Selecteer een pagina

1 Koningen 9:10-28

10 Twintig jaar had Salomo besteed aan deze twee bouwwerken, de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 11 Koning Chiram van Tyrus had hem daarvoor ceders, cipressen en goud geleverd zo veel hij maar wilde. Na afloop van die twintig jaar schonk koning Salomo Chiram twintig steden in Galilea. 12 Maar toen Chiram uit Tyrus kwam om de steden die Salomo hem gegeven had te bekijken, was hij niet tevreden 13 en hij beklaagde zich: ‘Wat zijn dat voor steden die u me gegeven hebt, waarde vriend?’ Hij noemde die streek Eres-Kabul, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. 14 In totaal had Chiram honderdtwintig talent goud aan koning Salomo geleverd. 15 Salomo liet de bouw van de tempel, het paleis, het Millobolwerk en de stadsmuur van Jeruzalem uitvoeren als herendienst, evenals de bouwwerkzaamheden in Hasor, Megiddo en Gezer. 16 De farao, de koning van Egypte, was indertijd tegen Gezer opgetrokken, had de stad ingenomen en in de as gelegd en alle Kanaänieten die er woonden gedood, en toen zijn dochter met Salomo trouwde, had hij haar deze stad als bruidsschat meegegeven. 17 Salomo had Gezer weer opgebouwd. Ook versterkte hij Laag-Bet-Choron, 18 Baälat, Tamar in de woestijn van Juda 19 en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. 20-21 Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten er niet in waren geslaagd ze te vernietigen. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 22 De Israëlieten zelf werden door Salomo niet verplicht tot herendienst; zij deden dienst als soldaten, hofdienaars, legeraanvoerders, adjudanten en bevelhebbers van de wagenmenners en de ruiterij. 23 Vijfhonderdvijftig opzichters hielden voor Salomo toezicht op het werk en hadden de leiding over het werkvolk. 24 Zodra de dochter van de farao van de Davidsburcht was verhuisd naar de vertrekken die Salomo voor haar in het paleis had laten bouwen, begon hij aan de bouw van het Millobolwerk. 25 Nadat hij de tempel voltooid had, bracht Salomo driemaal per jaar brandoffers en vredeoffers op het altaar dat hij voor de HEER had laten maken; ook brandde hij wierook bij het altaar van de HEER. 26 Koning Salomo had ook een vloot laten bouwen, in Esjon-Geber bij Elat, aan de kust van de Rode Zee, in Edom. 27 Chiram stuurde ervaren zeelieden met Salomo’s vloot mee om de bemanning bij te staan. 28 De vloot voer naar Ofir, van waar ze vierhonderdtwintig talent goud voor koning Salomo meebrachten. (NBV21)

Er zijn mensen die denken dat Salomo niet meer gedaan heeft dan de Tempel bouwen en een mooi Paleis. Maar dan wordt Salomo toch wel onderschat. Of al die bouwwerken die Salomo liet uitvoeren wel even wijs waren wordt betwijfeld. Vooral ook omdat hij het volk Israël voor niks liet werken aan niet geringe projecten. Maar na de bouw van de Tempel en het Paleis, die 20 jaar had geduurd, moest er eerst afgerekend worden met de leveranciers van hout en goud. Koning Chiram van Tyrus had bij het begin van de Tempelbouw Salomo net zoveel bomen en goud beloofd als Salomo nodig zou hebben. Tyrus grensde aan Galilea dus besloot Salomo 20 steden uit Galilea aan Koning Chiram te schenken. Maar die steden bevallen de Koning niet. Hij noemde de streek het land van ijzer, dat had hij gekregen voor al het goud. Overigens had Chiram tijdens de hele bouwperiode grote hoeveelheden graan en ander voedsel gekregen. Salomo echter had nu een deel van het land dat God aan het volk had geschonken weggeven aan een Heidense Koning.

Maar Salomo had nog meer laten doen. Hij begon met het werk van vader David af te maken. Hij begon met de Millo, dat is de muur rond Jeruzalem. Zijn nazaten van een aantal generaties verder zouden nog veel nut aan deze muur beleven. Verder liet Salomo versterkingen aanbrengen in een aantal strategisch belangrijke steden als Hasor, Meggido en Geser. Bij de inname van het land Kanaän zoals in de boeken van Jozua en Rechters is beschreven waren de Kanaänitische bewoners met rust gelaten. Toen Salomo zo hard aan het bouwen was had Egypte de stad ingenomen en alle bewoners ter dood gebracht. Dit kleine oorlogje was beëindigd met een vredesverdrag. Als teken daarvan trouwde Salomo met de dochter van de Farao. Als bruidsschat kreeg zij de stad Gezer mee. Salomo aanvaarde het feit dat dit deel van het land niet als gegeven door de God van Israël werd beschouwd maar als gegeven door de Farao van Egypte.

Niet alles wat Salomo liet bouwen wordt met naam en toenaam genoemd. Er zijn schatsteden en wagensteden genoemd die voor de beveiliging van het land en het innen van belasting bestemd moeten zijn geweest. Salomo bouwde ook een havenstad en vormde een sterke vloot. Koning Chiram van de havenstad Tyrus stuurde een aantal ervaren zeelieden om de zeelieden van Salomo op te leiden. Salomo kon zo veel bouwen omdat hij zijn arbeiders niet betaalde. Herendiensten noemde hij dat maar het was gewoon wat wij tegenwoordig slavernij werd genoemd. Maar alles wat gebouwd werd was ter ere van de God van Israël. Zelfs het weggeven van het land dat God had gegeven was ter ere van die God. Ondertussen had Salomo een klein legertje gevormd dat toezicht hield op de bouw. En Salomo zelf was zeer vroom. Drie maal per jaar ging hij naar de Tempel om daar uitgebreid te offeren. Daarom kwam hij tegemoet aan de richtlijn uit het boek Deuteronomium. De manier waarop dit verhaal verteld wordt is ook een waarschuwing aan ons. Regeerders die de buitenkant zo mooi willen maken en daar het volk in mee proberen te slepen moeten diep gewantrouwd worden. In hun ogenschijnlijk zo fraaie beleid schuilen zeer rotte plekken die veel later tot rampspoed kunnen leiden. Het weglachen door de leider van de kritiek helpt dan niet meer.