Deuteronomium 33:1-7
1 Dit is de zegen die Mozes, de godsman, uitsprak over de stammen van Israël, voor hij stierf. 2 Hij zei: ‘De HEER verscheen vanaf de Sinai, zijn licht bescheen hen vanuit Seïr, met luister kwam Hij van de bergen van Paran. Talloze engelen vergezelden Hem, bliksem flitste uit zijn rechterhand. 3 Hij kreeg Israëls stammen lief, Hij hield al de zijnen in zijn hand. Ze waren gezeten aan zijn voeten en ontvingen zijn onderwijzing. 4 Mozes gaf ons zijn onderricht als een kostbaar bezit voor Jakobs volk. 5 Zo werd de HEER koning van Jesurun, terwijl de oudsten van het volk bijeen waren en de stammen van Israël zich verzameld hadden.’ 6 ‘Ruben, hij moge leven, en niet sterven, hoe gering zijn aantal ook is.’ 7 Dit zei hij over Juda: ‘O HEER, hoor Juda’s hulpgeroep, laat zijn strijders behouden huiswaarts keren, want ze voeren een eenzame strijd. Sta hun terzijde tegen hun vijanden.’ (NBV21)
Mozes neemt afscheid met wat genoemd wordt een zegen. Daarin wenst hij iedereen het goede. Zoiets als wat je wel eens op een bruiloft of een jubileum hoort. Het bruidspaar of de jubilarissen horen dan al het goeds dat er over hen te zeggen is. In het verhaal, of is het een lied of gedicht, van Mozes begint het natuurlijk met God zelf. De ontmoeting met God in de woestijn bepaalde immers de geschiedenis en de inhoud van het volk Israël. In de nieuwe vertaling is God daar ineens vergezeld van een heleboel Engelen. In oudere vertalingen zijn dat heiligen, ook de Naardense Bijbel van Oussoren vertaalt hier heiligen. We hebben verschillende handschriften die beschouwd worden als de grondtekst waaruit de Bijbel vertaald wordt en ook één van die grondteksten heeft het over tienduizenden van heiligheid.
Als iemand dus zegt dat men de Bijbel letterlijk wil nemen moet je niet alleen vragen welke vertaling men letterlijk neemt, maar ook uit welke grondtekst vertaald is en waarom men die grondtekst heeft genomen. De Bijbel staat nu eenmaal niet vol toverformules die je uit het hoofd kunt leren en die elke situatie dan naar je hand kunt zetten, maar de Bijbel staat vol verhalen die je op weg sturen naar het beloofde land. Als je met God in aanraking komt zegt Mozes dan zie je ineens al die mensen die het goede en niets dan het goede deden, een geweldige menigte is dat. De Thora, de Wet van de Woestijn, is in alle tijden en overal toegepast en heeft altijd en overal tot bevrijding van mensen geleid.
Dat de NBV21 hier het woord engelen gebruikt is nog zo vreemd niet. We zijn gaan inzien dat Engelen boodschappers van God zijn, en ieder mens kan op zijn of haar tijd een boodschapper van God zijn, soms zelfs onbedoeld of onbewust. Engelen zijn dus geen mensen in witte kleren met vleugels. Dat leger vol van goede mensen verschijnt overal op de wereld, soms onverwacht als ergens in een park tentjes worden opgezet en mensen samenscholen om een einde te maken aan onderdrukking en geweld en een begin met een rechtvaardige verdeling van welvaart en welzijn. De nieuwe regeerders van volken die vroeger onder een dictatuur leefden zijn ook de grootste pleitbezorgers voor eerlijke handelsverhoudingen en zij botsen dan ook met de rijken op de aarde. Aan ons om partij te kiezen, wij worden niet onderdrukt maar horen we bij de uitbuiters of bij hen die zegen verspreiden en delen met de armsten in de wereld?