Israël honen

1 Samuël 17:16-30

16 Ondertussen trad de Filistijn elke ochtend en elke avond naar voren, veertig dagen lang, en dan stelde hij zich op in het dal. 17 Op een dag zei Isaï tegen zijn zoon David: ‘Hier heb je een zak geroosterd graan en tien broden. Breng die snel naar je broers in het legerkamp. 18 En deze tien kazen moet je aan hun bevelhebber geven. Vraag je broers hoe het met ze gaat en neem een levensteken van hen mee terug.’ 19 Saul was met de soldaten van Israël, onder wie Davids broers, nog steeds gelegerd in de Terebintenvallei, tegenover de Filistijnen. 20 De volgende ochtend vroeg ging David met de proviand op weg, zoals Isaï hem had opgedragen. De kudde liet hij achter onder de hoede van iemand anders. Hij kwam juist bij het wagenkamp aan toen het leger onder het aanheffen van strijdkreten de linies betrok. 21 De Israëlieten en de Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover elkaar op. 22 David gaf zijn spullen af aan de foerier en haastte zich naar de gevechtslinie. Daar vond hij zijn broers en hij vroeg hun hoe het met ze ging. 23 Terwijl hij met ze aan het praten was, trad uit de Filistijnse gelederen de kampvechter naar voren, Goliat uit Gat, en David hoorde hem de Israëlieten uitdagen zoals hij dat elke dag deed. 24 Bij het zien van Goliat deinsden de Israëlieten van schrik achteruit. 25 ‘Zien jullie die man daar?’ zeiden ze tegen elkaar. ‘Israël honen, daar is het hem om te doen! Wie hem verslaat, zal door de koning met rijkdommen worden overladen. Bovendien krijgt hij de koningsdochter tot vrouw en wordt zijn familie vrijgesteld van schatting en herendienst.’ 26 David vroeg aan de soldaten die in zijn buurt stonden: ‘Wat gebeurt er met degene die die Filistijn daar verslaat en Israël van deze schande bevrijdt? Wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te beschimpen!’ 27 De soldaten herhaalden tegen hem wat ze zojuist gezegd hadden. 28 Toen Davids oudste broer Eliab hem met de soldaten hoorde praten, viel hij woedend uit: ‘Wat doe je hier eigenlijk? Hoor jij niet in de woestijn op je schaapjes te passen? Echt iets voor jou, om met je brutale neus vooraan te willen staan als er gevochten gaat worden.’ 29 ‘Wat doe ik nu weer verkeerd?’ antwoordde David. ‘Ik vraag het toch alleen maar!’ 30 Hij draaide zijn broer de rug toe en legde zijn vraag nog aan anderen voor, en kreeg weer hetzelfde antwoord. (NBV21)

De reuzen uit Kanaän hadden al eerder veel indruk op het volk gemaakt. Toen de woestijnzwervers aan de rand van het vruchtbare land Kanaän stonden hadden ze verkenners gestuurd. Die hadden verteld over de reuzen die zich onder de volken van Kanaän hadden gemengd. Uit angst had het volk zich omgekeerd en was opnieuw de woestijn ingetrokken. Nu stond een reus recht tegen over hen. Die reus spotte zelfs met hun God. Die God zou wel eens een pak slaag van die reus kunnen krijgen. Al de soldaten van Israël stonden als verlamd toe te kijken. Hier was een kracht waar geen van hen als individu tegen op kon. En er was een individu nodig om het tegen de reus op te nemen.

We zijn in het lezen van de Bijbel aangekomen bij het beroemde verhaal van de strijd tussen David en Goliath. Een verhaal dat het begin vormt van de verantwoording van de ondergang van Saul en de opkomst van David. Dat David door Samuël gezalfd was en Saul de mededeling had gekregen vervloekt te zijn was niet genoeg geweest. Nu zou de kracht van de jonge David duidelijk moeten worden. Harpspelen aan het hof was een mooie en nuttige leerplaats maar een Koning over Israël zou Israël moeten bevrijden van de plunderaars die elk jaar de oogst kwamen stelen.

Saul had de nodige overwinningen behaald, maar nu er een reus opgedoken was werd er ook van hem niet iets anders vernomen dan dat het individu dat de strijd zou winnen een grote beloning zou krijgen. Het verhaal van de strijd tussen David en Goliath begint daarom met het benadrukken van de onafhankelijkheid van David. Die komt de vruchten van de oogst brengen voor zijn broers. Uit zijn vragen blijkt dat niet de omvang van de reus voor hem opvallend en beangstigend was maar de godslasteringen die de reus naar Israël stuurde. De beloning die in het vooruitzicht was gesteld maakte geen indruk. De vraag waar het ook vandaag om gaat is of je oorlog voert uit liefde voor slachtoffers die bevrijd en voorkomen moeten worden of dat je oorlog voert om er zelf rijker en machtiger van te worden. Het verhaal van David spreekt voor zichzelf.

Plaats een reactie