Jesaja 1:1-17
1 Visioen van Jesaja, de zoon van Amos, dat hij zag over Juda en Jeruzalem toen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden. 2 Hoor toe, hemel, geef gehoor, aarde, de HEER heeft gesproken: Ik heb mijn kinderen opgevoed en grootgebracht, maar ze zijn tegen Mij in opstand gekomen. 3 Een rund herkent zijn meester, een ezel weet wie zijn voederbak vult, maar Israël mist elk inzicht, mijn volk leeft in onwetendheid. 4 Wee dit ontrouwe volk, met schuld beladen, volk van zondaars, verdorven geslacht. Zij hebben de HEER verlaten, de Heilige van Israël versmaad, Hem de rug toegekeerd. 5 Ben je niet genoeg geslagen, verzet je je nog altijd? Heel je hoofd doet pijn, heel je hart is ziek. 6 Van voetzool tot kruin, niets is ongeschonden: een en al wonden en builen en striemen, niet verbonden, niet verzorgd, niet met olie verzacht. 7 Je land is verwoest, je steden zijn verbrand. Vreemden stropen onder je ogen de akkers af, vreemdelingen maken alles tot een woestenij. 8 Wat rest er nog van Sion? Het is als een hut in een wijngaard, een schuilhut in een komkommerveld, een stad in het nauw. 9 Had de HEER van de hemelse machten ons niet een laatste rest gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra. 10 Hoor de woorden van de HEER, leiders van Sodom, geef gehoor aan het onderricht van onze God, volk van Gomorra. 11 Wat moet Ik met al jullie offers? -zegt de HEER. Ik heb genoeg van het vlees van jullie schapen, van het vet van jullie kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil Ik niet meer. 12 En wanneer jullie voor Mij verschijnen- wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen? 13 Houd op met die zinloze offergaven. Ik heb een afschuw van jullie wierook; jullie feesten, nieuwemaan en sabbat, ik duld ze niet naast al dat wangedrag. 14 Van jullie nieuwemaan, van ál jullie feesten heb Ik een afkeer, ze hinderen Mij, Ik kan ze niet langer verdragen. 15 Wanneer jullie je handen opheffen, wend Ik mijn ogen af, ook als je aanhoudend bidt, luister Ik niet. Aan jullie handen kleeft bloed! 16 Was je, reinig je, maak een eind aan je misdaden, Ik kan ze niet meer zien. Breek met het kwaad 17 en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, kom op voor wezen, sta weduwen bij. (NBV21)
Het boek Jesaja begint niet met een profetie, een analyse van hoe het zal gaan als het zo blijft gaan, maar met een visioen, het beeld van het zal zijn. De ene koning na de andere komt maar het volk is tegen de God van Israël in opstand gekomen. En de gevolgen zijn groot. Vreemdelingen maken alles tot een woestenij. Jeruzalem is een stad in het nauw, niet dat alle volken zich wenden naar Jeruzalem omdat daar de richtlijnen voor de menselijke samenleving vandaan komen maar de volken zijn er op uit om Jeruzalem te verwoesten en het gedrag van het volk maakt het hen maar gemakkelijk. Er is nog een rest van de bevolking die zich vasthoud aan de God van Israël anders was het met Jeruzalem net gegaan als eertijds met Sodom en Gomorra, de stad zou zijn omgekeerd en van de aardbodem zijn verdwenen. Maar wie denkt dat wij toch in heel andere tijden leven heeft het mis.
Een deel van die welvaart is te danken aan de slavernij waarin goedkope producten worden geproduceerd, zo goedkoop dat we meer kunnen kopen dan we nodig hebben terwijl elders op de wereld kinderen aan naaimachines zijn geketend of mensen van de honger omkomen. Een ander deel van onze welvaart hebben we te danken aan verspilling van kostbare grondstoffen. We zien wel de pijn van de Groningers nu de gasvelden leeggehaald zijn en zij hun huizen zien vallen door de aardbevingen maar Noord Nederland is een kolonie die al zeer lang wordt uitgebuit en verwaarloosd. Jesaja betekent “De Heer redt” in Israël een heel gewone naam. Het blijft de mensen herinneren aan de richting waar ze het moeten zoeken willen ze een menselijke samenleving inrichten. De naam Jesaja kwam zoveel voor dat er bij moet staan van wie hij er een is. Dit was er dus een van een zekere Amos, die we verder niet kennen.
We moeten bedenken dat Jesaja het over een lang tijdperk heeft. Vier koningen is niet niks en het verhaal begint bij een koning die bekend stond om zijn welvaart, het eindigt met een koning die bekend stond om zijn geloof. Dat levert dus kennelijk allemaal niet genoeg op om onheil af te wenden. Je kunt een bloeiende handel hebben of een prachtige Tempel daarmee maak je nog niet een menselijke samenleving. Het heb uw naaste lief waar de God van Israël om vraagt betekent dat je eerst oog moet hebben voor de minsten, voor de zwaksten. In onze dagen voor degenen die de door ons gekochte producten maken in armoede en slavernij, voor de bewoners van onze kolonie dus ook. Zolang wij de armen niet net zo rijk maken als wij zijn, zolang we weigeren te delen, zolang we mensen niet in dezelfde veiligheid laten leven als de meerderheid van ons vanzelfsprekend vindt, zolang we blijven verspillen. Zolang we ons niet bekeren zal het ons net zo slecht vergaan als het volk waar Jesaja tegen spreekt.