Ga terug naar het land van je voorouders

Genesis 31:1-16 1 ¶  Eens hoorde hij Labans zonen zeggen: ‘Jakob heeft onze vader alles wat hij bezat afhandig gemaakt, al zijn rijkdom heeft hij verworven ten koste van onze vader.’ 2  Ook merkte Jakob dat Laban niet meer zo vriendelijk tegen hem was als voorheen. 3  Toen zei de HEER tegen Jakob: ‘Ga terug … Lees meer

Wij zijn maar knechten

Lucas 17:1-10 1 ¶  Tegen zijn leerlingen zei hij: ‘Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val worden gebracht, alleen: wee degene die daarvoor verantwoordelijk is! 2  Het zou beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn hals in zee werd geworpen dan dat hij ook maar een van deze geringen ten … Lees meer

U hoeft mij niets te geven

Genesis 30:22-43 22  Toen dacht God eindelijk aan Rachel: hij verhoorde haar en opende haar moederschoot. 23  Ze werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. ‘God heeft me van mijn schande verlost, ‘zei ze. 24  Ze noemde het kind Jozef en zei: ‘Ik hoop dat de HEER mij er nog een zoon bij geeft.’ … Lees meer

Geef mij kinderen

Genesis 30:1-21 1 ¶  Omdat Rachel geen kinderen van Jakob kreeg, was ze jaloers op haar zuster. ‘Geef mij kinderen, ‘zei ze tegen Jakob, ‘anders ga ik dood!’2  Jakob werd kwaad en antwoordde: ‘Ik ben toch zeker God niet? Híj onthoudt jou het moederschap!’ 3  ‘Neem mijn slavin Bilha dan, ‘zei ze, ‘en slaap met … Lees meer

Geef me nu mijn vrouw

Genesis 29:21-35 21  Toen zei Jakob tegen Laban: ‘De termijn is om. Geef me nu mijn vrouw, ik wil met haar slapen.’ 22  Laban nodigde alle inwoners van de stad uit en gaf een feest. 23  Toen de avond was gevallen bracht hij zijn dochter Lea bij Jakob, en Jakob sliep met haar. 24  Ook … Lees meer

Zoveel hield hij van haar

Genesis 29:1-20 1 ¶  Jakob vervolgde zijn reis naar het land waar de volken van het oosten wonen. 2  Op een dag zag hij ergens in het open veld een put waar drie kudden schapen omheen lagen; de dieren kregen altijd uit die put te drinken. Over de opening van de put lag een grote … Lees meer

Dit moet de poort van de hemel zijn

Genesis 28:10-22 10 ¶  Jakob verliet dus Berseba en ging op weg naar Charan. 11  Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen. 12  … Lees meer

Het land waar je nu nog als vreemdeling woont

Genesis 27:30”“28:9 30 ¶  Toen Isaak Jakob gezegend had en Jakob nog maar net bij zijn vader was weggegaan, kwam zijn broer Esau thuis van de jacht. 31  Ook hij maakte een smakelijk gerecht klaar, bracht het zijn vader en zei tegen hem: ‘Ga overeind zitten, vader, en eet van wat uw zoon heeft geschoten; … Lees meer

Zij waren een bron van voortdurende ergernis

Genesis 26:34”“27:29 34 ¶  Toen Esau veertig jaar was trouwde hij met Jehudit, die een dochter was van de Hethiet Beëri, en met Basemat, een dochter van de Hethiet Elon. 35  Zij waren een bron van voortdurende ergernis voor Isaak en Rebekka. 1 ¶  Toen Isaak oud geworden was en zijn ogen zo zwak waren … Lees meer

Samen aten en dronken ze

Genesis 26:18-33 18  De waterputten die in de tijd van zijn vader Abraham waren gegraven en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgegooid, groef Isaak weer open, en hij gaf ze dezelfde namen als zijn vader ze had gegeven. 19  Ook Isaaks knechten gingen in het dal aan het graven en zij troffen er … Lees meer

Wat hebt u ons aangedaan!

Genesis 26:1-17 1 ¶  Eens brak er in het land hongersnood uit (een andere dan de hongersnood die er vroeger was geweest, in de tijd van Abraham), en daarom ging Isaak naar Gerar, de stad van Abimelech, de koning van de Filistijnen. 2  Daar verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Reis niet verder naar … Lees meer