Selecteer een pagina

1 Koningen 8:33-43

33 Wanneer uw volk Israël door de vijand is verslagen omdat het tegen U gezondigd heeft, en wanneer zij dan naar U terugkeren, uw naam prijzen en tot U in deze tempel bidden en smeken, 34 luister dan vanuit de hemel, vergeef uw volk Israël wat het heeft misdaan en breng hen terug naar het grondgebied dat U aan hun voorouders hebt gegeven. 35 Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt omdat het volk tegen U gezondigd heeft, en wanneer zij dan een gebed richten naar deze tempel, uw naam prijzen en zich afkeren van hun zonden, omdat U hen antwoord geeft, 36 luister dan vanuit de hemel en vergeef uw dienaren, uw volk Israël, wat ze hebben misdaan. Wijs hun de juiste levensweg en laat het regenen op uw land, dat U uw volk als grondgebied gegeven hebt. 37 Wanneer er in het land hongersnood of pest uitbreekt, wanneer het gewas wordt getroffen door korenbrand, meeldauw of vraatzuchtige sprinkhanen, wanneer het volk in eigen land door de vijand bedreigd wordt, wanneer er kortom bij enige ramp of ziekte 38 ook maar iemand van uw volk Israël een smeekgebed tot U richt en zijn handen heft in de richting van deze tempel – ieder onder de druk van het leed dat hem persoonlijk treft –, 39 luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en vergeef hem. Grijp in en geef hem wat hem toekomt, want U weet wat er in hem omgaat. U alleen immers kunt de mens doorgronden. 40 Dan zullen ze in het land dat U aan onze voorouders hebt gegeven hun leven lang ontzag voor U tonen. 41 Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen om uw naam eer te bewijzen 42 – want ook daar is de faam van uw sterke hand en opgeheven arm doorgedrongen –, wanneer een vreemdeling hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, 43 luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij U vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor U tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel, die ik heb gebouwd. (NBV21)

Fouten maken hoort bij het leven. Fouten hebben wel gevolgen. Zeker als een volk als Israël fouten maakt in het nakomen van het verbond met de God van Israël. Het hebben van zo’n schitterende Tempel zal volgens Salomo niet leiden tot een foutloos handelen van het volk. En als het volk denkt de God van Israël niet meer nodig te hebben dan doet die God ook niets meer. Dan komen er vijanden van wie verloren wordt. Dan blijven de regens uit en droogt de grond op. Salomo vraagt daarom of God opnieuw met het volk wil beginnen als het volk inziet wat er fout is en naar de Tempel komt om van God te vragen op een nieuwe manier met elkaar te beginnen. Het is uitdrukkelijk niet een vraag of God de fouten door de vingers wil zien of zand er over als het volk er om vraagt. Vergeving is samen op een nieuwe manier opnieuw beginnen.

Er staan in dit gebed wel zeven verschillende smeekbeden. Maar steeds valt het woord terugkeren. Terugkeren van het volk, of het terugkeren van individuen naar het leven met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, leven naar het verbond dat God met het volk heeft gesloten. Dat terugkeren moet niet door God worden gedaan, God immers laat nooit varen wat zijn hand is begonnen. Nee, dat terugkeren is een zaak van hen die dachten het ook wel zonder die God te kunnen. Dat moet ook niet voor de vorm, de fraaie gebeden of grote offers, dat moet oprecht van binnenuit komen. Salomo roept hier God op om zijn vermogen de mens te doorgronden te gebruiken. Daarmee wordt het natuurlijk ook een waarschuwing. Een terugkeren naar de leer van Mozes moet echt en oprecht zijn. God ziet het hart.

Israël heeft overigens niet het alleenrecht op de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Israël was als slavenvolk uitgekozen om een licht te zijn voor alle andere volken op de wereld. Als zo’n slavenvolk welvarend en machtig wordt door het nakomen van een verbond met de God van Israël dan valt ook voor andere volken te overwegen zo te gaan leven. Vreemdelingen horen dus zeer uitdrukkelijk bij de vraag of bij een schreeuw van hulp met een beroep op de God van Israël ook de vreemdelingen gehoord mogen worden. Uit de Hebreeuwse tekst blijkt dat niet alleen de vreemdelingen bedoeld worden die altijd al in Israël wonen en die hetzelfde moeten worden behandeld als de Israëlieten, maar ook de vreemdelingen die gevlucht zijn naar Israël. Gevlucht vanwege honger, oorlog, onderdrukking of vervolging. Daarom moeten wij misschien ook eens beginnen die vluchtelingen te behandelen alsof ze tot ons eigen volk horen.