Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Het lijkt op zuurdesem

augustus 23, 2019

Lucas 13:18-21

18 Daarop zei hij: ‘Waarop lijkt het koninkrijk van God en waarmee zal ik het vergelijken? 19 Het lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand meenam en in zijn tuin zaaide, waarna het groeide en een grote struik werd, waar de vogels van de hemel in de takken kwamen nestelen.’ 20 En opnieuw zei hij: ‘Waarmee zal ik het koninkrijk van God vergelijken? 21 Het lijkt op zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel doordesemd was.’ (NBV)

Je kunt niet de hele wereld op je nek nemen. Als je om je heen kijkt dan zie overal onrecht, verdeeldheid, onderdrukking, uitbuiting en de meest vreselijke dingen die mensen elkaar aan doen. De twee gelijkenisjes die we vandaag lezen volgen op een verhaal waarin Jezus van Nazareth een oudere vrouw weer rechtop laat lopen nadat ze vele jaren gebukt ging. Dat lijkt klein maar Jezus zegt dan denk dan aan dat mosterdzaadje. Dat is een heel klein zaadje. Als je het in je hand neemt moet je nog uitkijken ook want voor je weet is het weggeblazen. Maar het groeit uit tot een grote struik.

In de dagen van Jezus groeiden er mosterdbomen van wel drie meter hoog. Wij kennen ze niet meer zo groot maar er zijn verhalen van reizigers naar Galilea die zich over die grote mosterdbomen verbaasden. Maar die kleine daden van ons, elke dag opnieuw een hand uitsteken naar de minsten, vrijwilligers werk doen in asielzoekerscentra of plaatsen voor noodopvang, winkelier zijn in de Fair Trade winkel, voedsel sorteren in de voedselbank en noem maar op, maakt dat de wereld beter?

Jezus vergelijkt al die ogenschijnlijk kleine daden met zuurdesem, gist, het maakt het dagelijks brood meer eetbaar. Met, zelfs met een heel klein beetje krijg je echter het brood dat je elke dag nodig hebt. Je vindt het nooit meer terug, je kunt het ook in een heel brood niet meer aanwijzen. Voor dat brood voor elke dag hebben we ook voor gebeden in het Onze Vader. Dus elke dag opnieuw mogen we die liefde om ons heen verspreiden, ook vandaag mag dat weer. Die kleine dingen die we doen hebben het kennelijk in zich de hele wereld te veranderen. Je kunt niet wachten er mee te beginnen.

Zeker niet, zeg ik jullie

augustus 22, 2019

Lucas 13:1-9

1 Er waren op dat moment ook enkele mensen aanwezig die hem vertelden over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met hun offers. 2 Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat ze dat ondergaan hebben? 3 Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde wijze omkomen. 4 Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel-denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? 5 Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’ 6 Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. 7 Hij zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij dient tot niets en put alleen de grond uit.” 8 Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven, 9 misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken.”’ (NBV)

De tijd die Lucas beschrijft wordt in Israël gekenmerkt door grote opstanden, de ene na de andere. Na de opstand van het jaar 70 tegen de Romeinse bezetting was de Tempel in Jeruzalem verwoest en de inwoners van Juda en Galilea werden verspreid over het Romeinse Rijk. De vraag was wie daarvoor verantwoordelijk was. We stellen bij tegenvallers immers graag de schuldvraag. Iemand moet toch schuldig zijn aan wat ons overkomen is. Lucas plaatst het antwoord van Jezus weer in de dagen dat Jezus van Nazareth nog leefde. Ik zijn dagen waren er ook allerlei opstootjes en opstanden geweest. Bij de kruisiging was het volk zelfs de keuze voorgelegd of ze een opstandelingenleider wilden vrijgelaten hebben of een afwijzer van alle geweld. We kennen de keuze van het volk. Maar is een volk schuldig als het in opstand komt tegen een bezetter? In de geschiedenis hebben de volgelingen van Jezus van Nazareth de vraag met ja beantwoord. Zij vervolgden de “Godsmoordenaars” tot in de vorige eeuw tot het uiterste. Van de schuld die het christendom met die vervolging op zich heeft geladen zijn we voorlopig nog niet af.

Jezus van Nazareth heeft namelijk een hele andere benadering. Wie omhakt, wie uitroeit ontneemt de vruchteloze opnieuw de kans vrucht te gaan dragen. Het vermengen van eigen bloed met het bloed van offers maakt de offeraar bijzonder onrein. Maar kun je dan zeggen dat God het volk verdelgd heeft omdat ze onrein waren geworden? Wie de geschiedenis van de Joden heeft bestudeerd weet dat niet het volk gestraft werd maar Pilatus die vanwege die vervolging ontheven werd van zijn functie. Gelukkig hebben we een geschiedschrijver als Flavius Josephus die dat in zijn geschiedenisverhaal heeft opgenomen. De Bijbel is namelijk geen geschiedenis boek. De opstand waarbij het bloed van de offeraars werd vermengd met het bloed van de offerdieren vond namelijk pas plaats na de kruisiging van Jezus. Ook vanwege de mensen die omkwamen toen een toren bij Siloam omviel rees de vraag of die nu schuldiger waren dan de andere inwoners van Jeruzalem die het hadden overleefd. Natuurlijk niet is het antwoord. Maar als je de weg kiest van geweld en verwoesting, als je blijft denken in termen van schuld en boete dan wordt je daar zelf slachtoffer van.

Daar gaat die gelijkenis dus over. Hoe gaat God met deze misdaden om? Hoe gaat God om met een volk dat eerder geweld zoekt dan vrede en de liefde tot haar sterkste wapen maakt? Over het antwoord moeten we goed nadenken. Jezus zet ons graag op het verkeerde been. Wij denken dat de man die de boom had geplant en zich heeft laten ompraten door de wijngaardenier de God is die streng doch ook barmhartig is. Maar dat staat er niet. Die bomenplanter koos de weg van geweld en uitroeiing van het vruchteloze. Het was de wijngaardenier die niet voor niets als wijngaardenier wordt opgevoerd die de zorg voor de planten bleef behouden ook al brachten die planten niets meer op. Natuurlijk zijn er grenzen aan, drie jaar in dit geval. Maar de eerste keus is niet omhakken, maar extra zorgen. We kennen dat in het strafrecht. Als mensen geheel of gedeeltelijk een daad niet kunnen worden aangerekend dan doden we die mensen niet maar stellen we ze ter beschikking van de regering om een genezende behandeling te ondergaan. Doden van misdadigers doen we al helemaal niet meer. De Weg van de wijngaardenier is dus eigenlijk de Weg van onze God. Die weg willen we gaan. Die weg zullen we dus ook moeten gaan in vraagstukken van oorlog en vrede. Hoe moeilijk dat ook is.

Dwaal niet af

augustus 21, 2019

1 Samuel 12:18-25

18 Samuël riep de HEER aan, en meteen liet de HEER het onweren en regenen, zodat het volk vervuld werd van angst voor de HEER en Samuël. 19 Ze vroegen Samuël: ‘Bid voor ons, uw dienaren, tot de HEER, uw God, dat we niet hoeven te sterven. Want we hebben al zoveel verkeerd gedaan, en nu hebben we het nog erger gemaakt door om een koning te vragen.’ 20 ‘Ook al hebt u gezondigd, ‘antwoordde Samuël, ‘u hoeft niet bang te zijn zolang u de HEER maar trouw blijft en hem met heel uw hart toegedaan bent. 21 Dwaal niet af om achter iets aan te lopen dat niets oplevert en niet bevrijdt, omdat het niets is. 22 Ter wille van zijn grote naam zal de HEER zijn volk immers niet in de steek laten, want hij heeft zelf besloten om u tot zijn volk te maken. 23 En hetzelfde geldt voor mij: ook ik moet niet zondigen tegen de HEER en ik moet zeker niet ophouden voor u te bidden en u het goede en rechte pad te wijzen. 24 Dus: heb ontzag voor de HEER en wees hem oprecht, met hart en ziel toegewijd. U hebt immers zelf ervaren welke grootse daden hij voor u heeft verricht. 25 Maar als u volhardt in het kwaad, zal het met u en met uw koning gedaan zijn.’ (NBV)

Wie niet horen wil moet voelen. Dat was toen en dat is nu niet ander. En het volk Israël had niet geluisterd naar de waarschuwingen van Samuël. Dat was toch de ziener met inzicht, de man die rechtstreeks contact had met God. Die had hen voorgehouden dat ze al lang een Koning hadden, de God van Israël zelf. Die had immers het volk uit de slavernij bevrijdt en hen een land gegeven dat overvloeide van melk en honing. Er was een verbond tussen het volk en haar God waarin het volk beloofd had te leven volgens de richtlijnen van die God en God had beloofd voor dat volk te zorgen. Was nu dat verbond niet verbroken omdat ze een koning wilden zoals de volken een koning hadden.

Samuël stelt ze gerust. De God van Israël zou nooit laten varen wat zijn had was begonnen. In dit volk zou duidelijk moeten worden waarom die God de hemel en de aarde heeft geschapen en wat zijn bedoeling was met de mensen die hij had aangesteld om voor de wereld te zorgen. Angst zouden ze pas moeten hebben als ze weer zelfgemaakte afgoden gingen aanbidden. Of als ze die Koning als God zouden gaan behandelen. Ook onder de nieuwe Koning had Samuël daarom een belangrijke taak. Hij zou moeten blijven vertellen over de Weg van de God van Israël: heb God lief boven alles door uw naaste lief te hebben als uzelf. Ook Samuël zelf zou zich hieraan moeten houden.

Telkens weer moet je terug naar dat uitgangspunt van de God van Israël, terug naar de richtingwijzers voor een menselijke samenleving. Daar is na al de eeuwen die voorbijgegaan zijn sinds de dagen van Saul en Samuël nog steeds niets aan veranderd. Ook in onze dagen moeten we niet achter het lege klatergoud van de Koning aanlopen, maar letten op de minsten en de zwaksten in de samenleving. Hebben onze voedselbanken nog voldoende voorraad is een belangrijker vraag dan wat de vrouw van de Koning aan zal trekken bij het volgende openbaar gebeuren. En voor die voedselbanken kunnen we elke dag opnieuw zorgen, ook vandaag weer.

U hebt ons niet uitgebuit

augustus 20, 2019

1 Samuel 11:14-12:17

14 Samuël riep de Israëlieten op om naar Gilgal te gaan en daar het koningschap plechtig te bevestigen. 15 Heel het volk ging naar Gilgal, waar Saul ten overstaan van de HEER als koning werd ingehuldigd. Ze slachtten dieren voor een vredeoffer ter ere van de HEER en Saul vierde uitbundig feest met alle Israëlieten. 1 Toen sprak Samuël het volk als volgt toe: ‘Ik heb uw verzoek ingewilligd en gedaan wat u hebt gevraagd: ik heb een koning over u aangesteld. 2 Hier is de koning die u voortaan voor zal gaan. Nu ik oud en grijs geworden ben, staan mijn zonen hier u bij. En zelf ben ik u vanaf mijn vroegste jeugd tot op de dag van vandaag voorgegaan. 3 Hier sta ik. Zeg mij nu ten overstaan van de HEER en zijn gezalfde: Heb ik ooit iemand zijn stier afgenomen? Heb ik ooit iemand zijn ezel afgenomen? Heb ik ooit iemand uitgebuit of mishandeld? Heb ik me ooit door iemand laten omkopen om oogluikend iets toe te staan? Mocht dat zo zijn, dan zal ik het u vergoeden.’ 4 Maar het volk antwoordde: ‘U hebt ons niet uitgebuit, u hebt ons niet mishandeld en u hebt nooit iets van iemand aangenomen.’ 5 Toen zei Samuël: ‘De HEER en zijn gezalfde zijn er vandaag getuige van dat u mij niets te verwijten hebt.’ Het volk antwoordde: ‘Zo is het!’ 6 ‘Ja, ‘vulde Samuël aan, ‘de HEER die Mozes en Aäron heeft aangesteld en uw voorouders uit Egypte heeft geleid. 7 En nu wil ik u rekenschap vragen. Sta op, dan houd ik u hier ten overstaan van de HEER de weldaden voor die hij u en uw voorouders heeft bewezen. 8 Toen uw voorouders na Jakobs komst naar Egypte de HEER te hulp riepen, stuurde hij hun Mozes en Aäron. Zij leidden hen weg uit Egypte en bezorgden hun hier een woonplaats. 9 Maar later vergaten uw voorouders de HEER, hun God, en daarom leverde hij ze uit aan Sisera, de bevelhebber van het leger van Hasor, en aan de Filistijnen en de koning van Moab. Toen die oorlog tegen hen voerden, 10 riepen ze de HEER te hulp en zeiden: “We hebben gezondigd! We hebben de HEER de rug toegekeerd om de Baäls en Astartes te vereren. Bevrijd ons uit de greep van onze vijanden, dan zullen we u weer dienen.” 11 En de HEER stuurde Jerubbaäl, Bedan, Jefta en mij, Samuël. Zo bevrijdde hij u uit de greep van de vijanden die u omringden en kon u hier onbezorgd wonen. 12 Maar toen u zag dat koning Nachas van Ammon u aanviel, zei u tegen mij: “Nee, we willen een koning!” En dat terwijl toch de HEER, uw God, uw koning is. 13 Welnu, hier is de koning die u gekozen hebt, de koning waar u om hebt gevraagd; de HEER heeft u een koning gegeven. 14 Als u de HEER dan maar ontzag en toewijding blijft tonen, hem blijft gehoorzamen en u niet verzet tegen zijn bevelen! Als u en de koning die over u is aangesteld de HEER, uw God, dan maar trouw blijven. 15 Maar als u de HEER niet gehoorzaamt en u tegen zijn bevelen verzet, zal hij zich tegen u keren zoals hij zich ook tegen uw voorouders heeft gekeerd. 16 Blijf staan en wees getuige van het wonder dat de HEER voor uw ogen gaat verrichten. 17 Het is toch de tijd van de tarweoogst? Ik zal de HEER aanroepen en hij zal het laten onweren en regenen. Dan zult u eindelijk inzien dat de HEER het volstrekt ontoelaatbaar vindt dat u om een koning hebt gevraagd.’ (NBV)

De inhuldiging van Saul werd een groot feest. Maar Samuël zat het nog steeds niet lekker dat het volk om een Koning had gevraagd en het niet had aangedurfd om het met de God van Israël te wagen. Het volk werd door Samuël dan ook getracteerd op een donderpreek. Dat nadat was vastgesteld dat het niet Samuël was geweest die het volk op die weg had geleid. Samuël had net als Mozes en Aäron steeds de bevrijding van het volk voor ogen gehad. En om bevrijding moest het blijven gaan. Achter de pracht en praal van koningen aan lopen levert geen bevrijding op. Die pracht en praal is leeg en dient tot niets. Als het goed is weten ook wij er alles van. Ook wij hebben langzamerhand een koningshuis dat versiering van onze staat is. Zonder kan het ook maar het levert nu eenmaal feestdagen en mooie optochten op. En we hebben afgeleerd een Koning macht te geven zodat die oorlogen kan voeren en ten eigen bate belastingen kan heffen.

Samuël vergeet bijna dat het de God van Israël zelf was geweest die hem had opgedragen een koning te zoeken en hem ook die koning had aangewezen. In het verhaal dat we vandaag lezen geeft het volk zelf aan waarom een Koning misschien een betere oplossing was dan iedere keer een nieuwe Rechter. Tussen de Rechters in deed iedereen immers wat goed was in de eigen ogen en dan werden uit voorzorg ook maar de vruchtbaarheidsgoden van Kanaän gediend. Baäl beelden werden opgericht en op de hoeken van de velden werden Asjerapalen in de grond gedreven. Afgoderij waar de God van Israël steeds kwaad om werd. Die stuurde dan de buurvolken om de oogst te roven en daarmee het volk te straffen voor de afgoderij. Die zelfgemaakte goden leken misschien wel een goede oogst op te leveren maar als hun aanhangers die oogst kwamen wegroven dan had je daar niks aan. De God van Israël stuurde Rechters, mensen die het volk tot hun recht liet komen door de rovers te verslaan en het genot van de eigen oogst voor het volk te verzekeren.

Dat het volk had gekozen voor een Koning hoefde het volk daarom geen angst in te boezemen. De God van Israël zou het volk niet in de steek laten, zou niet laten varen het werk dat zijn hand was begonnen. In het droge klimaat van Israël speelde de regen een grote rol. Zonder regen in het voorjaar en het najaar kon er niet geoogst worden. En de priesters van die vruchtbaarheidsgoden uit Kanaän maakten de mensen wijs dat als ze zorgden dat de God Baäl kon trouwen met de godin Asjeera het wellicht goed zou komen, als die goden er zin in hadden. Samuël beloofd dat de God van Israël zal laten zien dat die goden niet nodig is. De regen zal komen en het zal donderen om ze herinneren aan de God van Israël. God laat het regenen over de gelovigen en de ongelovigen. Goden van winst en profijt hebben we daar niet voor nodig. Het enige is dat we moeten delen. Elke dag opnieuw.

Moet Saul onze koning zijn?

augustus 19, 2019

1 Samuel 11:1-13

1 Koning Nachas van Ammon trok ten strijde en belegerde Jabes in Gilead. De inwoners van Jabes stelden Nachas het volgende voor: ‘Als u met ons een verdrag sluit, zullen wij ons aan u onderwerpen.’ 2 ‘Goed, ‘antwoordde koning Nachas, ‘op voorwaarde dat ik ieder van jullie het rechteroog uitsteek, ter vernedering van heel Israël.’ 3 Toen zeiden de oudsten van Jabes tegen hem: ‘Geef ons zeven dagen de tijd om boden het land rond te sturen. Als niemand ons komt helpen, zullen we naar u toe komen.’ 4 Toen de boden van Jabes in Sauls woonplaats Gibea kwamen en vertelden wat er aan de hand was, begon de hele bevolking te weeklagen. 5 Saul, die juist met zijn ossen van het land kwam, vroeg waarom de mensen zo van streek waren. Ze vertelden hem wat de mannen uit Jabes hadden gezegd. 6 Toen hij dat hoorde, werd hij gegrepen door de geest van God en barstte hij in woede uit. 7 Hij greep een span ossen en hieuw de dieren aan stukken. Hij gaf de stukken vlees aan de boden mee en liet in heel Israël rondzeggen: ‘Zo zal het de runderen vergaan van ieder die niet met Saul en Samuël ten strijde trekt!’ Beducht voor de HEER trokken de Israëlieten als één man ten strijde. 8 In Bezek monsterde Saul de troepen: er waren driehonderdduizend Israëlieten en dertigduizend Judeeërs. 9 Aan de boden werd het volgende bericht meegegeven: ‘Zeg tegen de bevolking van Jabes in Gilead dat ze morgen, op het heetst van de dag, zullen worden ontzet.’ De inwoners van Jabes waren zeer opgelucht bij het horen van deze boodschap 10 en zeiden tegen Nachas: ‘Morgen komen we naar u toe, dan kunt u met ons doen wat u goeddunkt.’ 11 De volgende morgen verdeelde Saul het leger in drie eenheden. Tijdens de morgenwake vielen ze het kamp binnen en tot aan het middaguur leverden ze slag met de Ammonieten. Degenen die het overleefden werden uiteengeslagen, zodat er geen twee man bij elkaar bleven. 12 Na afloop zeiden de Israëlieten tegen Samuël: ‘Wie heeft gezegd: “Moet Saul onze koning zijn?” Lever die mannen aan ons uit, dan zullen we ze ter dood brengen.’ 13 Maar Saul antwoordde: ‘Vandaag wordt er niemand ter dood gebracht, want vandaag is de HEER Israël te hulp gekomen.’ (NBV)

Kijk zo’n koning zouden wij ook wel willen. Een koning die voor zijn eigen inkomen zorgt en het volk bijeen weet te krijgen als het volk bedreigd wordt. Van Saul wordt in het verhaal van vandaag immers vertelt dat hij met behulp van een span ossen het land aan het ploegen was. Maar dat beeld van een boer die zijn werk in de steek laat om het volk te redden van plundering door de vijand hoorde bij de tijd van de Rechters. Koningen doen anders. Koning Nachas van de Ammorieten geeft het voorbeeld. De Ammorieten hadden niet een natuurlijke grens om hun land, een bergketen, of een zee, of een rivier waar je niet over kon. De grenzen van hun land vroegen daarom steeds om uitbreiding zodat ze veilige grenzen hadden waar de vijand geen invloed had. Toevoegen van de stad Jabes aan hun gebied zou die doelstelling van veilige grenzen een stuk dichterbij brengen. Bovendien konden ze dat volkje van Israël laten weten niet een grote borst op te zetten.De vernedering van Israël zou moeten komen van het uitsteken van het rechteroog van de mannen van Jabes. Voor ons een wrede straf, maar in de dagen van Saul een belangrijk militair gegeven.

Als je rechteroog is uitgestoken kun je niet meer met pijl en boog schieten. En naast het zwaard waren pijl en boog in een oorlog geduchte wapens. Het uitsteken van het rechteroog was dus ook een vorm van ontwapening van de vijand. Geen wonder alles bij elkaar dat de inwoners van Jabes eerst wel eens wilden weten of ze op hulp konden rekenen. Electronica om met anderen te communiceren was er niet. Het hing van bodes af die te paard of te voet het land moesten doorkruisen. Zo kwamen ze bij Saul die de leiding nam zoals een leider de leiding moet nemen. Een slachtoffer van rundvee was het voorbeeld dat aansprak. Wilde je geofferd worden voor een vreemde God of doe je mee voor je eigen God van Israël. Ze deden mee, ook de stammen van het overjordaanse sloten zich aan. Israël en Juda werden tot één volk. met één leger. Dat was wel eens anders geweest en zou ook in de toekomst anders worden. Er wordt van Saul verteld dat hij handelde in de Geest van de God van Israël. En dus is het voor ons van belang na te gaan wat er aan het handelen van Saul nu in de Geest van die God zou kunnen geweest zijn. Dat doden van vijandelijke soldaten in elk geval niet.

Maar Koning Nachas was niet gestopt met zijn veldtocht toen hij merkte dat de inwoners van Jabes hulp kregen. In het Hebreeuws staat dat ze niet zozeer om hulp hadden geroepen maar om een verlosser en Saul trad op als verlosser. Hij betrok bij de veldtocht het hele volk als een eenheid en dat was wat Samuël ook had geprobeerd met zijn volksvergaderingen. Niet langer handelden de stammen afzonderlijk maar deed iedereen mee. Ook bij ons moeten we dus niet het volk opdelen in groepen op grond van afkomst maar iedereen mee laten tellen. Verder claimt Saul niet de eer van de overwinning voor zichzelf. Dat er mensen zijn die zich niet kunnen vinden in zijn koningschap dat zal wel, die kunnen doodvallen. De overwinning komt de God van Israël toe, die verdient de eer en daar verzette niemand zich tegen. Van doodvallen is dus ook geen sprake. Van een tegenstelling tussen de God van Israël en de Koning is in dit verhaal ook geen sprake. Dat moet ook bij ons niet het geval zijn. Ook bij ons zal bij het aantreden van een nieuwe koning de zorg voor de zwaksten in het land voorop moeten staan. We hebben daar in onze dagen een uitgelezen gelegenheid voor.

Ik kom verdeeldheid brengen.

augustus 18, 2019

Lucas 12:49-59

49 Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde! 50 Ik moet een doop ondergaan, en ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is. 51 Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Geenszins, zeg ik jullie, ik kom verdeeldheid brengen. 52 Vanaf heden zullen vijf in één huis verdeeld zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. 53 De vader zal tegenover zijn zoon staan en de zoon tegenover zijn vader, de moeder tegenover haar dochter en de dochter tegenover haar moeder, de schoonmoeder tegenover haar schoondochter en de schoondochter tegenover haar schoonmoeder.’ 54 Tegen de menigte zei hij: ‘Wanneer jullie een wolk zien opkomen in het westen, zeggen jullie meteen dat er regen op komst is, en dat is ook zo. 55 En wanneer jullie merken dat de wind uit het zuiden komt, zeggen jullie dat er hitte op komst is, en dat is ook zo. 56 Huichelaars! De aanblik van de aarde en de hemel kunnen jullie duiden, hoe kan het dan dat jullie deze tijd niet kunnen duiden? 57 Waarom bepalen jullie niet uit jezelf wat juist is? 58 Als je met je tegenstander op weg bent naar een hoge autoriteit, doe dan moeite om nog onderweg tot een vergelijk met hem te komen, anders sleept hij je voor de rechter, en de rechter zal je uitleveren aan de gerechtsdienaar, en die zal je in de gevangenis gooien. 59 Ik zeg je, dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.’ (NBV)

Nou hoor je toch allerlei voorgangers beloven dat je de vrede in je hart kunt krijgen als je Jezus maar je in leven toelaat, als je een persoonlijke relatie met Jezus zal krijgen. En nu lees je dat die Jezus helemaal niet gekomen is om vrede te brengen maar verdeeldheid. Die belofte van die voorgangers over vrede in je hart is inderdaad een leugen, een duivelse leugen want het klinkt zo geweldig en als je je ogen en je oren sluit voor alles wat er om je heen gebeurd dan lijkt het inderdaad vredig in je hart te worden en als je dan heel vaak halleluja roept en over Gods Liefde zingt dan lijkt het ook nog of het van Jezus zelf afkomstig is. Maar het blijft bedrog, schone schijn die met de Bijbel weinig van doen heeft. Vandaag lezen we een stuk dat volgt op de gelijkenis over knechten die het huis op orde moeten hebben voordat de Heer van het huis terug komt van een bruiloft. Als onze Heer terugkomt treft die niet een aarde aan zoals die eens door die Heer geschapen was: En God keek en zag dat het goed was, staat er geschreven. Als wij kijken is het helemaal niet goed. Gelovigen in de Here Jezus, in de God van Israël, echte gelovigen, worden daar onrustig van.

Gelovigen kunnen niet stil blijven zitten wachten tot alles wel een keer nieuw wordt. Die laten het opruimen van het huis van God niet aan God over als die terug zal komen. Die gaan aan de slag, met vuur in hun lijf om de aarde te ontdoen van het kwaad, die spoelen schoon waar vuil in eeuwen is aangekoekt. Die lijden zelf honger en dorst, honger en dorst naar gerechtigheid. Die staan op tegen medebewoners van hun huis als die bij de pakken neer willen zitten, als die gemakkelijk over problemen heen willen stappen. De vader tegen de zoon, de moeder tegen de dochter, de schoonmoeder tegen de schoondochter. Geloven in de God van Israël geeft onrust, dan neem je een kruis op achter Jezus aan, dan moet er veel veranderen en dat kost moeite en pijn. Maar het is het waard want ons is een aarde beloofd waar zelfs de dood niet meer heerst. We weten het wel zegt het verhaal van Lucas. We weten toch ook van het weer? Als er donkere wolken komen op een warme zomerdag komt er gedonder, dan breekt een onweer los. En een onweer hoeft niet altijd slecht te zijn. Natuurlijk als er windstoten komen die bomen ontwortelen, dan lopen mensen gevaar, dan kunnen mensen verongelukken. Maar we zagen het aankomen.

Maar een onweersbui op een drukkend warme zomerdag kan ook zeer verfrissend uitwerken. Het koelt niet af maar er komt als het ware weer lucht en adem, je kunt je weer bewegen en wordt niet langer terneergedrukt. Met de wolk in het westen die regen brengt duidt Jezus nog op een ander verhaal. Zeven jaar was het droog in Israël. Toen gingen de priesters van de vruchtbaarheidsgoden de strijd aan met de profeet van de God van Israël, die liet zijn knecht uitkijken naar de wolkje in het westen en wist toen het verscheen dat de droogte voorbij was, dat verfrissend water het land zou schoonspoelen zodat het gewas weer kon groeien en de honger gestild kon worden. We weten best dat overeten tot allerlei ziekten leidt, dat drank meer kapot maakt dan je lief is, dat onveilig vrijen tot allerlei ellende kan leiden, dat het niet laten inenten van je kinderen niet alleen je eigen kinderen maar ook andere kinderen in gevaar kan brengen. En je weet dat een oorlogszuchtige houding tegen anderen tot oorlog en geweld kan leiden. De eerste Christenen hebben dat meegemaakt in de grote opstand in het jaar 70 toen de Tempel verwoest werd en het volk werd verspreid over het hele Romeinse Rijk.

Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is

augustus 17, 2019

Lucas 12:35-48

35 Sta klaar, doe je gordel om en houd de lampen brandend, 36 en wees als knechten die hun heer opwachten wanneer hij terugkeert van een bruiloft, zodat ze direct voor hem opendoen wanneer hij aanklopt. 37 Gelukkig de knechten die de heer bij zijn komst wakend aantreft. Ik verzeker jullie: hij zal zijn gordel omdoen, hen aan tafel nodigen en hen bedienen.38 Gelukkig degenen die hij zo aantreft, ook al komt hij midden in de nacht of kort voor het aanbreken van de dag. 39 Besef wel: als de heer des huizes had geweten op welk uur de dief zou komen, dan zou hij niet in zijn huis hebben laten inbreken. 40 Ook jullie moeten klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht.’ 41 Petrus vroeg: ‘Heer, is deze gelijkenis alleen voor ons bedoeld of voor iedereen?’ 42 De Heer antwoordde: ‘Wie is die betrouwbare en verstandige rentmeester die de heer zal aanstellen over zijn knechten om hun op tijd het eten te geven dat hun toekomt? 43 Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt. 44 Ik verzeker jullie: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. 45 Maar als die dienaar bij zichzelf zegt: Mijn heer komt maar niet, en als hij de knechten en dienstmeisjes gaat slaan, zich volvreet en zich bedrinkt, 46 dan komt de heer van die dienaar op een dag waarop hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent, en dan zal hij hem straffen met zijn zwaard en hem het lot van de trouwelozen doen ondergaan. 47 De dienaar die weet wat zijn heer wil, maar geen voorbereidingen treft en niet overeenkomstig zijn wil handelt, zal veel slagen te verduren krijgen. 48 Maar wie niet weet wat zijn heer wil en zo handelt dat hij slaag verdient, zal weinig slagen te verduren krijgen. Van iedereen aan wie veel gegeven is, zal veel worden geëist, en hoe meer aan iemand is toevertrouwd, des te meer zal van hem worden gevraagd. (NBV)

Vandaag lezen we een stuk over knechten die het huis op orde moeten hebben voordat de Heer van het huis terug komt van een bruiloft. De eerste vraag van Petrus is of het dan over hen gaat, de volgelingen van Jezus van Nazareth. En dat gaat het dus. Alle mensen zijn werktuigen in Gods hand, ze zijn knechten en dienstmeisjes van de God van Israël. Daar kun je dus twee dingen mee doen, je kunt ze te eten en te drinken geven, goed voor ze zorgen of je kunt ze uitbuiten en onderdrukken, zorgen doen ze maar voor zichzelf als jij maar aan je trekken komt. Kijk eens om je heen, heeft iedereen te eten? Heeft iedereen een dak boven het hoofd? Mag iedereen meedoen in onze samenleving? Hoeven er geen gezinnen angstig door bossen te zwerven? Is er nergens op aarde meer oorlog of geweld, geen onderdrukking meer van mensen die zichzelf niet mogen zijn? We kunnen op die vragen niet vol trots met ja antwoorden, zelfs in ons eigen land is er genoeg ellende, geweld, honger, verwaarlozing en uitbuiting.

Als dus de Heer terugkomt treft die niet een aarde aan zoals die eens door die Heer geschapen was: En God keek en zag dat het goed was, staat er geschreven. Als wij kijken is het helemaal niet goed. Gelovigen in de Here Jezus, in de God van Israël,. echte gelovigen, worden daar onrustig van. Die kunnen niet stil blijven zitten wachten tot alles wel een keer nieuw wordt. Die laten het opruimen van het huis van God niet aan God over als die terug zal komen. Die gaan aan de slag, met vuur in hun lijf om de aarde te ontdoen van het kwaad, die spoelen schoon waar vuil in eeuwen is aangekoekt. Die lijden zelf honger en dorst, honger en dorst naar gerechtigheid. Die staan op tegen medebewoners van hun huis als die bij de pakken neer willen zitten, als die gemakkelijk over problemen heen willen stappen.Jezus beschrijft hier de slavenmaatschappij. De maatschappij zoals die onder de Romeinen vorm had gekregen. Deftige en rijke families die konden floreren door de slaven die ze hadden.

Zelfs hun huishouding hing af van de kwaliteit en de inzet van de slaven. Wij kijken soms raar aan tegen de beelden die Jezus hier gebruikt om het antwoord op de vraag van Petrus duidelijk te maken. Werknemers, loonslaven van onze tijd, kunnen niet meer zo behandeld worden als de Romeinen hun slaven behandelden. Maar de manier waarop de Romeinen hun slaven behandelden maakte veel duidelijk. Het hoofd van de huishouding werd de rentmeester. Die kreeg ook de verantwoording over de uitgaven die voor de huishouding nodig waren. Maakte die rentmeester er een zootje van dan stond het de Heer van het huis vrij hem ter dood te brengen. De slaven die ook hun werk hadden verzaakt konden gestraft worden met stokslagen. Jezus neemt de onwetenden in bescherming, die kunnen aan de rootzooi in de wereld weinig doen. Maar wij weten dat het anders kan, dat het anders moet. Dat betekent voor gelovigen in het verhaal van Jezus dat ze de handen uit de mouwen moeten steken om er een betere wereld, een wereld van vrede, eerlijk delen en iedereen laten meedoen, van te maken. Elke dag mogen we daar aan werken. Aarzel dus niet.

Leve de koning!

augustus 16, 2019

1 Samuel 10:17-27

17 Samuël riep het volk op om zich in Mispa voor de HEER te verzamelen. 18 Daar sprak hij de Israëlieten als volgt toe: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik ben het die jullie uit Egypte heeft geleid. Ik ben het die jullie heeft bevrijd uit de greep van Egypte en alle andere koninkrijken door wie jullie onderdrukt werden. 19 Maar nu hebben jullie je God, die jullie steeds uit alle rampspoed en ellende heeft gered, verworpen en vragen jullie hem of hij een koning over jullie aanstelt. Welnu, stel je op voor de HEER per stam en per familie.’ 20 Samuël liet de stammen van Israël aantreden en het lot viel op de stam Benjamin. 21 Vervolgens liet hij de families van de stam Benjamin aantreden en het lot viel op de familie van Matri. Uiteindelijk viel het lot op Saul, de zoon van Kis. Ze gingen naar hem op zoek, maar ze konden hem niet vinden. 22 Daarom raadpleegden ze nogmaals de HEER: ‘Waar is de man die ontbreekt?’ ‘Daar is hij, ‘zei de HEER. ‘Hij houdt zich schuil tussen de bagage.’ 23 Ze renden op hem af en haalden hem te voorschijn. Toen hij tussen het volk stond, stak hij met kop en schouders boven iedereen uit. 24 Samuël zei tegen de Israëlieten: ‘Ziet u wat voor iemand de HEER gekozen heeft? In heel het volk is er geen tweede als hij!’ En het volk juichte en riep: ‘Leve de koning!’ 25 Daarop wees Samuël het volk nogmaals op de rechten die aan het koningschap verbonden zijn, en stelde die op schrift in een boekrol die hij voor de HEER neerlegde. Daarna ontbond hij de volksvergadering, en iedereen keerde terug naar huis. 26 Ook Saul ging weer naar zijn woonplaats Gibea. Een leger van dappere krijgslieden ging met hem mee, door God daartoe bewogen. 27 Sommigen waren minder overtuigd en zeiden smalend: ‘Moet die ons uit de nood redden?’ Ze keken minachtend op hem neer en boden hem geen geschenken aan. Maar Saul deed alsof hij er niets van merkte. (NBV)

Een God inruilen voor een Koning. Daar komt het op neer volgens het gedeelte dat we vandaag lezen uit het eerste boek Samuël. De politieke betekenis van die stelling, een stelling die volgens de het verhaal door de God van Israël zelf op tafel is gelegd, wordt meestal verwaarloosd. We zijn sinds de dagen van Saul zo gewend geraakt aan menselijke koningen dat we ons een samenleving zonder een regering van mensen helemaal niet meer kunnen voorstellen. Nu is dat ook wel moeizaam. Tijdens de Rechters die in het gelijknamige boek werden besproken was het idee dat ieder deed wat goed was in zijn ogen ook al niet een garantie op een vreedzame samenleving. Telkens weer werd de oogst van het volk Israël geroofd door buurvolken en van tijd tot tijd sloegen de stammen ook elkaar de hersens in. Dat de God van Israël wetten had uitgevaardigd die richtingwijzers waren voor een rechtvaardige samenleving vergat het volk voortdurend.

Zelfs als je Priesters aanstelde om recht en gerechtigheid te handhaven en te vertellen over die richtingwijzers voor de menselijke samenleving ging het verkeerd. De zonen van de Hogepriester Eli werden corrupt. En Eli was nog wel hogepriester bij de Tent der Ontmoeting waar de Ark van het Verbond werd bewaard. Dichter bij de Wet van de God van Israël kon je bijna niet komen. Maar de Ark van het Verbond werd verkwanseld alsof het een beeld van een God was die op eigen kracht bescherming bieden moest en niet het symbool van de samenwerking tussen het volk en die God. De zonen van Samuël, die zelf toch een prima Rechter en Profeet was, waren net zo corrupt. Veel en veel later zou men zeggen dat dus niet wie zegt “Here, Here” als voorbeeld moet dienen maar wie zich houdt aan die richtlijnen voor de menselijke samenleving, wie van de naaste houdt als van zichzelf. Wie er Koning wordt is louter toeval. Een dergelijk heerser valt je toe en daar moet je het mee doen. Dat blijkt uit de manier waarop het volk bij Saul uitkomt. Die Saul had het al zien aankomen en had zich verstopt tussen de bagage van al die stammen die in Mispa bij elkaar waren gekomen.

En zoals gebruikelijk in een volk is een deel onder de indruk van de heerser en staat een ander deel er uiterst kritisch tegenover. Bij Saul is de kracht imponerend en soldaten blijken graag in zijn leger te dienen. Zodra Saul koning is, blijkt uit het verhaal, is het ideaal van de samenleving zoals die door de God van Israël werd geschetst helemaal verdwenen. Hier is geen oog meer voor zwakken, geen wetten meer om de weduwen en de wees te beschermen. Nu gelden de rechten van de koning, rechten op soldaten, op een inkomen, op voedsel en huisvesting. De tegenstelling tussen een regering op basis van het program van de God van Israël en een regering op basis van macht kan niet duidelijker geschetst worden. Tot in onze dagen kunnen we tussen de twee kiezen, tot in onze dagen mogen we geloven dat een samenleving volgens het program van de God van Israël vrede en recht brengt. En elke dag mogen we daar mensen van overtuigen, ook vandaag weer.

Wie is hun vader eigenlijk?

augustus 15, 2019

1 Samuel 10:2-16

2 Daarna zei hij: ‘Als u straks na ons afscheid verdergaat, zult u in Selsach op de grens met Benjamin bij het graf van Rachel twee mannen aantreffen. Zij zullen u vertellen dat de ezelinnen waarnaar u op zoek was terecht zijn, en dat uw vader zich over hen geen zorgen meer maakt, maar dat hij ongerust is over u en zich afvraagt wat hij moet doen om u te vinden. 3 Wanneer u dan uw weg vervolgt en aankomt bij de Tabor-eik, zult u daar drie mannen tegenkomen die op weg zijn om God in Betel te vereren. De eerste heeft drie geitenbokjes bij zich, de tweede drie broden en de derde een zak wijn. 4 Ze zullen u vragen hoe het met u gaat en u twee broden geven, die u moet aannemen. 5 Als u ten slotte terugkomt in Gibea-Elohim, zult u in de buurt van de stad, bij de Filistijnse wachtpost, een stoet profeten tegenkomen die in vervoering van de offerhoogte afdaalt, voorafgegaan door muzikanten met harpen, tamboerijnen, fluiten en lieren.
6 Dan zult u worden gegrepen door de geest van de HEER en ook in vervoering raken, en u zult een ander mens worden. 7 Tijdens de gebeurtenissen die ik zojuist heb beschreven kunt u doen zoals uw hart u ingeeft, want God staat u bij. 8 Ga daarna door naar Gilgal en wacht daar zeven dagen op mij. Ik zal u achterna reizen om brandoffers en vredeoffers op te dragen. Daarna zal ik u laten weten wat u verder doen moet.’ 9 En inderdaad, zodra Saul zich had omgedraaid om zijn weg te vervolgen, maakte God van hem een ander mens. En alle voorspelde gebeurtenissen kwamen diezelfde dag nog uit. 10 Toen ze bij Gibea aankwamen, kwam hun een stoet profeten tegemoet. Saul werd gegrepen door de geest van God en raakte net als zij in vervoering. 11 Allen die hem van vroeger kenden en zagen dat hij zich in vervoering bij de profeten had aangesloten, zeiden tegen elkaar: ‘Wat is er met de zoon van Kis gebeurd? Hoort Saul nu ook al bij de profeten?’ 12 En een van hen merkte op: ‘Wie is hun vader eigenlijk?’ Zo komen we aan de uitdrukking: Hoort Saul nu ook al bij de profeten? 13 Toen zijn vervoering voorbij was, ging Saul naar de offerhoogte. 14 Zijn oom kwam op hem af en vroeg aan hem en zijn knecht waar ze geweest waren. ‘De ezelinnen zoeken, ‘antwoordde Saul. ‘Maar we konden ze niet vinden en toen zijn we naar Samuël gegaan.’ 15 ‘En, wat heeft hij tegen jullie gezegd?’ vroeg Sauls oom. 16 ‘Hij heeft ons alleen maar gezegd dat de ezelinnen terecht waren, ‘antwoordde Saul. Maar dat Samuël over het koningschap had gesproken vertelde hij niet. (NBV)

De zalving van Saul door Samuël is niet vrijblijvend. Die zalving heeft gevolgen. Saul is weliswaar nog geen Koning maar wordt als vorst aangesproken hij moet niet denken dat hij dit gedroomd heeft na een stevige maaltijd. Daarom brengt Samuël Saul weer terug bij de werkelijkheid. Hij ging er op uit om naar de ezelinnen te zoeken. Nu die zijn gevonden, net als Saul door God gevonden is als toekomstig Koning van Israël. De zorg van zijn vader gaat daarom niet meer over het bezig maar over zijn zoon. Ook op de reis naar huis moet Saul leven en hij moet niet zo hoogmoedig worden dat hij wat wordt aangeboden gaat weigeren. Smoezen voor zo’n weigering genoeg maar zelfs als het eten bestemd is om te offeren moet Saul bedenken dat ook een offer bestemd is om te delen en dat als hij brood krijgt er gedeeld wordt.

Saul zal ook de profeten leren kennen. Zij die de leer van Mozes bestuderen en er lessen voor het heden uit proberen te lezen. Vanouds blijken er in Israël scholen van profeten zijn en op verschillende plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament wordt over deze profetenscholen gesproken. De groep die Saul zal ontmoeten viert feest. Met muziek en dans. Nu Saul tot Koning is gezalfd is de verleiding groot het feest uit te leggen als voor jou bestemd. Maar het feest is bij profeten altijd voor God bestemd en daar kan ook Saul aan deelnemen. Hij wordt er geen profeet door maar hij wordt er ook niet slechter van. De Tempel in Jeruzalem is er in de dagen van Samuël en Saul nog lang niet.

Op verschillende plaatsen in Israël werd de God van Israël aanbeden en werd aan die God geofferd. We hebben als gelezen over Silo en Betel en nu moet Saul in Gilgal op Samuël wachten. Daar bij die offerhoogte woont kennelijk ook familie, of is in elk geval een oom van Saul aanwezig. Die wil wel eens weten wat Saul allemaal aan het doen is. Maar Saul antwoord naar waarheid dat hij naar de ezelinnen op zoek was gegaan, en toe raad had gevraagd bij Samuël die uiteindelijk had gezegd dat de ezelinnen terecht waren. Opscheppen over dat Koningschap was er niet bij. Met beide voeten op de grond dat was de bedoeling van Samuël geweest en dat mogen wij ons ook wel afvragen, zijn we in vervoering of blijven we nuchter en waakzaam.

Laat het u smaken.

augustus 14, 2019

1 Samuel 9:15-10:1

15 Een dag voor de komst van Saul had de HEER aan Samuël bekendgemaakt: 16 ‘Morgen om deze tijd stuur ik je een man uit Benjamin. Hem zul je zalven tot vorst over mijn volk Israël. Hij zal mijn volk bevrijden uit de greep van de Filistijnen, want ik heb me hun lot aangetrokken en hun roep om hulp gehoord.’ 17 Zodra Samuël Saul zag, liet de HEER hem weten: ‘Dit is nu de man over wie ik je gezegd heb: “Hij zal mijn volk beteugelen.”’ 18 In de stadspoort sprak Saul Samuël aan en vroeg hem: ‘Kunt u mij zeggen waar de ziener woont?’ 19 ‘Ik ben de ziener, ‘antwoordde Samuël. ‘Wees mijn gast en ga mee naar de offerhoogte. Vandaag zult u met mij eten en morgenvroeg zal ik u uitgeleide doen. Ik zal u vertellen wat er in u schuilt. 20 En wat betreft die ezelinnen die nu al drie dagen zoek zijn: maakt u zich geen zorgen, die zijn terecht. Maar naar wie is heel Israël verlangend op zoek? Naar u en uw familie!’ 21 ‘Maar ik hoor bij Benjamin, een van de kleinste stammen van Israël, ‘wierp Saul tegen. ‘En in die stam is mijn familie weer de onbelangrijkste. Hoe kunt u dan zoiets zeggen?’ 22 Samuël nam Saul en zijn knecht mee naar de eetzaal en gaf hun daar een plaats aan het hoofd van de tafel. Er waren dertig genodigden. 23 Tegen de offerbereider zei Samuël: ‘Dien nu het stuk vlees op dat ik u gegeven heb met het verzoek het apart te houden.’ 24 De offerbereider nam de rechterachterbout en diende die aan Saul op met de woorden: ‘Alstublieft. Dit stuk is speciaal voor u apart gehouden ter gelegenheid van deze bijeenkomst, die door Samuël is belegd. Laat het u smaken.’ Toen at Saul met Samuël. 25 Daarna gingen ze van de offerhoogte terug naar de stad, waar Samuël op het dak van zijn huis met Saul een vertrouwelijk gesprek had. 26 De volgende morgen, bij het krieken van de dag, riep Samuël naar Saul op het dak: ‘Sta op, ik zal u uitgeleide doen.’ Samen met Samuël ging Saul naar buiten. 27 Toen ze vanaf de stad naar beneden liepen, zei Samuël tegen Saul: ‘Zeg tegen uw knecht dat hij vast vooruitgaat.’ Toen de knecht hen een eind vooruit was, zei Samuël: ‘Blijft u nog even staan, dan zal ik u vertellen wat God met u voorheeft.’ 1 Hij goot een kruikje olie over Sauls hoofd uit, kuste hem en zei: ‘Hierbij zalft de HEER u tot vorst over het volk dat hem toebehoort.’ (NBV)

Het is nauwelijks te bevatten wat Saul hier overkomt. Hij gaat met zijn knecht op stap om de ezelinnen van zijn vader te zoeken. Ze zoeken een groot deel van het land af, maar de ezelinnen zijn nergens te vinden. Dan haalt zijn knecht hem over om naar de ziener Samuël te gaan. Die knecht stelt zelfs nog een zilveren muntje ter beschikking om Saul over te halen. En dan gaat er iets vreemds gebeuren. In de stad van Saul wordt hij ontvangen door een groep meisjes die hem naar een feest sturen, een offerfeest. Het blijkt niet zomaar een feest te zijn maar Saul mag aanzitten bij de belangrijkste mensen van de stad en hij krijgt het beste deel van het feest. Hij krijgt zelfs nog een vertrouwelijk gesprek met de Profeet die de baas van Israël blijkt te zijn, de rechter, priester en profeet tegelijk, vader van de twee rechters die in Berseba de traditie van corrupte rechters voortzetten.

De Bijbel vertelt graag verhalen waarin blijkt dat God ingrijpt in de geschiedenis van mensen. Voordat mensen op het idee komen heeft God al gezorgd dat het kon. Samuël zalft Saul al voordat het volk er over heeft kunnen beslissen. Ook de opvolging van Saul zal later geregeld zijn ver voordat die opvolging aan de orde is. David wordt achter de schapen vandaan gehaald en gezalfd ver voordat Saul en zijn zonen de dood op het slachtveld gevonden hebben. Het op deze manier vertellen legt nog eens de nadruk op dat ingrijpen van de God van Israël in onze geschiedenis. Dat ingrijpen is niet terug te vinden in de geschiedenisboekjes. Daarom lijkt de Bijbel vaak in strijd met de officiële geschiedschrijving.

Het heeft echter geen enkele zin de geschiedenis van God in overeenstemming te willen brengen met de geschiedenis zoals die door menselijke geleerden is opgeschreven. Als we de geschiedenis van God willen volgen en zijn ingrijpen willen leren herkennen dan moeten we ons aan zijn gebod houden onze naaste lief te hebben als onszelf. De Bijbelse verhalen zijn namelijk zeer partijdig. God grijpt altijd in ten behoeve van de armen, de zwakken. Een volk dat jaar in jaar uit beroofd wordt van de opbrengst van de arbeid heeft bescherming nodig. Een Koning zou dat kunnen brengen. Kijk bij Bijbelse verhalen dus niet naar de groten, de belangrijken of de massa, maar naar de slachtoffers, de minsten. Dat is de enige manier. Dat kan elke dag opnieuw, ook vandaag weer.