Van zichzelf walgen

Ezechiël 6:1-10

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik op de bergen van Israël, en profeteer ertegen. 3 Zeg: “Bergen van Israël, luister naar de woorden van God, de HEER! Dit zegt God, de HEER, tegen de bergen en de heuvels, tegen de rivierdalen en de valleien: Ik zal jullie treffen met het zwaard en jullie offerhoogten vernietigen. 4 Jullie altaren zullen worden verwoest, je wierookaltaren verbrijzeld. Je bewoners zal Ik voor de ogen van hun afgoden dood laten neervallen; 5 Ik zal hun lijken voor ze neergooien en hun beenderen rond de altaren verstrooien. 6 Volk van Israël, overal waar jullie wonen zullen de steden tot ruïnes vervallen en de offerhoogten verlaten worden, zodat je altaren in puin komen te liggen en niet meer worden bezocht. Je afgodsbeelden zullen worden verbrijzeld en vernietigd, je wierookaltaren in stukken geslagen, alles wat je ooit maakte zal worden weggevaagd. 7 Velen van jullie zullen omkomen, en dan zul je beseffen dat Ik de HEER ben. 8 Maar een aantal van jullie zal Ik sparen, ze zullen ontkomen aan het zwaard wanneer jullie verstrooid worden onder vreemde volken in andere landen. 9 Degenen die ontkomen, zullen aan Mij denken wanneer ze wonen bij de volken waar ze in gevangenschap naartoe worden gevoerd. Ze zullen zich herinneren hoe diep ze Mij krenkten toen hun overspelig hart Mij verliet en hun ogen naar hun afgoden lonkten. Dan zullen ze van zichzelf walgen omdat ze zich zo gruwelijk hebben misdragen, 10 en beseffen dat Ik, de HEER, niet zonder reden heb gezegd dat Ik hun deze rampspoed zou aandoen. (NBV21)

In de voorgaande hoofdstukken heeft Ezechiël laten zien waartoe de God van de ballingen uit Israël eigenlijk wel in staat is. Maar er schemerde ook iets door van een eind aan de woede van God. Het blijft immers mogelijk dat de ballingen de weg van het aanbidden van de goden van andere volken verlaten en weer volledig gaan vertrouwen op de God van Israël. Daarom laat Ezechiël nog eens duidelijk zien waar die God van Israël niet te vinden is en waar juist de goden van de omringende volken te vinden zijn. Op de bergen rond Israël, op de hoogten waar offerplaatsen waren ingericht.

Ieder die daar nog de afgoden durft te aanbidden zal voor de ogen van de afgoden door het zwaard gedood worden. Ook wij zijn vaak door de bergen en hun onverzettelijkheid onder de indruk geraakt. Dat onze hulp ook van de bergen kan komen, zoals een psalm wordt uitgelegd, wordt door iedereen als vanzelfsprekend beschouwd. Terwijl de psalmdichter wel naar de bergen kijkt maar besluit dat zijn hulp komt van de God van Israël. Een God die niet aan een plaats is gebonden maar die met je meetrekt. En dat aspect van die God moet ook de ballingen moed inspreken. Ook in ballingschap, waar dat ook in de wereld is, kan een beroep gedaan worden op de God van Israël.

Maar de fouten uit het verleden moeten niet herhaalbaar zijn. Daarom klinken er harde woorden over het aanbidden van valse goden en het aangaan van verkeerde bondgenootschappen. En dan mogen wij de daden van ons volk nog wel eens heroverwegen. Wij leunen immers ook op het bondgenootschap met een wereldmacht. Een wereldmacht die vele jaren het internationaal recht centraal stelde en dat verdedigde maar dat nu handelt als elke onderdrukkende wereldmacht doet. Eigen belang staat voorop, als zij maar groot zijn en als groot gerespecteerd worden. Wapens moeten we hebben en het liefst de wapens bij onze zogenaamd machtige bondgenoot kopen. Dat die grootmacht groot is in onrecht, geweld en onderdrukking ontgaat ons kennelijk. Ook aan ons de oproep die Ezechiël aan de ballingen brengt. Bekeer je en sla een andere weg in, de weg van de God van Israël.

Plaats een reactie