Selecteer een pagina

Jeremia 36:27-32

27 Nadat de koning de rol met alles wat Jeremia aan Baruch had gedicteerd, verbrand had, richtte de HEER zich tot Jeremia: 28 ‘Neem een nieuwe rol en schrijf daarin alles wat in de eerste rol stond, die koning Jojakim van Juda heeft verbrand. 29 Zeg tegen hem: Dit zegt de HEER: Je hebt de rol verbrand en Jeremia verweten daarin te hebben geschreven dat de koning van Babylonië dit land zal binnenvallen, dat hij het zal verwoesten en de mensen en dieren zal uitroeien. 30 Daarom – dit zegt de HEER over koning Jojakim van Juda: Er zal geen nakomeling van hem op de troon van David zitten. Zijn lijk zal naar buiten worden gegooid, en overdag zijn blootgesteld aan de hitte en ’s nachts aan de kou. 31 Ik zal hem, zijn kinderen en zijn hovelingen voor hun wandaden straffen. Ik zal over hen, de bevolking van Jeruzalem en die van Juda al het onheil brengen dat Ik hun heb aangekondigd. Want ze hebben niet willen luisteren.’ 32 Hierop nam Jeremia een nieuwe rol en gaf die aan de schrijver Baruch, de zoon van Neria. Deze schreef er alles in wat Jeremia hem dicteerde, alles uit de boekrol die koning Jojakim van Juda had verbrand. Bovendien werden er veel woorden van gelijke strekking aan toegevoegd.

Wij zijn gewend om in de Bijbel woorden van liefde te vinden, woorden van vergeving, woorden over de mantel der liefde waarmee de fouten van mensen worden bedekt. Nu, in de Bijbel worden armen getroost met zulke woorden. Maar voor machtigen zijn er zulke woorden niet, voor hen is er onheil, met het zwaard worden ze bedreigd, hun lijk wordt uit het raam gegooid. Niks lieve woordjes voor onderdrukkers. Integendeel, onderdrukkers en uitbuiters worden hard aangepakt, bloedig als het even kan. Liefde voor onderdrukkers en uitbuiters is nergens te vinden. Moeten wij die dan wel hebben? Moeten wij vriendelijk blijven als de inkomens van de rijken worden beschermd en van de armen nog wordt afgenomen wat hen restte in hun armoede?

Moeten wij zwijgen als de rijken heengezonden worden met wachtgelden waar in hun jeugd gehandicapt geraakten alleen van kunnen dromen terwijl diezelfde gehandicapten bedreigd worden met minder dan het minimum inkomen? De rijken doen tegenwoordig verbaasd over de armoede die zelfs de verdere ontwikkeling van ons land in gevaar brengt. We moeten volgens hen de armen leren beter met het geld dat ze niet hebben om te gaan. We moeten de kruimels van de tafels van de rijken maar herverdelen in Voedselbanken. Volgens de rijken maken de armen duidelijk dat we zeker geen vreemdelingen moeten toelaten, rijke vreemdelingen wel maar arme vreemdelingen niet.

Moeten wij de machtigen niet aan de kaak stellen en bij name noemen als ze onze broeders en zusters soms voor jaren opsluiten in gevangenissen zonder tussenkomst van een rechter. Moeten wij die machtigen vragen om onze broeders en zusters uit te nodigen naar onze kerken te komen als iedereen voorzichtig moet zijn wat te zeggen omdat zelfs vreemde mogendheden ons telefoon en internetverkeer in het geheim kunnen nalopen op ongewenste uitspraken? Het zijn vragen die we ons dag in dag uit moeten stellen. Onze Heer en Heiland, Jezus van Nazareth stelde immers dat wie niet voor hem was tegen hem was. Hij beriep zich ook op een profeet als Jeremia en zijn verhaal lezen we niet voor niets.