Mijn allesverwoestende toorn.

Ezechiël 13:1-16

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, klaag alle profeten van Israël aan die het nog wagen te profeteren; zeg tegen de profeten die op eigen gezag spreken: “Luister naar de woorden van de HEER! 3 Dit zegt God, de HEER: Wee de verdwaasde profeten die hun eigen ingevingen volgen zonder iets te hebben gezien! 4 Israël, je profeten zijn als jakhalzen die leven tussen de ruïnes. 5 Ze zijn niet in de bres gesprongen voor hun volk, ze hebben er geen muur omheen gebouwd waardoor het op de dag van de HEER in de strijd zou kunnen standhouden. 6 Hun visioenen zijn bedrieglijk, hun voorspellingen zijn vals. Ze zeggen: ‘Zo spreekt de HEER … ’ -terwijl ze niet door de HEER gezonden zijn. En dan verwachten ze nog dat er iets van hun woorden bewaarheid wordt! 7-8 Is het niet zo-zegt God, de HEER -dat jullie visioenen bedrieglijk zijn en jullie voorspellingen vals? Jullie zeggen: ‘Zo spreekt de HEER … ’ -terwijl Ik niets heb gezegd! Omdat jullie woorden bedrieglijk zijn en jullie visioenen vals, keer Ik me tegen jullie-spreekt God, de HEER. 9 Ik hef mijn hand op tegen de profeten met hun bedrieglijke leugens en valse voorspellingen. Ze zullen uit de gemeenschap worden gestoten. Ze zullen niet meer ingeschreven staan in de boeken van het volk van Israël, en het land van mijn volk zullen ze niet meer binnengaan. Dan zullen jullie beseffen dat Ik God, de HEER, ben. 10 De profeten hebben mijn volk op een dwaalspoor gebracht toen ze zeiden dat het vrede zou blijven, en mijn volk bouwde muren die door de profeten met witkalk werden bepleisterd-maar het bleef geen vrede. 11 Zeg daarom tegen die witkalkers dat hun muur zal instorten. Als er slagregens komen, als er hagelstenen neerkletteren, als er een stormwind losbreekt 12 en de muren instorten, zal er dan niet worden gezegd: ‘Waar is jullie pleisterwerk gebleven?’ 13 Daarom-dit zegt God, de HEER -Ik zal in mijn woede een stormwind laten losbreken en slagregens doen neerslaan, Ik zal hagelstenen laten neerkletteren in mijn allesverwoestende toorn. 14 Ik haal de witgepleisterde muren omver, ze zullen instorten en hun fundamenten zullen bloot komen te liggen. De stad zal in puin vallen en jullie zullen omkomen. Jullie zullen weten dat Ik de HEER ben. 15 Ik zal mijn woede koelen op de muren en op de witkalkers, Ik zeg jullie dat de muren zullen verdwijnen samen met hen die ze hebben bepleisterd: 16 de profeten van Israël met hun profetieën over Jeruzalem, die visioenen hadden van vrede terwijl het geen vrede zou blijven-zo spreekt God, de HEER.” (NBV21)

Ook voor profeten geldt dat men het eerst moet zien, dat geldt zeker voor Ezechiël. En dat zien gaat dan om een aantal zaken. Ezechiël ziet allereerst de goden van Babel, overheerst door hun donderwolk Mardoek. Maar tegelijk ziet Ezechiël hoe de God van Israël in dat verhaal past, de God van Israël laat zich rijden op een wagen gevormd door de goden van Babel. Die goden van Babel zijn niks van zichzelf, ze zijn onderworpen aan de God van Israël. Vervolgens ziet Ezechiël het dal bij de rivier waarin de ballingen moeten wonen. Een dal van diepe duisternis is het. Maar in dat dal is de ontmoeting met de God van Israël mogelijk. Dan wordt ook duidelijk dat het volk een weerspannig volk is dat niet zal willen luisteren naar de waarschuwingen die een profeet zal moeten geven. Als je slecht doet loopt het slecht met je af, als je goed doet moet je oppassen je niet tot het slechte te laten verleiden.

Als je op die manier kijkt naar je taak als profeet en de betekenis van de God van Israël daarin dan bouw je als het ware een muur om het volk heen waardoor het stand kan houden. Dan weet het volk dat ook in het donkerste dal de God van Israël hen wil steunen en uit de ellende wil leiden naar een land dat overvloeit van melk en honing, zoals een herder de kudde leidt naar grazige weiden. Je kunt de mensen wel naar de mond praten, goed praten wat ze aan onrecht doen, begrip opbrengen voor hun wensen en verlangens en dan net doen of de God van Israël dat ook wel goed zal vinden, maar dan zie je niet op de effecten die het volk heeft op de armen, op de minsten van het volk, op de weduwen en de wees. Dan komen voorspellingen niet uit, dan blijft het volk ronddwalen in het duister, dan schijnt daar wel een groot licht maar dan wil het volk het niet zien.

Ezechiël leert dat de valse profeten van zijn dagen niet ongestraft zullen blijven profeteren. Hun leugens zullen zich tegen zichzelf keren. We moeten bij het lezen van de Bijbel steeds bedenken dat als God straft dat het gevolg is van het verkeerd handelen van de gestrafte. Zoals bij ons ook dieven en moordenaars niet moeten klagen dat ze een tijd in de gevangenis moeten doorbrengen, ze hebben dat over zichzelf afgeroepen, van onrecht is geen sprake als ze inderdaad hetgeen gedaan hebben waarvoor ze zijn veroordeeld. Maar het geldt ook voor onze samenleving als geheel. Ook wij moeten leren te zien op de effecten die de inrichting van onze samenleving heeft op de armsten, op de minsten, op de zieken en gehandicapten, op de hongerenden elders in de wereld. Als we die aan hun lot overlaten zal dat lot zich tegen ons keren, dan roepen wij ellende over onszelf af. Als we durven te delen en samen te leven als samenleving dat zal het vanzelf beter gaan en komen we allemaal uit de diepste crisis die ons kan treffen. We kunnen daar elke dag opnieuw aan gaan werken, ook vandaag weer.

Plaats een reactie