Zorg dat ze zien

Ezechiël 12:1-7

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, je woont te midden van een opstandig volk. Het heeft ogen om te kijken maar het ziet niets, en oren om te horen maar het luistert niet, opstandig als het is. 3 Pak daarom bij elkaar wat je nodig hebt om in ballingschap te gaan, mensenkind, en vertrek bij daglicht, zodat iedereen het kan zien; ze moeten zien dat je vanuit je woonplaats in ballingschap gaat, ergens anders heen. Misschien dat ze dan, hoe opstandig ze ook zijn, hun ogen gaan gebruiken. 4 Breng alles wat je als balling nodig hebt overdag naar buiten, en ga zelf ’s avonds naar buiten alsof je in ballingschap gaat. Zorg ervoor dat ze kunnen zien wat je doet. 5 Zorg dat ze zien hoe je een gat in de muur van je huis maakt om je bezittingen naar buiten te brengen. 6 Zorg dat ze zien hoe je alles op je schouders laadt en wegdraagt als het helemaal donker is. Je moet je gezicht bedekken, zodat je het land om je heen niet meer kunt zien. Wat je doet zal een teken zijn voor het volk van Israël.’ 7 Ik deed wat mij was opgedragen. Overdag bracht ik alles naar buiten wat ik nodig had om in ballingschap te gaan en ’s avonds maakte ik met mijn handen een gat in de muur. Toen het helemaal donker was, laadde ik alles op mijn schouders en droeg het weg terwijl het volk toekeek. (NBV21)

Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw kennen we zogenaamde ludieke acties. Mensen die samen een toneelstukje opvoeren, op straten of pleinen, om daarmee de aandacht te vestigen op misstanden in de samenleving. We denken nog wel eens dat het toen is uitgevonden. Maar ver voor het begin van onze jaartelling was er al de profeet Ezechiël die toneelstukjes opvoerde omdat zijn volk weigerde om de ellende van mensen onder ogen te zien en te luisteren naar de klaagzangen van de onderdrukten. Hardhorend en ziende blind waren ze. Zelfs hun ballingschap namen ze als een vanzelfsprekende zaak, de vervreemding van hun God namen ze op de koop toe. Ezechiël wordt geroepen om daar iets tegen te doen. Spreken en schrijven helpt niet, daarom een toneelstukje.

Je bezittingen moet je dragen, moet je naar buiten dragen. In je huis zit een gat in de muur. Alle bescherming tegen vijanden is weggevallen. Je moet in het duister vertrekken, dan weet je tenminste niet waar je bent en waar je heengaat. Dat is de ballingschap. Wij raken gewend aan dat soort beelden. Elke dag zwerven overal op de wereld mensenmenigten over wegen en paden met hun bezittingen op hun rug of op gammele wagens, hongerend en zoekend naar een plek waar het veilig zal zijn en waar weer voedsel en drinken is. We noemen ze vluchtelingen, ontheemden, en zorgen dat er in ons land geen plaats voor hen is. Af en toe bereiken die beelden ons, vooral als er teveel mensen tegelijk op de vlucht geslagen zijn. Dan organiseren we een aktie om medelijden te tonen. Maar elke aktie opnieuw blijkt dat we gewend raken aan de beelden van vluchtelingen die in ballingschap gaan.

De 40 dagen voor Goede Vrijdag zijn er in de kerk bijvoorbeeld om ons te bezinnen op het lijden van de mensen. Op het slechte dat ons overkomt maar dat ons niet hoeft te overkomen. We leven in een economische crisis, een crisis waarin de rijken rijker worden en de armen de gevolgen van de crisis moeten dragen. De wapenhandel in de wereld neemt toe, angst maakt zelfs herbewapening nodig zegt men. Dat betekent dat we er ook in de toekomst verzekerd van kunnen zijn dat er vluchtelingen zullen zijn. Natuurlijk kunnen we helpen, de Stichting Vluchteling is het kanaal bij uitstek om vluchtelingen te helpen. Maar voorkomen kunnen we ook, te beginnen met het bestrijden van de wapenhandel. Niet verkopen van de overbodig geworden wapens en tanks van onze krijgsmacht, niet steeds maar nieuwe wapens kopen die verouderd zijn als ze in gebruik worden genimen, maar wapens omsmeden tot landbouwmachines, ploegscharen en zo. We kunnen dat als we oog krijgen voor de ballingen en het geroep om gerechtigheid horen van de slachtoffers. Vandaag kunnen we er alvast mee beginnen.

Plaats een reactie