Jeremia 23:1-8
1 Wee de herders die de schapen van mijn weiden in het verderf storten en verstrooien-spreekt de HEER. 2 Daarom-dit zegt de HEER, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: Jullie hebben mijn schapen verstrooid en verdreven, en jullie zijn ze niet gaan zoeken. Daarom ga Ik jullie zoeken: Ik zal jullie straffen voor je kwalijke praktijken-spreekt de HEER. 3 Wat er nog van de schapen over is, zal Ik bijeenbrengen uit alle landen waarheen Ik ze verdreven heb. Ik breng ze terug naar hun weide, ze zullen vruchtbaar zijn en in aantal toenemen. 4 Ik zal herders over ze aanstellen die ze zo zullen hoeden dat ze geen angst meer kennen en er niet één meer zal worden gemist-spreekt de HEER. 5 De dag zal komen-spreekt de HEER -dat Ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. 6 Dan wordt Juda verlost en zal Israël veilig wonen. Zijn naam zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”. 7 Daarom, de dag zal komen-spreekt de HEER -dat er niet meer wordt gezegd: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit Egypte heeft bevrijd,” 8 maar: “Zo waar de HEER leeft, die de nakomelingen van Israël uit het land van het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen Hij hen verdreven had.” Dan zullen ze weer in hun eigen land wonen.’ (NBV21)
Op het eerste gezicht vraag je je misschien af wat we aan moeten met een lezing op eerste kerstdag over herders die de schapen in het verderf storten. We hadden het toch over herders die bij nachte lagen en trouw de wacht bij hunne kunne hielden? We praten deze dagen nog het liefst over herdertjes ook. Maar dan komt God kennelijk om tegen de herders te zeggen dat ze de schapen hebben verjaagd en laten verdwalen en maakt ze verwijten dat ze de schapen niet zijn gaan zoeken. Dat moet toch gemakkelijk te verdedigen zijn door die herders, ze hadden immers een engel gezien die ze naar de stal in Bethlehem had gestuurd om daar naar een kind in een kribbe te kijken? Wat dan nog straf. Maar het gaat in dit gedeelte uit het boek van de profeet Jeremia natuurlijk helemaal niet over de herders in het veld van Efrata. Dit is geen gedeelte over kerstmis. Maar over de hoop van arme mensen die met Kerstmis is beginnen uit te komen.
In de dagen van Jeremia had de politiek van de machthebbers er voor gezorgd dat het volk alle kanten op was verdeeld. Een groot deel was in ballingschap weggevoerd en een ander deel was gevlucht. Die machthebbers, die als herders over hun volk hadden moeten waken, werden daar dus voor gestraft. Maar de arme mensen die het slachtoffer van verkeerde politiek geworden waren bleven daar niet het slachtoffer van. Overal op de aarde zou de roep klinken om terug te keren naar het land dat God hen had gegeven, het land dat overvloeit van melk en honing. Daar zijn dan machthebbers, herders, aangesteld die vertrouwen op de God van Israël en hun politiek niet laten bepalen door de angst voor vreemde machten en omringende volken. Herders die letten op het volk en de zorg voor de rijken niet laten betalen door de armen. Herders die vreemdelingen weten te respecteren en te behandelen als hun eigen volk en niet de ene groep in de samenleving opzetten tegen de andere.
Dan komt er weer een koning net als David is geweest. David verenigde het volk en wist de vijanden af te houden. Die plaatste weer in het hart van het volk de Tent der Ontmoeting, de Tent waarin de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf werd bewaard. Dan komt de dag, dan zal het zijn, dat er weer recht en gerechtigheid in het land heersen. De vervulling van die droom is begonnen in Bethlehem geloven de Christenen. De Wet van de God van Israël dat alle mensen voor elkaar moeten zorgen is immers van daaruit over de hele aarde verspreid. Armen zou recht worden gedaan enze zouden niet meer bang hoeven te zijn voor uitbuiting en onrecht. Daarvoor moet nog veel gebeuren en als wij in het kind van Bethlehem de rechtmatige koning van de wereld willen zien dan moeten we ons gedragen als zijn onderdanen, gehoorzaam aan het woord dat we de weduwe en de wees recht moeten doen, de hongerigen moeten voeden, de dorstigen laven, de gevangenen bevrijden, de vreemdeling opnemen en leven in vrede. Daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.