Selecteer een pagina

1 Koningen 4:1-20

1 Salomo regeerde over heel Israël. 2 Dit waren zijn raadsheren: Azarja, de zoon van Sadok, was priester; 3 Elichoref en Achia, de zonen van Sisa, waren hofschrijver; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; 4 Benaja, de zoon van Jojada, was opperbevelhebber van het leger; Sadok en Abjatar waren priester; 5 Azarja, de zoon van Natan, stond aan het hoofd van de stadhouders; de priester Zabud, de zoon van Natan, was de vertrouweling van de koning; 6 Achisar was hofmeester; Adoniram, de zoon van Abda, was opzichter van de herendienst. 7 Salomo had in Israël twaalf stadhouders aangesteld. Zij moesten om beurten één maand per jaar in het levensonderhoud van de koning en zijn hofhouding voorzien. 8 Dit zijn hun namen: Ben-Chur was stadhouder in het bergland van Efraïm. 9 Ben-Deker was stadhouder in Makas, Saälbim, Bet-Semes en Elon-Bet-Chanan. 10 Ben-Chesed was stadhouder in Arubbot; ook Socho en het gebied rond Chefer vielen onder zijn gezag. 11 Ben-Abinadab was stadhouder in het kustgebied van Dor; hij was getrouwd met Salomo’s dochter Tafat. 12 Baäna, de zoon van Achilud, was stadhouder in Taänach en Megiddo en het hele gebied van Bet-San; dat gebied grenst aan Saretan, het ligt ten zuiden van Jizreël en loopt door tot Abel-Mechola en tot voorbij Jokmeam. 13 Ben-Geber was stadhouder in Ramot in Gilead; onder zijn gezag vielen ook de dorpen van Jaïr, een nakomeling van Manasse, eveneens in Gilead, en het gebied van Argob in Basan; in deze streek lagen zestig grote, ommuurde steden met poorten met bronzen grendels. 14 Achinadab, de zoon van Iddo, was stadhouder in Machanaïm. 15 Achimaäs was stadhouder in Naftali; hij trouwde met Salomo’s dochter Basemat. 16 Baäna, de zoon van Chusai, was stadhouder in Aser en Alot; 17 Josafat, de zoon van Paruach, in Issachar; 18 Simi, de zoon van Ela, in Benjamin, 19 en Geber, de zoon van Uri, was stadhouder in Gilead, het land dat aan koning Sichon van de Amorieten en koning Og van Basan had toebehoord; hij was daar de enige stadhouder. (NBV21)

Koning David was de vredevorst. In de Bijbel staat beschreven hoe hij in de steden die hij had veroverd een contingent soldaten achterliet die moesten voorkomen dat de veroverde stad na verloop van tijd weer een legertje zou vormen die op haar beurt weer naar Israël trok om daar het graan te veroveren. David moest voor het stichten van vrede geweld gebruiken. Omdat hij dat geweld ook misbruikte voor eigen genot kon hij niet te Tempel van God bouwen. Zijn zoon Salomo volgde hem op en werd de Koning van het Reccht, de koning die mensen tot hun recht liet komen. In het gedeelte dat we vandaag lezen zien we de organisatie die de koning daarvoor in het leven riep. Zoals wij Rijk-provincie-gemeenten had zo richtte ook Salomo eigenlijk zijn bestuur had. Allereerst zien we de vorming van een regering. Bij David begon dat verhaal bij generaal Joab, bij Salomo met de Priester Azarja, uit het geslacht van Sadok. De wetten en besluiten van de regering werden vastgelegd door de zonen van Sisa, zij waren hofschrijver, Josafat was de minister van Binnenlandse Zaken, als kanselier had hij de taak het bestuur te organiseren. Benaja was de minister voor Defentie, voor het gemak ook de opperbevelhebber van het leger. Achisar zorgde voor de inwendige mens en Adoniram was opzichter over de herendienst.

Daarnaast waren er twaalf stadhouders. Die kregen elk voor één van de twaalf landsdelen van Israël het opzicht. Je zult dan denken aan de twaalf stammen maar dat was maar gedeeltelijk zo blijkt uit de opsomming. Twaalf komt eerder uit bij het aantal maanden. Want elke stadhouder moest één maand in het jaar de hofhouding en de Koning van al het nodige voorzien. Als dat goed loopt weet de Koning dat het betreffende landsdeel goed bestuurd werd. Als het niet goed ging bleek snel het tegendeel. Landsdelen en het Hof van de Koning hadden op deze manier ook zich op elkaars problemen, Een rechtvaardig bestuur. Maar die herendiensten dan? Ook in het rijk van Salomo moest er belasting betaald worden. Je kon die belasting ook in natura betalen door een aantal uren voor het bestuur te werken, te helpen bij het bouwen van Paleizen bijvoorbeeld. Er was een minister die er op toezag dat er geen misbruik van gemaakt werd door arbeiders in herendienst te gebruiken als slaven.
Zo waren de belangrijkste mannetjes verdeelt over de bestuursposten die het land nodig had om alle burgers tot hun recht te laten komen. In een dergelijke stabiele bestuursvorm kan het recht optimaal functioneren.

Maar alleen voor mannen? Hier legt Salomo de kiem voor de latere splitsing van het Rijk in twee Koninkrijken, Juda en Israël. Vrouwen speelden bij Salomo een belangrijke rol. Telkens als hij vrede sloot met een ander land trouwde hij met een Prinses. Zo kwam hij uiteindelijk aan duizend vrouwen. De fout die hij volgens de Bijbel maakte was dat hij ze toestemming gaf met het aanbidden van de goden van hun vaderland door te gaan. Salomo introduceerde daarmee de afgoderij in Israël. Als hij de ervaringen van de prinsessen had gebruikt voor versterking van zijn bestuur, onder leiding van de God van Israël, was het vanzelf anders gelopen. Ook wij hebben in Kerk en Staat behoefte aan een ordentelijk bestuur. Maar als we vrouwen daarvan uitsluiten handelen we tegen de wil van de Vader in. Man en vrouw zijn voor de Bijbel gelijk. Een bestuur zonder vrouwen bestuurt de verkeerde kant op, ook vandaag nog.