Ik heb gezondigd

Numeri 22:21-40

21 De volgende morgen maakte Bileam zich gereed, zadelde zijn ezelin en ging met de Moabitische leiders mee. 22 Maar nauwelijks was hij op weg, rijdend op zijn ezelin en vergezeld door twee van zijn dienaren, of God ontstak in woede. De engel van de HEER ging op de weg staan om Bileam tegen te houden. 23 De ezelin zag de engel van de HEER op de weg staan, met een getrokken zwaard in de hand, en ze ging opzij, van de weg af het veld in. Bileam sloeg de ezelin om haar weer naar de weg te drijven. 24 Hierop ging de engel van de HEER op een smalle weg tussen de wijngaarden staan. Aan weerszijden was een muur. 25 Toen de ezelin de engel van de HEER zag, drukte ze zich tegen de muur, zodat Bileams voet bekneld raakte. Weer sloeg hij haar. 26 De engel van de HEER ging opnieuw een stuk verderop staan, in een nauwe doorgang, waar geen ruimte was om naar links of rechts uit te wijken. 27Toen de ezelin de engel van de HEER zag ging ze liggen, met Bileam nog op haar rug. Bileam werd woedend en sloeg de ezelin met een stok. 28 Toen opende de HEER de mond van de ezelin. Ze vroeg Bileam: ‘Wat heb ik u misdaan, dat u me nu al drie keer geslagen hebt?’ 29 ‘Je solt met me,’ zei Bileam. ‘Als ik een zwaard bij me had, dan had ik je allang gedood!’ 30 De ezelin vroeg Bileam: ‘Ben ik niet de ezelin waarop u al uw hele leven rijdt? Heb ik me soms eerder zo gedragen?’ ‘Nee, nooit,’ antwoordde hij. 31 Toen opende de HEER Bileam de ogen, zodat hij de engel van de HEER op de weg zag staan, met het getrokken zwaard in de hand. Hij knielde en boog diep voorover. 32 De engel van de HEER vroeg hem: ‘Waarom heb je je ezelin nu al drie keer geslagen? Ik ben gekomen om je tegen te houden; doordat Ik hier sta is de weg afgesloten. 33 Driemaal zag je ezelin Mij, en driemaal is ze voor Me opzij gegaan. Had ze dat niet gedaan, dan had Ik jou gedood maar haar in leven gelaten.’ 34 Bileam zei tegen de engel van de HEER: ‘Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat U tegenover mij stond. Maar als wat ik doe slecht is in uw ogen, ga ik terug naar huis.’ 35 De engel van de HEER zei tegen Bileam: ‘Ga maar met die mannen mee. Maar je mag alleen zeggen wat Ik je opdraag.’ Dus ging Bileam met Balaks gezanten mee. 36 Toen Balak hoorde dat Bileam eraan kwam, ging hij hem tegemoet tot aan de Moabitische stad die helemaal aan de rand van het stroomgebied van de Arnon ligt. 37 ‘Ik had u toch dringend ontboden?’ zei Balak tegen Bileam. ‘Waarom bent u niet eerder gekomen? Dacht u soms dat ik niet in staat zou zijn om u te belonen?’ 38 ‘Ik ben er nu toch?’ antwoordde Bileam hem. ‘Maar of ik iets zal kunnen zeggen? Alleen wat God mij in de mond legt kan ik zeggen.’ 39 Bileam ging met Balak mee naar Kirjat-Chusot. 40 Balak offerde runderen, geiten en schapen en liet stukken daarvan naar Bileam brengen en naar de gezanten die hem vergezelden. (NBV21)

Een profeet die zo veel waarde hecht aan zijn eigen profetie verdient wat meer aandacht. Dat die profetie waardevol is wil Barak van Moab wel tot uitdrukking brengen. Hij stuurt daarom  niet zomaar een delegatie maar de vorsten van Moab en Midjan, leden van zijn hofhouding, zijn directe raadgevers. Bileam spraakt ze met de eretitel “knechten van Balak” aan. Balak heeft er alles voor over om zo’n machtige profeet een vervloeking over zijn vijanden te laten uitspreken. Opnieuw besluit Bileam er een nachtje over te slapen. Dat die Balak er alles voor over lijkt te hebben is toch ook wel wat waard. Ook in die nacht droomt Bileam over de God van Israël. Maar nu wordt niet het vierletterwoord gebruikt dat in het Hebreeuws nooit wordt uitgesproken maar vervangen wordt door HEER, bij ons vaak met hoofdletters geschreven, maar staat er gewoon de meervoudsvorm voor God. De eerste keer was er een absoluut nee op de vraag of Bileam naar Balak mocht, nu is er een voorwaardelijk ja. Alleen als Bileam beloofd datgene te zeggen dat de God van Israël hem ingeeft te zeggen.

Bileam is ook een Ziener, iemand die meer ziet dan de oppervlakte. Hij ziet ook de verborgen agenda’s, de machtsspelletjes die worden gespeeld. Hij ziet waar bepaalde ontwikkelingen op uit zullen lopen. Een ziener is dus geen voorspeller, maar spreekt de waarheid zoals die te zien is voor hen die de ogen niet sluiten voor machten en krachten die hun eigen belang dienen. Maar de grote Bileam ziet het toch niet allemaal zo duidelijk als het om de God van Israël gaat. Zelfs zijn ezelin ziet het duidelijker. Die ziet de boodschapper van de God van Israël die hen probeert tegen te houden. Bileam ziet alleen een koppige ezel. Het is jammer dat het woord boodschapper hier vertaald wordt met engel. Engelen bestaan niet, veel later in de geschiedenis van Israël zal het beeld van een engel als speciale boodschapper van God uit een andere godsdienst worden overgenomen. Er staat boodschapper en die kan van een koning komen of van God. Deze boodschapper heeft een tweesnijdend zwaard. Het was de ezelin die het Bileam moest laten zien. En sprak de ezelin? We zijn er niet bij geweest, maar soms vertelt een gebeurtenis zelf een verhaal. zo dichtte Guido Gazelle eens: “mij spreekt de blomme een tale” De koppigheid van de ezel is al een verhaal op zich.

Die boodschapper maakt Bileam nog eens duidelijk dat het geen zin heeft op weg te gaan om het volk Israël te vervloeken. Zelfs als iemand daar al zijn goud en zilver voor over heeft. De keus die de God van Israël maakt over de kant waarvoor hij er zal zijn staat vast. Israël is het volk van God. Bileam realiseert zich dit nu ten volle en hij weet dat vloek en zegen niet van hem afhangen maar van de keuze die door die God gemaakt wordt. Hij had al tegenover de deftige delegatie uit Moab over die God van Israël gesproken als “mijn God” Tegen een God die een volk uit de slavernij in Egypte had bevrijdt en de macht had gegeven de Amorieten te bestrijden kon zelfs een grote ziener niet op. De angst van Balak was terecht, het had ook geen zin die God op andere gedachten te brengen. Bileam wilde daarom bijna weer naar huis gaan. Maar de boodschapper wilde dat hij verder trok om juist die boodschap over de keus van die God over te brengen. Wij zien in onze dagen God graag als een God van liefde en benadrukken dat die God ons zijn vrede wil aanbieden. Maar als wij ten oorlog worden geroepen, zoals indertijd naar Irak, dan steunen we die oorlog maar wat graag. Zelfs als het aangaan van die oorlog achteraf op leugens gebaseerd blijkt te zijn. Daarom doen we er goed aan om eerst eens een nachtje te slapen als we ten strijde moeten trekken. Zeker nu we weten dat wie wapens zaait oorlog oogst. Wellicht is het beter naar de boodschap van de boodschappers van de God van Israël te luisteren.

Plaats een reactie