Afranselen met doorntakken

Rechters 8:4-21

4 Ook Gideon was dus met zijn driehonderd manschappen de Jordaan overgestoken om de Midjanieten te achtervolgen, hoewel ze de uitputting nabij waren. 5 Daarom vroeg hij aan de burgers van Sukkot: ‘Ik zit Zebach en Salmunna achterna, de koningen van Midjan. Geef mijn soldaten wat te eten, want ze zijn uitgeput.’ 6 Maar het stadsbestuur van Sukkot zei: ‘Waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u Zebach en Salmunna soms al in handen gekregen?’ 7 ‘Nee, dat niet,’ antwoordde Gideon. ‘Maar zodra de HEER Zebach en Salmunna aan mij uitlevert, zal ik u komen afranselen met doorntakken en distels uit de woestijn, daar kunt u van op aan!’ 8 Van Sukkot ging hij verder naar Penuel. Hij deed de burgers van Penuel hetzelfde verzoek als hij de burgers van Sukkot had gedaan, en kreeg van hen hetzelfde antwoord. 9 Daarop bedreigde hij ook de burgers van Penuel, met de woorden: ‘Zodra ik ongedeerd terugkeer, zal ik uw toren met de grond gelijkmaken.’ 10 Zebach en Salmunna hadden intussen hun kamp opgeslagen in Karkor. Ze waren met ongeveer vijftienduizend man, meer was er van het leger van de woestijnvolken niet over. Honderdtwintigduizend geoefende krijgslieden waren al gesneuveld. 11 Gideon volgde de nomadenroute ten oosten van Nobach en Jogboha en slaagde erin het kamp van de Midjanieten, die zich veilig waanden, te overrompelen. 12 De beide koningen Zebach en Salmunna probeerden in de algemene verwarring te ontkomen, maar hij haalde ze in en nam ze gevangen. 13 Gideon, de zoon van Joas, keerde via de Cherespas uit de strijd terug. 14 Onderweg kreeg hij een jongen uit Sukkot te pakken. Hij hoorde hem uit en liet hem de namen opschrijven van de oudsten en de leden van het stadsbestuur; het waren er zevenenzeventig. 15 Toen ging hij naar Sukkot en zei: ‘Kijk, hier heb ik Zebach en Salmunna, met wie u mij hebt gehoond door te zeggen: “Waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u Zebach en Salmunna soms al in handen gekregen?”’ 16 Hij nam de oudsten gevangen en liet doorntakken en distels uit de woestijn halen. En de burgers van Sukkot hebben het geweten! 17 Ook haalde hij de toren van Penuel omver en doodde hij de inwoners van die stad. 18 Gideon vroeg aan Zebach en Salmunna: ‘Wat waren dat voor mannen die u bij de Tabor hebt gedood?’ ‘Ze zagen er net zo uit als u,’ antwoordden ze. ‘Het leken stuk voor stuk wel koningszonen.’ 19 Toen zei Gideon: ‘Dat waren mijn volle broers, de zonen van mijn eigen moeder. Zo waar de HEER leeft, als u hen toen in leven had gelaten, zou ik u nu niet doden.’ 20 En hij droeg zijn oudste zoon Jeter op: ‘Vooruit, dood ze!’ Maar de jongen trok zijn zwaard niet; hij durfde niet, omdat hij nog zo jong was. 21 Zebach en Salmunna zeiden: ‘Doet u het dan zelf. U bent mans genoeg.’ Toen doodde Gideon hen zelf. De gouden maantjes die de nek van hun dromedarissen sierden nam hij mee. (NBV21)

Geschiedenis verhalen zijn niet altijd even betrouwbaar. Als een leger op de ene plaats verslagen is kan het zijn dat elders nog gewoon gevochten worden. Nu is de Bijbel gelukkig geen geschiedenis. Wie de Bijbel als geschiedenisboek zou lezen zou tot de ontdekking komen dat het verhaal dat we vandaag lezen in de feiten een aantal tegenstellingen heeft met de feiten die in de verhalen hiervoor zijn verteld. Maar die feiten en feitjes zijn voor de boodschap van het verhaal en de boodschap van het verhaal hiervoor niet echt belangrijk. Die boodschappen zijn zo belangrijk dat de schrijvers van de verhalen over Gideon zich niet bekommerd hebben over de verschillen in de verschillende verhalen die je zoal tegenkomt.

Hier hebben we het verhaal over de bewoners van Sukkot en Penuël. Ze moeten kiezen. Worden ze van de hond of van de kat gebeten. Ze wonen in het gebied waar Midjan de baas was. Nu is die baas verslagen door ene Gideon uit Israël. Die kan dan wel heel sterk zijn maar hoe lang zou die het uithouden als sterkste kracht in het hele gebied. Als ze voor hem kiezen komen dan straks de legers van Midjan weer terug en straffen ze hen die voor die Gideon hadden gekozen. Ze kiezen voor de vertrouwde machtsverhoudingen. Tot nu toe was Midjan altijd de sterkste geweest en had vrij in Israël kunnen plunderen zodat Sukkot en Penuël daar een stuk minder last van hadden gehad. De keus lijkt voor de hand te liggen.

Maar Gideon is veroordeeld tot de bloedwraak. Die uit Midjan hadden zijn naaste broers gedood. Net als hij waren het de zonen van zijn vader uit de dezelfde moeder. In een samenleving waar mannen meerdere vrouwen konden trouwen waren er broers en zusters die dichter bij je stonden dan de andere broers en zusters. Als die broers die het dichtst bij je stonden onrechtvaardig gedood waren moest je ook volgens de Tora wraak nemen en de moordenaars doden. Je volk liep gevaar als de moordenaars van je eigen broers vrij konden blijven gaan. De inwoners van Sukkot en Penuël hadden geen respect voor deze rechtsplicht voor Gideon. Zoals zo vaak gaat het in de Bijbel om de keuze tussen recht voor iedereen of het recht van de sterkste. Dat zal ook onze keuzes moeten bepalen. Iedere dag opnieuw.

Plaats een reactie