Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Willen jullie soms ook weggaan?

maart 30, 2017

Johannes 6:60-71

60 ¶  Veel leerlingen die het gehoord hadden zeiden: ‘Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?’ 61  Jezus wist wel dat zijn leerlingen protesteerden en zei tegen hen: ‘Ergeren jullie je hieraan? 62  Maar als jullie nu de Mensenzoon zouden zien opstijgen naar waar hij eerst was? 63  De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets. Wat ik gezegd heb is Geest, en leven. 64  Maar sommigen van jullie geloven niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet geloofden en wie hem zou uitleveren. 65  ‘Daarom heb ik jullie gezegd, ‘zei hij, ‘dat iemand alleen bij mij kan komen als het hem door de Vader gegeven is.’ 66  Toen trokken veel leerlingen zich terug en gingen niet verder met hem mee. 67  Jezus vroeg nu aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ 68  Simon Petrus gaf antwoord: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven, 69  en wij geloven en weten dat u de Heilige van God bent.’ 70  Jezus zei: ‘Ikzelf heb jullie alle twaalf uitgekozen, en toch is een van jullie een duivel.’ 71  Hiermee doelde hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot, want hij, een van de twaalf, zou hem uitleveren. (NBV)

De kerken lopen leeg. We doen een beetje of dat iets is van de laatste tijd, van de laatste jaren. Mensen in het Westen worden zo rijk dat ze de kerken niet meer nodig hebben. Tegelijk groeien de kerken in de zogenaamde ontwikkelingslanden. Het Christendom is wereldwijd een snelgroeiende religie. Nu is de leegloop al begonnen toen Jezus van Nazareth nog op aarde rondliep lezen we vandaag in het verhaal van Johannes. Zelfs aan de meest trouwe volgelingen moest de vraag worden gesteld of ook die wellicht weg wilden gaan. Maar zover was het niet.  Gelovigen vinden het vaak maar raar dat mensen afhaken. Het zijn toch prachtige verhalen over de wonderbare spijziging, zomaar brood krijgen en je honger stillen zonder er wat voor te doen. Het lopen over het water, iemand die de storm in je leven op wonderbare wijze stilt. Prachtig toch. Maar daar gaat het niet over vertelt Jezus vervolgens in de Synagoge.

Het gaat er om samen een volk te vormen dat bereid is voor de armsten te zorgen, bereid is te delen met elkaar en dat niet bang is voor de toekomst. Dat is het leven waar Petrus het over heeft, het eeuwige leven. En rijken willen nu eenmaal niet delen en onderdrukten zijn vaak bang nog meer onderdrukt te worden als ze niet gehoorzamen. Die rijken hebben we bij ons het Westen, de onderdrukten omringden Jezus van Nazareth. En de bevrijding kwam bij hem niet door geweld maar door het vormen van gemeenschappen van liefde, een liefde die het zelfs door de dood heen zou uithouden. De liefde is van God, is hemels, Jezus bracht die op aarde en zou dus weer naar de hemel gaan. Aan ons om er mee door te gaan. Er is in de kerken lang geprobeerd de mensen vast te houden. Die armen en minsten moest je maar niet te zeer voorop zetten. Angst was een beter medicijn, angst voor de dood, het eeuwige leven kwam daarna, angst voor wederkomst van Jezus, dan werd je veroordeeld.

Dat werkt dus niet. De smoesjes van stil maar wacht maar het komt vanzelf gaan niet op. De bangmakerij van sommige voorgangers is direct in strijd met het Evangelie van Vreest Niet! Alleen het vormen van gemeenschappen die oog blijven houden voor de mensen langs de kant van de weg, de navolging van Jezus van Nazareth, gemeenschappen waar vreemdelingen welkom zijn, gemeenschappen waar niet het eigen gelijk, de eigen eer, het eigen belang, voorop staan, brengen nog uitkomst. Soms zijn het kleine groepjes van mensen die rond het breken van het brood en het delen van de beker bij elkaar komen. Mensen die elkaar inspireren om het kwade te bestrijden door het goede te doen. Die elkaar afremmen om niet ongeduldig met geweld de samenleving te willen veranderen maar alleen liefde te gebruiken. Bij Jezus van Nazareth was ook een volgeling die de zaak zou proberen te forceren, Judas, maar dat zou niet werken. Wij mogen gelukkig nog steeds die Weg van Liefde volgen, elke dag opnieuw, met alle mensen die ook die weg willen gaan, steeds opnieuw, ook vandaag weer.

Wie mijn lichaam eet…

maart 29, 2017

Johannes 6:41-59

41  De Joden begonnen te protesteren omdat hij zei dat hij het brood was dat uit de hemel was neergedaald. 42  ‘Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoe kan hij dan zeggen dat hij uit de hemel is neergedaald?’ 43  Jezus zei: ‘Ik hoor u bezwaren maken. 44  Toch kan niemand bij mij komen, tenzij de Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt, en ik zal hem op de laatste dag tot leven wekken. 45  Het staat geschreven in de Profeten: “Zij zullen allemaal door God onderricht worden.” Iedereen die naar de Vader luistert en van hem leert komt bij mij. 46  Niet dat iemand ooit de Vader gezien heeft-alleen hij die van God komt, heeft hem gezien. 47  Waarachtig, ik verzeker u: wie gelooft, heeft eeuwig leven. 48  Ik ben het brood dat leven geeft. 49  Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. 50  Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. 51  Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’ 52  Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’ 53  Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. 54  Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken. 55  Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. 56  Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem. 57  De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij. 58  Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven.’ 59  Dit alles zei hij in de synagoge van Kafarnaüm toen hij daar onderricht gaf. (NBV)

Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, het zou toch een vreemde zaak zijn. Geen wonder dat de mensen zich verbazen over de manier waarop Jezus van Nazareth zich uitdrukt. Later zou in de Roomse zogenaamde kerk het bijgeloof ontstaan dat de ouwel en de wijn van de eucharistie na het uitspreken van een spreuk door de priester inderdaad veranderen in vlees en bloed van Jezus van Nazareth. Ooit werden mensen die dit in twijfel trokken in ons land op de brandstapel gezet zo belangrijk vond men dit bijgeloof. Maar Johannes besluit met een mededeling die veel duidelijk maakt, Jezus van Nazareth zei dit allemaal in de synagoge van Kafernaüm waar hij onderricht gaf. Dat betekent dat we dit verhaal ook moeten betrekken op het Oude Testament, want om het Oude Testament draaide het allemaal in de synagoge en ook al schreef Johannes zijn verhaal vele tientallen jaren nadat het allemaal gebeurd was ook in zijn tijd stond het Oude Testament in de synagoge centraal.

In dit verhaal zet Jezus van Nazareth de uittocht uit Egypte in het midden van het onderricht. Een lam dat werd geslacht en gebraden voor een laatste maaltijd in het slavenhuis. Het bloed van dat lam dat aan de deur werd gesmeerd, zodat de engel des doods die deur voorbij zou gaan. Het ongezuurde brood, niet gerezen dus, dat meegenomen moest worden op de reis door de woestijn. Het manna dat het volk in leven zou houden tijdens hun tocht door de woestijn. Denk daarbij ook aan de ram die een maal per jaar de woestijn in werd gestuurd nadat iedereen al de verkeerde dingen symbolisch op die ram had gelegd. Al die elementen spelen in het verhaal van Jezus van Nazareth door. En dan blijkt dat wat hij eigenlijk zegt is dat je dat niet alleen moet horen en moet geloven dat wat daar gebeurd is tot bevrijding heeft geleid maar dat je het je eigen moet maken zoals hij het zich ook eigen heeft gemaakt.

Dat het vlees en bloed in je eigen lichaam moet worden, dat je er handen en voeten aan moet geven. De uittocht betekent niet alleen dat je geroepen bent om bevrijdt te worden maar ook dat je gezonden bent tot bevrijding. De uittocht uit het land van de dood, Egypte, betekent uiteindelijk ook de intocht in het land overvloeiende van melk en honing, het land van het leven. Daartussen ligt de ontdekking van de goddelijke richtlijnen voor een menselijke samenleving. Zonder elkaar gaat het niet, houd dus van je naaste als van jezelf, dat is van God houden en er is maar één God. Daaruit en daarvan moet en mag je leven. Zo leven brengt je in directe verbinding met God, met de Liefde, een liefde die zichzelf niet zoekt maar desnoods zichzelf deelt door de dood hen als dat moet. Heel het Oude Testament wordt hier samengebald in het leven, het lijden en sterven en de opstanding van Jezus van Nazareth. Daarom kon het verhaal ook pas zo worden opgeschreven na het Paasfeest waar dat verhaal over de woestijn werd herbeleefd. Maar het kan daarom ook vandaag verteld worden als wij ons bewust worden geroepen te zijn de armen te bevrijden, de hongerigen te voeden en de naakten te kleden.

Geef ons altijd dat brood, Heer

maart 28, 2017

Johannes 6:30-40

30  Toen vroegen ze: ‘Welk wonderteken kunt u dan verrichten? Als we iets zien zullen we in u geloven. Wat kunt u doen? 31  Onze voorouders hebben immers manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten gegeven.”’
32  Maar Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; hij geeft u het ware brood uit de hemel. 33  Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.’ 34  ‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden ze toen. 35  ‘Ik ben het brood dat leven geeft, ‘zei Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben. 36  Maar ik heb u al gezegd dat u niet gelooft, ook al hebt u me gezien.
37  Iedereen die de Vader mij geeft zal bij mij komen, en wie bij mij komt zal ik niet wegsturen, 38  want ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat ik wil, maar om te doen wat hij wil die mij gezonden heeft. 39  Dit is de wil van hem die mij gezonden heeft: dat ik niemand van wie hij mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat ik hen allen laat opstaan op de laatste dag. 40  Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat ik hen op de laatste dag uit de dood zal opwekken.’ (NBV)

Dat is nog eens een ander gebed dan “geef ons heden ons dagelijks brood”. Ze zouden het zomaar voor elkaar kunnen krijgen Jezus van Nazareth toch tot koning te kronen. Brood uit de hemel was toch immers mogelijk? Het volk in de woestijn vond elke morgen voor de tent merkwaardige korrels die je kon verwerken als graan. Je moest ze alleen niet proberen te bewaren want dan langer als een dag waren ze niet houdbaar. Nu was daar die Jezus van Nazareth, die had ze brood gegeven, net als Mozes had gedaan. Terwijl iedereen had gedacht dat er nooit genoeg zou zijn voor zoveel mensen hadden ze zelfs nog twaalf manden overgehouden, alsof ze wel heel het volk hadden kunnen voeden. Die Jezus van Nazareth had zich weliswaar bescheiden teruggetrokken in de bergen maar ze hadden hem toch gevonden. Nu komt brood natuurlijk niet zomaar uit de hemel vallen. Het gaat er ook niet om dat het Koninkrijk van God een soort luilekkerland voor gelovigen gaat worden.

Je hoort dat nog wel eens, geloof in Jezus, of geloof in God, en het zal je goed gaan in je leven, al je zorgen lossen zich op als sneeuw voor de zon en rijkdom en succes komen als vanzelf naar je toe. Het Amerikaanse succesverhaal over de gelovige krantenjongen die een kristallen kathedraal kan stichten en miljonair wordt. Maar dat geloof is net een boekwinkel, de winkelier wordt niet rijk van de inhoud maar van de kilo’s papier die er worden verkocht. Johannes vertelt dat Jezus van Nazareth wijst op de Weg die we moeten gaan. Zoals Hij is moeten ook wij worden. Hij is het brood, want ondanks zichzelf deelt hij, uiteindelijk zichzelf door de dood heen. Dat delen, dat betekent brood voor de hele wereld.  Als wij zouden willen ophouden met rijk te zijn en nog rijker te worden, als wij zouden willen beginnen met delen met iedereen die dat nodig heeft, dan komt het Koninkrijk van God dichterbij.

Daar is voor iedereen te eten, brood genoeg in de wereld, maar de rijken gaan dood van overvloed en de armen van honger. Deze week is er niet voor niets extra aandacht voor de hongerenden in Afrika. Dat delen is de wil van de God die zich wil laten liefhebben doordat wij onze naaste liefhebben als onszelf. Om ons dat voor te doen, om ons dat te leren, om dat te verkondigen is Jezus van Nazareth gekomen. In dat delen moeten we zorgen dat er niemand verloren gaat maar dat iedereen mee kan doen, in onze eigen samenleving door niemand daarvan buiten te sluiten, maar ook door in het delen van onze rijkdom de hele bewoonde wereld te betrekken. Ze hebben het meer nodig dan ooit. Dan hoeven we het niet meer te hebben over het aantal doden dat er door honger en ziekten om komt, maar dan hebben we het over het aantal levenden met wie we samen mogen leven.

En het meer werd onstuimig

maart 27, 2017

Johannes 6:16-29

16  Bij het vallen van de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer; 17  ze stapten in een boot en zetten koers naar de overkant, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden, en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. 18  Er stak een hevige wind op en het meer werd onstuimig. 19  Toen ze vijfentwintig of dertig stadie geroeid hadden, zagen ze plotseling Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot en ze werden bang. 20  Maar hij zei: ‘Ik ben het, wees niet bang.’ 21  Ze wilden hem aan boord nemen, maar meteen kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden. 22 ¶  De volgende dag stond de menigte weer aan de oever van het meer. Ze hadden gezien dat er maar één boot was en dat Jezus niet aan boord was gegaan, maar dat zijn leerlingen alleen vertrokken waren. 23  Nu legden er andere boten uit Tiberias aan, dicht bij de plek waar ze het brood gegeten hadden nadat de Heer het dankgebed had uitgesproken. 24  Toen de mensen zagen dat Jezus en zijn leerlingen er niet waren, stapten ze in die boten en voeren ze naar Kafarnaüm om hem te zoeken. 25  Ze vonden hem aan de overkant van het meer en vroegen: ‘Rabbi, wanneer bent u hier gekomen?’ 26  Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: u zoekt me niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent. 27  U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf, heeft hem die volmacht gegeven.’ 28 ¶  Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’ 29  ‘Dit moet u voor God doen: geloven in hem die hij gezonden heeft, ‘antwoordde Jezus. (NBV)

Alle vier de Evangelieboeken hebben een eigen verhaal over een storm, de leerlingen en Jezus van Nazareth. Die verhalen verschillen, dat hangt samen met wat de schrijvers van de Evangelieverhalen ons duidelijk willen maken. Vandaag lezen we het verhaal zoals Johannes het verteld. Als we, zoals we in het leesrooster doen, het verhaal steeds in stukjes knippen dan lopen we de kans dat we de bedoeling van zo’n verhaal uit het oog verliezen. Johannes verteld dit verhaal na het verhaal over het delen van brood en vis door vijfduizend mannen en vrouwen en kinderen. Die willen Jezus tot koning maken en dan trekt Jezus zich alleen terug op de berg. Nu is het water in Joodse verhalen de plek van de dood, op het land is het leven en is het veilig, op zee is de dood en is het onveilig. Als Jezus van Nazareth weigert om koning te worden dan wordt het dus nog veel onveiliger, dan gaat het zelfs stormen. Dat Jezus van Nazareth zich door de dood, in dit verhaal het meer, niet laat tegenhouden was achteraf wel duidelijk maar als je het meemaakt kun je er knap bang van worden.

Die angst komt dan ook in alle evangelieverhalen terug en steeds klinkt de boodschap dat je voor de dood, voor het stormende water, niet bang moet zijn, zeker niet met Jezus van Nazareth die door de dood heen gaat. In de andere evangelieverhalen komt Jezus aan boord of ligt hij al aan boord te slapen maar in het verhaal zoals Johannes het verteld krijgt hij de kans niet om aan boord te komen omdat de boot al is waar ze willen zijn. Je komt er dus ook wel zonder koning, zonder leidsman, op grond van je eigen geloof, als je maar niet bang bent voor de dood, dat is de boodschap die Johannes hier vertelt. Want waar gaat het nu allemaal om. Dat blijkt uit het vervolg van het verhaal. Mensen zoeken zo graag hun eigen voordeel, hun eigen gewin. Wat hebben wij er aan als we geloven in God, of in Jezus van Nazareth, of in allebei? Komt Jezus ons dan redden als we in nood zijn? Nee toch?

Ook daar vertelt Johannes ons over. Nadat Jezus de mensen te eten hadden gegeven kwamen ze opnieuw, niet om van hem te leren maar om nieuwe wonderen te zien, zoals we tegenwoordig op de TV kunnen zien met waarzeggers en geestenfluisteraars. Hoe bestaat het dat die mensen alles van je kunnen weten en zich in kunnen laten fluisteren door de geesten van gestorven verwanten, daar heb je wat aan om te geloven. Dat ze trucs gebruiken en de mensen worden opgelicht zie je niet direct. De boodschap van Jezus van Nazareth is anders. Het gaat niet om hem en zijn wonderen, het gaat niet om het voordeel dat je er zelf aan zou kunnen behalen, het gaat er om dat je zelf aan het werk gaat de minsten te helpen, dat is in God geloven, dan pas kom je waar je wezen wil. Laat je door de dood niet afschrikken maar geloof dat de Weg van Jezus van Nazareth de weg is die we allemaal moeten gaan. Voor de hongerenden in Afrika, voor de vluchtelingen op de Middellandse Zee en met al die mensen die op ons wachten en om hulp roepen in de wereld.

Daarom trok hij zich terug op de berg

maart 26, 2017

Johannes 6:1-15

1 ¶  Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea (ook wel het Meer van Tiberias genoemd).2  Een grote menigte mensen volgde hem, omdat ze gezien hadden welke wondertekenen hij bij zieken deed. 3  Jezus ging de berg op, en ging daar met zijn leerlingen zitten. 4  Het was kort voor het Joodse pesachfeest. 5  Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die menigte naar hem toe kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’ 6  Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen. 7  Filippus antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje brood te geven.’ 8  Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei: 9  ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen-maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen?’ 10  Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. 11  Jezus nam de broden, sprak het  dankgebed uit en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zoveel als ze wilden. 12  Toen iedereen volop gegeten had zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Verzamel nu de overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.’ 13  Dat deden ze en ze vulden twaalf manden met wat overgebleven was van de vijf gerstebroden die men had gegeten. 14  Toen de mensen het wonderteken dat hij gedaan had zagen, zeiden ze: ‘Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen.’ 15 ¶  Jezus begreep dat ze hem wilden dwingen om mee te gaan en hem dan tot koning zouden uitroepen. Daarom trok hij zich terug op de berg, alleen. (NBV)

Eén van de beroemde verhalen over de wonderbare spijziging. Je kunt zomaar vijfduizend mannen te eten geven en dan hebben de vrouwen en kinderen ook nog genoeg. Ja, je houdt zelfs genoeg over om het hele volk Israel, met twaalf stammen, te eten te geven. Iemand die dat kan zou je direct wel tot koning willen uitroepen. Maar Jezus van Nazareth wil nergens en nooit eer van zijn werk, de eer komt alleen aan God toe. Maar snappen doet hij het wel en daarom trekt hij zich alleen terug op de berg. Als er honger is en iemand geeft je te eten dan kan dat diepe indruk maken. Oudere inwoners van West Nederland weten nog heel goed hoe na de hongerwinter van 1944 en 1945 de bevrijders uit Canada, Engeland en Amerika kwamen met wittebrood en chocolade. Lang zou nog alle kritiek op de politiek van Amerika tot zwijgen worden gebracht met het argument dat ze toch ook maar onze bevrijders waren geweest.

Maar waar zit het wonder van Jezus van Nazareth nu echt in? Neemt hij echt vijf broden en twee vissen om oneindig door te blijven breken? Dat staat er niet. De leerlingen denken dat het alles is wat er te eten is voor de grote menigte die hen is gevolgd. Maar als iedereen gaat zitten en deelt wat men bij zich heeft blijkt dit veel meer te zijn dan men had gedacht. Je moet dus alleen samen willen delen. Als je de baas wilt blijven dan lukt dat niet. Je opstellen als dienaar, jezelf uitschakelen en de ander voorop stellen, dat is de weg van Jezus van Nazareth en dat is ook de weg die je zult moeten willen gaan. Als we dat niet doen dan zien we tot wanhoop gedreven hulpverleners stiekem langs de kant van de weg stoppen om hun hulpgoederen uit te delen. Dan breken er ziekten uit en sterven velen zonder dat dat nodig was. Op dit moment wordt op ons een beroep gedaan de honger in Afrika te bestrijden. Wij zijn rijk en zij zijn door misoogsten en klimaatverandering is de problemen gekomen. Volgen wij Jezus in het delen van het brood?

Het verhaal over deze zogenaamde spijziging heeft overigens ook nog een paar verrassingen. Want waarom staat er eigenlijk dat het vlak voor Pasen is? Vlak voor Pasen heeft het volk Israël inderdaad een maaltijd. De Pesach maaltijd. Ze herdenken dan de bevrijding van de slavernij in Egypte. Dat feest valt samen met het begin van de gerst oogst. Gerst is de grondstof voor het brood van de armen. Van de gerst wordt het ongezuurde brood gebakken. Jezus van Nazareth zal die maaltijd vieren met zijn volgelingen. Als hij dat brood uitdeelt dan vraagt hij hen dat te blijven doen tot zijn gedachtenis. Het is het brood dat zoals hij gebroken wordt. Daarmee maakt Jezus de maaltijd tot een maaltijd die herinnert aan de bevrijding van de dood. Die bevrijding krijgt gestalte in de opstanding. Het verhaal dat we vandaag lezen betekent dat we allemaal mee mogen doen. En mee mogen doen met wat we hebben, vis was er genoeg, de leerlingen van Jezus waren voor een groot deel vissers. Dat mochten zij uitdelen, wat delen wij uit?

Blijde feestdagen

maart 25, 2017

Zacharia 8:18-23

18 ¶  En de HEER van de hemelse machten richtte zich tot mij: 19  ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De vastendagen in de vierde en de vijfde maand en de vastendagen in de zevende en de tiende maand zullen voor Juda veranderen in blijde feestdagen vol vreugde en vrolijkheid. Maar let wel: houd de vrede en waarheid in ere! 20  Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Er zullen opnieuw mensen komen uit allerlei landen en steden. 21  De inwoners van de ene stad zullen naar de volgende stad gaan en zeggen: “Ga met ons mee. Wij zijn op weg om eer te bewijzen aan de HEER van de hemelse machten en zijn gunst af te smeken.” 22  Grote en machtige volken zullen naar Jeruzalem komen om daar de HEER van de hemelse machten te vereren en zijn gunst af te smeken. 23  En dit zegt de HEER van de hemelse machten: Als die tijd is gekomen, zullen tien mannen uit volken met verschillende talen een Joodse man bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden: “Wij willen ons bij u aansluiten, want we hebben gehoord dat God bij u is.”’(NBV)

Tijdens de ballingschap in Babel hadden de Israëlieten besloten te gaan vasten in de maand dat de Tempel in Jeruzalem was verwoest. Voor velen was daarmee het laatste restje hoop op herstel van het land Israël verdwenen. De lieren werden aan de wilgen gehangen en ze zaten te treuren bij de stromen in Babylon. Maar God had zich over hen ontfermd en ze waren teruggekeerd en hadden Jeruzalem en de Tempel opnieuw opgebouwd. Toen waren er mensen gekomen die vroegen of ze niet konden ophouden met vasten. Het eerste antwoord dat ze kregen was dat het betonen van gerechtigheid belangrijker was dan het vasten. Al voor de ballingschap hadden profeten het uiterlijk vertoon bij het vasten aan de kaak gesteld. Vasten doe je om beter te kunnen delen, beter te kunnen zorgen voor de minsten en niet om er zelf beter van te worden. Je bespaard en stijgt in aanzien, maar zo wil God het niet.

Daarom vandaag het antwoord. Alle vastendagen worden feestdagen. Niks treuren om verlies, maar besparen om de winst. Iedereen mag meedelen. De God van Israël zal er door in aanzien stijgen. Ineens kunnen de armen naar de Tempel, hoeven de armen zich geen zorgen meer te maken over de dag van morgen. Ineens wordt de rechtspraak weer toegankelijk voor mensen zonder geld. Je zult een samenleving zien waar geen onderscheid meer wordt gemaakt op grond van afkomst, rijkdom, sekse, geaardheid en noem maar op. Iedereen mag horen bij het volk van God. Het nooit gedachte wordt werkelijkheid. Natuurlijk profeten hadden gezegd dat het volgen van de richtlijnen van God zou uitlopen op de deelname van gemeenschappen uit alle volken aan de dienst in de Tempel, maar tot dan waren de Heidense volken vijanden geweest die macht over het volk en de Tempel wilden uitoefenen. Daarom wordt het volk nog eens vermaand de vrede en de waarheid in ere te houden.

Zo grijpen de feestdagen terug op de oorspronkelijke bedoeling van de dagen die bestemd waren voor de God van Israël. De bekendste is de Sabbat. Op die dag is iedereen bevrijdt van de dwang van de arbeid. Mensen en zelfs ook de dieren hebben rust. Niets en niemand is meer verplicht te werken. Wij kennen dat niet meer. Als we vrij zijn dan staat dat in het teken van consumeren, hoe meer hoe beter. Daarvoor moet ook op onze zogenaamde vrije dagen gewerkt worden. De winkels zijn open en de fabrieken blijven draaien. Het zal niet lang meer duren of ook de overheid zal haar kantoren op de Zondag openstellen en de ambtenaren gewoon door laten werken. Heel het volk is dan onder het slavenjuk van de arbeid gebracht. Er moet immers brood op de plank komen. Maar mensen leven niet bij brood alleen maar leven door het Woord van God. Tijd dus om ons te laten bevrijden van de slavernij van de arbeid door onze feestdagen weer te vieren. Te beginnen met de Zondag, organiseer maar vieringen en feesten, gaat iedereen vanzelf weer mee doen

Nu is het zaad gezegend

maart 24, 2017

Zacharia 8:9-17

9 ¶  Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Nu jullie deze woorden uit de mond van de profeten hebben gehoord, moeten jullie volhouden. Het huis van de HEER van de hemelse machten is nu gegrondvest; de herbouw van de tempel is begonnen. 10  Vóór die tijd bracht de arbeid van mens en dier niets op, en wie maar een voet buiten de deur zette werd belaagd, want ik had iedereen tegen iedereen opgezet. 11  Maar nu behandel ik jullie niet meer als vroeger-spreekt de HEER van de hemelse machten. 12  Nu is het zaad gezegend: de wijnstok zal vrucht dragen, de aarde zal haar opbrengst geven, de hemel zal zijn dauw afstaan. Dit alles zal ik schenken aan wie er van dit volk nog over zijn. 13  Vroeger golden jullie bij de andere volken als vervloekt, Juda en Israël, maar nu ik jullie te hulp kom, zullen ze jullie als gezegend beschouwen. Geef dus de moed niet op en houd vol! 14  Want dit zegt de HEER van de hemelse machten: Toen jullie voorouders mijn woede opwekten, nam ik me voor dit volk kwaad te doen-zegt de HEER van de hemelse machten-, en dat heb ik ook gedaan, zonder erop terug te komen. 15  Maar nu heb ik me voorgenomen om het volk van Jeruzalem en Juda goed te doen. Geef dus de moed niet op. 16  Hier moeten jullie je aan houden: Spreek de waarheid tegen elkaar, bewaar de vrede door eerlijk en rechtvaardig recht te spreken; 17  wees er niet op uit om een ander kwaad te doen en laat je niet verleiden tot meineed, want daar heb ik een afkeer van-spreekt de HEER.’  (NBV)

Het gaat niet vanzelf, de opbouw van een nieuwe samenleving. Dat was in de tijd van Zacharia, Ezra en Nehemia zo, dat is vandaag de dag niet anders. Ooit hebben onze voorouders slavenhandel bedreven en de slavernij afgeschaft, maar de afschaffing van de slavernij heeft voor de nakomelingen van slaven tot in onze dagen niet de gelijkheid gebracht die voor de kinderen van de slavenhandelaren zo vanzelfsprekend is. Zoals de teruggekeerde ballingen geen last meer hebben van concurrerende buurvolken hebben wij geen last meer van opstanden en bevrijdingsoorlogen. Maar pas als we de richtlijnen van de God van Israël volgen dan zullen we blijvend een licht kunnen worden voor anderen.

In dit gedeelte staat de veranderlijkheid van de God van Israël centraal. Eerst is die God woedend op dat volk en zet deze God de buurvolken tegen ze op en dan gaat die God datzelfde volk redden en neemt zich voor het volk zelfs goed te doen. Wij horen vaak dat God onveranderlijk is. God is heden en gisteren dezelfde. We hebben al eens eerder gehoord dat die God ook berouw kan hebben. In het verhaal over Noach had die God zelfs berouw over zijn hele schepping. Wat we uit dit gedeelte ook kunnen leren is dat de God van Israël tegelijk veranderlijk en onveranderlijk kan zijn. Toen de hele wereld onder bevel stond van de Keizer in Rome zond die God zelfs zijn zoon om daar verandering in te brengen. Die God is namelijk onveranderlijk trouw in zijn liefde voor de mensen.

Waar moeten we ons aan houden? Aan het prijzen van God? Aan een regelmatige kerkgang? Aan het exclusief houden van mede gelovigen? Aan het kritiekloos volgen van de regering van de staat Israël? De God van Israël heeft het er niet over. Integendeel de eerste die kritiek krijgen zijn de gelovigen, is het volk Israël. We moeten elkaar de waarheid durven zeggen, we moeten eerlijk en rechtvaardig recht spreken. Dat betekent dat we heel voorzichtig moeten zijn met oordelen, ook over misdadigers. De politie arresteert verdachten en geen criminelen. Die verdachten worden pas criminelen als een onafhankelijk rechter in een eerlijk proces dat etiket er op plakt. We moeten dus geen kwaad doen aan een ander en zeker geen vals getuigenis voor een rechtbank afleggen. Samengevat betekent dat dat je God pas liefhebt als je je naaste liefhebt als jezelf. En daar kunnen we elke dag opnieuw mee beginnen.

Ik brand van liefde voor Sion

maart 23, 2017

Zacharia 8:1-8

1 ¶  Maar nu luidt het woord van de HEER van de hemelse machten: 2  ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik brand van liefde voor Sion; met vurige liefde neem ik het op voor Jeruzalem. 3  Dit zegt de HEER: Ik keer terug naar de Sion en kom in Jeruzalem wonen. “Stad van trouw” zal Jeruzalem heten, en de berg van de HEER van de hemelse machten “Heilige berg.” 4  Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten, steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, 5  en de straten zullen krioelen van de spelende kinderen. 6  Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ook al lijkt het jullie, die van dit volk nog over zijn, nu onmogelijk, waarom zou het voor mij onmogelijk zijn? spreekt de HEER van de hemelse machten. 7  Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik zal mijn volk bevrijden uit het land waar de zon opkomt en het land waar de zon ondergaat 8  en hen naar Jeruzalem brengen. Daar zullen ze wonen. Zij zullen mijn volk zijn en ik hun God, in onwankelbare trouw. (NBV)

Het gedeelte dat we vandaag lezen maakt duidelijk waarom er zo uitdrukkelijk is gesproken over de tijd waarin Zacharia het Woord van de Heer te horen kreeg. In het vierde jaar van Koning Darius. Dus niet in 1948 of vandaag de dag. De liefde voor Jeruzalem en Sion komt dus niet door de nederzettingen politiek of het beleid van de huidige regering van de staat Israël. Dat is wel eens lastig, want Christenen zijn immers onopgeefbaar verbonden met Israël, maar we moeten de Bijbel niet vervalsen door te doen of het over ons gaat. Wij kunnen er veel van leren maar we zijn zelf verantwoordelijk voor het naleven van de richtlijnen van de God van Israël. Deze liefdesverklaring voor Jeruzalem en Sion komt voort uit de herbouw en de vraag die aan de Priesters in de Tempel  werd gesteld. Het volk bekommerd zich weer om de richtlijnen van de God van Israël. Ze gaan weer naar de Tempel om te vragen hoe ze die richtlijnen in hun eigen stad of dorp moeten toepassen.

Wat hoort er wel en wat hoort er niet bij. Jeruzalem is daarbij een voorbeeld. Een stad die zo dichtbij de Tempel is dat het daar niet moeilijk zou moeten zijn om de richtlijnen van God op een goede wijze uit te voeren. De berg waar de Tempel op is gebouwd, de berg Sion, is daarom een Heilige Berg, daar gaat het alleen nog over het verbond met God. Daar laten de Israëlieten zien dat wat ze gekregen hebben van God niet als hun eigen verdienste wordt gerekend maar dat ze het delen, met God in offers, in maaltijden met de armen en de vreemdelingen zoals dat voorgeschreven is. Maar het volgen van de God van Israël is niet gemakkelijk. Ezra en Nehemia beschrijven ook vijanden die zich verzetten tegen de nieuwe samenleving die aan het ontstaan is. Geleerden noemen die samenleving wel eens de Tora-staat, in dat land, bij dat volk is er geen andere wet dan de wet van God. Zacharia schetst wat het gevolg is van een land dat je op die manier inricht.

Sommigen zullen dat luchtfietserij noemen maar volgens Zacharia zullen op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, niemand zal sterven voor zijn tijd sprak Jesaja al. Er zullen talrijke kinderen spelen in de straten van Jeruzalem, geen kind zal meer sterven zei Jesaja al. Als alle ballingen nu eens terug keren, als iedereen de richtlijnen van God volgt dan gaat dat gebeuren. Door Jezus van Nazareth en de Geest van God die hij heeft gebracht is het voor ons ook mogelijk geworden. Ook wij kunnen de hongerenden te eten geven, de naakten kleden, de vreemdelingen huisvesten, de gevangenen bezoeken, de weduwen en de wezen een eerlijk leven geven, de rechtspraak toegankelijk maken ook voor de armen. We kunnen dat elke dag weer, ook vandaag.

Is het werkelijk nodig?

maart 22, 2017

Zacharia 7:1-14

1 ¶  In het vierde jaar van koning Darius richtte de HEER zich tot Zacharia. Het was op de vierde dag van de negende maand, de maand kislew.2  De stad Betel had Sareser en Regem-Melech met zijn mannen afgevaardigd om de gunst van de HEER af te smeken, 3  en om aan de priesters in de tempel van de HEER van de hemelse machten en aan de profeten de volgende vraag voor te leggen: ‘Al jarenlang wordt er bij ons in de vijfde maand getreurd en gevast. Is het werkelijk nodig dat we dat blijven doen?’ 4  Toen richtte de HEER van de hemelse machten zich tot mij: 5  ‘Zeg tegen de bevolking van dit land en tegen de priesters: “Wanneer jullie in de vijfde en de zevende maand rouwen en vasten, nu al zeventig jaar lang, doe je dat dan werkelijk voor mij? 6  Ook wanneer jullie eten en drinken, doe je dat toch omdat je het zelf wilt?”’ 7  Jullie weten toch wat de HEER bij monde van de vroegere profeten heeft gezegd, toen Jeruzalem en de omliggende steden nog bewoond en vredig waren, en er ook mensen woonden in de Negev en het heuvelland. 8 ¶  En nu zegt de HEER het nogmaals, bij monde van mij, Zacharia: 9  ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Spreek eerlijk recht, wees goed en zorgzaam voor elkaar; 10  onderdruk geen weduwen en wezen en ook geen vreemdelingen en armen, en wees er niet op uit om een ander kwaad te doen.’ 11  Maar jullie voorouders weigerden halsstarrig om te luisteren; ze stopten hun oren dicht om het maar niet te hoeven horen. 12  Ze lieten de woorden en vermaningen die de HEER van de hemelse machten hun door zijn geest bij monde van de vroegere profeten voorhield niet tot zich doordringen, maar sloten zich ervoor af. Daarom werden ze getroffen door de toorn van de HEER van de hemelse machten. 13  Ze luisterden niet toen hij hen riep. ‘Daarom’ zei de HEER van de hemelse machten-‘zal ik niet luisteren wanneer zij mij roepen. 14  Als een stormwind zal ik hen uiteenjagen naar onbekende volken.’ Het land bleef ontvolkt achter; niemand trok erdoorheen en niemand keerde er terug. Zo is dit heerlijke land door hun toedoen een woestenij geworden. (NBV)

Heel langzaam had het leven in het land Israël weer haar gewone loop genomen. Twee jaar nadat Zacharia het volk had opgeroepen zich aan de richtlijnen van de God van Israël te houden, in het vierde jaar van koning Darius dus, kwamen er uit de stad Betal een paar afgevaardigden van de stadsbevolking. De geschiedenisboekjes beweren dat het in onze jaartelling en jaarindeling zou moeten zijn op 7 december 518, maar het verhaal van Zacharia is geen journalistieke of historische weergave van de werkelijkheid maar een geloofsverhaal over een volk dat opnieuw is gaan geloven in de oude verhalen over de God van Israël en probeert te gaan leven volgens de richtlijnen die hun God in de woestijn aan het volk had gegeven. De vraag die ze stellen is een zeer reële vraag. Toen de Tempel in Jeruzalem aan het begin van de ballingschap was verwoest kregen de ballingen in Babel door dat het was afgelopen met de steun die het volk had gehad van de God van Israël. Dat was een enorme klap geweest.

In de hoop dat die God ooit berouw zou krijgen van het opgeven van het volk Israël hadden ze besloten elk jaar een maand te vasten. In de maand waarin de Tempel was gebouwd. Dat hadden ze zeventig jaar volgehouden. Jeremia had ze ooit geschreven dat de ballingschap zeventig jaar zou duren en daardoor hadden ze het kunnen volhouden. Er zou, ook volgens de profeten Jesaja en Ezechiël, een dag komen dat de ballingen zouden terugkeren. Die dag was dus nu gekomen, de Tempel was herbouwd en het volk probeerde zich weer aan de richtlijnen van God te houden. Is het nu tijd om het vasten, het rouwen te stoppen? Zacharia gaat niet in op de vraag. Hij houdt ze de richtlijnen nog eens voor, daar gaat het immers om. Eerlijke rechtspraak, waar ook de armen dus toegang tot zouden moeten hebben. Voor elkaar zorgen, dat moet je dus niet aan het toeval overlaten maar dat moet je als volk goed organiseren. De weduwen, de wezen, de vreemdelingen en de armen moet je niet onderdrukken. Ze hebben een zwakke positie en daar moet je geen misbruik van maken.

Dat zijn geen nieuwe regels, die waren op de Horeb al gegeven aan Mozes en door de eeuwen heen door profeten aan het volk voorgehouden. Het volk had echter die richtlijnen verwaarloosd en geweigerd om er naar te luisteren. Met de bekende gevolgen, het land was een woestenij geworden. Zacharia zegt het niet maar het ligt voor de hand te denken dat zo’n maand vasten gebruikt kan worden om samen na te denken over de richtlijnen en hoe je daarmee nog steeds om gaat en om wil gaan. Daar gaat ook onze 40 dagen tijd om. Sinds de opstanding zouden we de dood en het lijden achter ons kunnen laten. Maar het niet volgen van de richtlijnen, zoals hier weer door Zacharia is doorgegeven, brengt steeds weer nieuw lijden, slachtoffers van oorlog, geweld en onderdrukking, vluchtelingen uit wanhoop die verdrinken in een gevaarlijke zee, honger door misoogsten en gebrek aan hulp. Ook voor ons aanleiding genoeg om te zien waar we onze samenleving moeten veranderen om tegemoet te komen aan de richtlijnen van God.

De geschenken van de ballingen

maart 21, 2017

Zacharia 6:9-15

9 ¶  Toen richtte de HEER zich tot mij: 10  ‘Je moet de geschenken van de ballingen Cheldai, Tobia en Jedaja, die uit Babel zijn gekomen, in ontvangst nemen en diezelfde dag nog naar het huis van Josia, de zoon van Sefanja, gaan. 11  Laat van het goud en zilver een kroon maken en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak. 12  Zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Let op, een man met de naam Telg, die aan de stam zal uitbotten, herbouwt de tempel van de HEER. 13  Hij is het die de tempel van de HEER zal herbouwen; hij is het die de koninklijke waardigheid zal dragen en zal heersen vanaf zijn troon. Er zal ook een priester zijn op een eigen troon, en samen zullen zij het land in goede vrede besturen. 14  De kroon zal in de tempel van de HEER worden bewaard ter herinnering aan Cheldai, Tobia en Jedaja, en ter herinnering aan de welwillendheid van de zoon van Sefanja. 15  Uit verre landen zullen mensen hierheen komen om te helpen bij de bouw van de tempel van de HEER.”’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar jullie gezonden heeft. Dit alles zal gebeuren als jullie luisteren naar de HEER, jullie God.

Er waren rijke en arme ballingen. Nehemia bijvoorbeeld was een  hoge ambtenaar, een rijk man lezen we bij Ezra en Nehemia. Het waren met name de armere ballingen die de vrijheid hadden ook echt terug te keren. Van sommige rijkere ballingen betekende het einde van de ballingschap meer een vrijheid en een herkenningspunt in het land van hun voorvaderen, het land ook van hun godsdienst. Ze wilden graag bijdragen aan het herstel van de glorie van Jeruzalem en de Tempel waar immers de glorie van God van zou uitgaan. Ze worden daarom met name genoemd. Cheldai, Tobia en Jedaja. Er is lang gezocht naar verdere gegevens over deze drie ballingen maar echt iets gevonden is er niet. Ze blijven dus alleen bekend om hun bijdrage aan het herstel van Tempel en Tempeldienst.

Want hun bijdragen worden gebruikt voor het maken van een kroon voor de Hogepriester, Jozua, de zoon van Josadak. Wordt die dan koning? Het lijkt er op. Maar hij krijgt een boodschap, een man met de naam Telg, in oudere vertalingen Spruit geheten, zal de Tempel herbouwen. Die Spruit, of Telg komt uit het huis van David, weten we van de profeet Jeremia. Het is Zerubbabel die met recht de koning van Israël worden als erfgenaam van David en Salomo. Zijn er dan twee Koningen? Het lijkt er wel op. Een die de dienst aan God vorm geeft en er voor zorgt dat er voldoende Priesters zijn voor de offerdiensten, die toezicht houdt op het onderhoud van de Tempel en die de Tempel en de voorhoven bewaakt tegen misbruik.

Daarnaast is er een burgerlijke Koning die uitvoering geeft aan de richtlijnen van God die in de Tempel worden bewaard. Dat is Zerubbabel. Soms zul je in de praktijk nauwelijks kunnen onderscheiden waar een regel vandaan komt, van de Hogepriester, uit de Tempel dus, of van de Koning, van het burgerlijk bestuur dus. Daarnaast is er dan de profeet. Die roept op de richtlijnen van God te onderhouden en wijst op concrete maatschappelijke situaties die om toepassing van die regels vragen. Soms hoort hij daartoe oproepen van God, soms droomt hij er van, soms ziet hij het voor zijn ogen gebeuren. Altijd gaat het daarbij om de verheerlijking van God. Alles wat we hebben komt immers van die God, alles wat we doen mogen we in dienst stellen van zijn liefde, alles mag dus gedaan worden voor de minsten onder ons. De vluchtelingen, de mensen met grote schulden, de hongerenden in Afrika, de gevangenen die zonder misdrijf bij Schiphol gevangen worden gehouden en vul dat zelf maar in. God heeft zijn richtlijnen in ons hart gegrift.