. Zijn toespraak onderstreepte het. Die God van Israël had nooit een Tempel gewild. Een tent om die God te kunnen ontmoeten was voldoende. Maar het was een tent zonder een beeld van die God. Het maken van een beeld was zeer uitdrukkelijk verboden, de tekst van dat verdrag tussen volk en God was meer dan voldoende. Brood dat op tafel bleef liggen om aan te tonen dat de God van Israël niet gevoed hoefde te worden, alles was immers al van die God. Licht dat bleef branden als teken dat het licht uitgaat van de Tempel zodat iedereen de richting kan zien die de goddelijke richtlijnen wijzen. Ook Salomo besluit zijn toespraak met een uitdrukkelijke verwijzing naar die richtlijnen. Zo worden wij er ook nog eens een keer op gewezen. Gij zult niet doden, heb uw naaste lief als uzelf. We weten het best, nu er nog gaan leven, elke dag weer opnieuw.