Vreemdelingen mag je niet uitbuiten

 

Exodus 22:20-30

20 Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. 21 Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten. 22 Doe je dat toch en smeken zij mij om hulp, dan zal ik zeker naar hen luisteren: 23 ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden, en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwe worden en jullie kinderen wees. 24 Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt, gedraag je dan niet als een geldschieter en vraag geen rente van hem. 25 Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven, 26 want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God. 27 Je mag God niet lasteren en je mag de leiders van je volk niet vervloeken. 28 Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon. 29 Hetzelfde geldt voor de eerste jongen van je runderen en van je schapen en geiten; zeven dagen mogen ze bij hun moeder blijven, op de achtste dag moet je ze aan mij afstaan. 30 Leef als mensen die aan mij gewijd zijn. Eet geen vlees van een dier dat door een roofdier is gedood; dat moet je aan de honden geven. (NBV)

Mensen die bang zijn dat je de Bijbel niet alleen letterlijk wil nemen maar ook doen wat de bedoeling van de Bijbel is, je naaste echt liefhebben als jezelf, wijzen er graag op dat er in de Bijbel op verschillende wijze over vreemdelingen gesproken wordt. Er zijn vreemdelingen die bij je werken, er zijn vreemdelingen die gasten zijn, die met je handelen bijvoorbeeld en er zijn vreemdelingen waar je bang voor zou moeten zijn, zwervers die zomaar en ineens opduiken. Als je een tekst leest zoals die hierboven staat moet je je dus afvragen welke soort vreemdelingen hier bedoeld worden. In Deuteronomium staat het gebod om bij de Tempel een maaltijd te houden met je familie, de armen en de vreemdelingen die bij je in dienst zijn. Maar Joodse vertalers wijzen er op dat het hier in het boek Exodus gaat over zwervers. De oudste belijdenis van het volk Israël ging immers ook over zwervers: “Mijn vader was een zwervende Arameeër”. Daarmee wordt Abraham bedoeld en de God van Abraham, Izaak een Jacob werd de God van Israël en door hongersnood gedreven kwamen ze in Egypte terecht waar ze uiteindelijk in slavernij werden gehouden.

Zwervende vreemdelingen die uit honger op de vlucht slaan genieten hier dus een bijzondere bescherming. De God van Israël zelf neemt ze onder zijn hoede en mensen die in ellende direct een straf van God zien zouden gemakkelijk met een beroep op dit gedeelte uit de Bijbel kunnen zeggen dat de financiële en economische crisis van onze dagen te wijten is aan de manier waarop wij economische vluchtelingen behandelen. Die crisis hebben we te danken aan Bankdirecteuren die in de geest van onze tijd hebzuchtig en zelfzuchtig waren en daarbij het belang van de mensen terzijde schoven. Wij helpen die bankdirecteuren liever dan dat we de tijdgeest weer in overeenstemming brengen met het Bijbelse gebod allereerst voor de armen te zorgen. Economische vluchtelingen laten wij liever verdrinken in de Middellandse Zee dan ze in de wereld een plek te geven waar ze zonder honger zouden kunnen leven en kunnen werken aan een vruchtbare toekomst. Zelf mensem die vervolgd worden en vluchten voor oorlog, onderdrukking en geweld kunnen niet op ons medeleven rekenen. Desnoods nemen we ze op als zwervers en als het over de Bijbel gaat dan roepen we dat we niet voor iedereen kunnen zorgen.

Dat je een volk moet vormen waarin voor de zwaksten gezorgd wordt dringt nog steeds niet door bij de meerderheid. Het idee dat aan de mensen met de laagste inkomens geen rente op leningen gevraagd zou mogen worden is zelfs de volkskredietbanken met hun afdelingen schuldhulpverlening vreemd. Een volk moet ook oefenen in delen. Daarom werd aan het volk Israël gevraagd om het eerste van de oogst op te dragen aan de God van Israël, daar moesten de Priesters van de Tempel en de Levieten die recht spraken van leven. Daarom moest ook de eerstgeborene opgedragen worden aan de God van Israël. Die eerstgeborene zou uiteindelijk ook als eerste opgeroepen worden voor de krijgsdienst als het volk werd bedreigd door een ander volk. Zijn leven hoorde daarom van begin af te liggen in de hand van de God van Israël, de God die de armen beschermde en zich druk maakte over zwervers die bescherming bij zijn volk voor bescherming hadden aangeklopt. Wij kunnen in onze dagen nog veel leren van de regels waarmee het volk van Israël haar samenleving in het beloofde land zou kunnen inrichten. Wij zouden verlost zijn van vluchtkerken en vluchtgarages, van beelden van hongerende vluchtelingen die verdrinken aan onze grenzen. We zouden de voedselbanken niet meer nodig hebben, hoe goed het ook is ze te blijven bevoorraden. Elke dag kunnen we opnieuw werken aan de noodzakelijke hervormingen in onze samenleving, ook vandaag weer.

 

Plaats een reactie