Selecteer een pagina

1 Koningen 7:13-26

13 Koning Salomo liet een zekere Chiram uit Tyrus komen. 14 Deze Chiram was de zoon van een weduwe uit de stam Naftali. Zijn vader kwam uit Tyrus, waar hij bronsgieter was geweest. Chiram bezat alle kennis en vakmanschap die nodig zijn voor het vervaardigen van brons- en koperwerk. Hij trad bij Salomo in dienst en maakte al het brons- en koperwerk voor de koning.15 Chiram maakte twee bronzen zuilen, elk met een hoogte van achttien el en een omtrek van twaalf el. 16 Voor de bekroning van de zuilen maakte hij twee kapitelen van gegoten brons, allebei vijf el hoog. 17 Die kapitelen op de zuilen versierde hij met vlechtwerk, en de hals van elk kapiteel werd omkranst met zeven ketens. 18 Ook maakte hij granaatappels, die hij in twee rijen aan het vlechtwerk bevestigde waarmee beide kapitelen overtrokken waren. 19 De kapitelen op de zuilen, die bestemd waren voor de voorhal van de tempel, gaf hij de vorm van lotusbloemen. Ze waren vier el hoog. 20 Aan de bovenkant van elk van de kapitelen, aan de zoom van het vlechtwerk, hingen tweehonderd granaatappels in rijen om de uitstulping heen. 21 De zuilen werden opgesteld bij de voorhal voor de grote zaal. De rechterzuil kreeg de naam Jachin en de linkerzuil de naam Boaz. 22 Toen de lotusvormige kapitelen boven op de zuilen waren aangebracht, was het werk aan de zuilen voltooid. 23 Verder maakte Chiram de Zee, een bekken van gegoten brons van vijf el hoog, met een middellijn van tien el en een omtrek van dertig el. 24 Onder de rand liep een festoen van kolokwinten, tien per el; ze waren in twee rijen met het bekken meegegoten. 25 Het bekken rustte op twaalf runderen: drie met hun kop naar het noorden, drie met hun kop naar het westen, drie met hun kop naar het zuiden en drie met hun kop naar het oosten; hun achterlijven waren naar het midden gekeerd. Daarop rustte het bekken. 26 De wand was wel een handbreedte dik. De rand was gevormd als bij een beker, als een lotuskelk. Het bekken had een inhoud van tweeduizend bat. (NBV21)

Vandaag lezen we verder over de bouw van de Tempel van Salomo. Die Tempel zou in de loop van de geschiedenis een legendarische status verwerven. latere herbouwprojecten, zoals de Tempel van Herodes waar Jezus van Nazareth kwam, haalden het in de verhalen niet bij de Tempel van Salomo. Het beste was niet goed genoeg lijkt het motto van de bouw zijn. Maar wie hebben toch die Tempel vorm gegeven en gebouwd? Er waren buitenlandse invloeden te zien. Het kostbare hout kwam uit het buitenland en de bewerking van al het koper in de Tempel liet ook buitenlandse invloeden te zien. Voor de Bijbel maakt het niet uit wie, maar wat iemand doet. De Chiram uit Tyrus is dus de verpersoonlijking van die tradionele en buitenlandse invloeden. Hij had een moeder uit de stam Naftali en een vader uit Tyrus. Die vader had hem alles geleerd.

Als je later de Tempel binnen ging dan vielen er twee koperen zuilen op. Hier begint het bijzondere, het mooiste en dus het heilige van de Tempel van Israël. Die zuilen waren groot, ze waren bijzonder, dus prachtig versierd en waren zo uitzonderlijk dat ze allebei een naam kregen. Een naam die weergaf wat er in de Tempel te wachten stond. De ene kreeg de naam Boaz, dat betekent iets als “groot in macht”. De andere kreeg de naam Jakin en dat zou iets betekenen als “de Heer bevestigt”. Zeker van dit soort betekenissen zijn we nooit. Het Hebreeuws kent van ouds geen medeklinkers dat maakt dat een rij klinkers bij een andere invulling met medeklinkers ook een andere betekenis zou kunnen hebben. De Hebreeuwse tekst met klinkers en aanwijzingen over de medeklinkers kennen we pas uit de laatste twee eeuwen voor het begin van de jaartelling.

Als je dan de Tempel binnenkwam was het eerste wat je zag een geweldig groot wasbekken gevuld met water. Dat wasbekken was zo groot dat ze de naam “grote zee” kreeg. Ook de Tent der Ontmoeting, waarmee het volk de woestijn was doorgetrokken, had een dergelijk wasbekken gehad. Na een dag rondtrekken door een woestijn mag je je echt wel eerst wassen voor je aan je God gaat offeren. Het grote wasbekken bij de Tempel bracht in elk geval de boodschap dat je “rein”, schoon, van alle smetten vrij, je God moet benaderen. Geleerden nemen vaak aan dat de grote zee bij de Tempel gebruikt werd door de Priesters om zich te wassen voor ze de gelovigen gingen helpen om te offeren. Bij alles wat we lezen valt op dat de aanbidding van de God van Israël een bijzondere instelling vereiste. De richtlijnen voor de menselijke samenleving, liefde voor allen, zul je concreet tot uiting moeten brengen. En dat geldt ook voor ons, elke dag weer.