Selecteer een pagina

Deuteronomium 19:11-21

11 Als echter iemand een ander uit haat en met voorbedachten rade doodt, en dan naar een van die steden uitwijkt, 12 moeten de oudsten van zijn stad hem daar laten ophalen en hem aan de bloedwreker uitleveren. 1 3 Wees daarin onverbiddelijk. Zo bevrijdt u zich van de bloedschuld die op Israël rust, en u zult er wél bij varen. 14 U mag in het gebied dat de HEER, uw God, u toewijst in het land dat hij u in bezit geeft, de stenen die al generaties lang andermans grond begrenzen niet verplaatsen. 15 Eén enkel getuigenis dat iemand een overtreding heeft begaan of een misdrijf of wat dan ook, is niet geldig. Een aanklacht krijgt pas rechtsgeldigheid op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen. 16 Als een getuige tracht een ander ten val te brengen door een leugenachtige verklaring over hem af te leggen, 17 dan moeten de twee partijen in het geding samen voor de HEER verschijnen, voor de priesters en de rechters die op dat moment in functie zijn. 18 De rechters moeten de zaak zorgvuldig onderzoeken. Als blijkt dat de getuige heeft gelogen en een vals getuigenis heeft afgelegd, 19 dan moet u hem de straf opleggen die hij de ander had toebedacht. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. 20 De anderen moeten daardoor worden afgeschrikt, zodat dergelijke wandaden zich niet herhalen. 21 Heb geen medelijden en eis een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet. (NBV)

“Hard straffen, het staat in de Bijbel”, hoor je nog wel eens zeggen. En dan vragen anderen zich af wat die wrede straffen dan wel te maken hebben met geboden over liefde, en rechtvaardigheid. Dat hard straffen daar gaat het dus ook helemaal niet om. In een tijd dat ze nog geen wetenschappelijk bewijs in strafzaken konden verzamelen, denk maar eens aan de CSI series op de TV, moest je toch wel heel zeker weten dat iemand schuldig was voor er een veroordeling uit te spreken was. één getuige was geen getuige, twee op z’n minst en dan nog. Iemand die een ander kwam aanklagen liep het risico de straf te krijgen die de ander was toegedacht. En daar komt de regel om de hoek kijken dat je voor een ander moet wensen wat je voor jezelf wenst. Als jij vindt dat iemand een oog moet missen voor een misdrijf dan moet je het risico willen lopen zelf een oog te verliezen. Dat staat in dit Bijbelgedeelte. We zijn inmiddels wat verder in het verzamelen van bewijs en weten ook dat straffen het meest effect hebben als ze te maken hebben met het gepleegde misdrijf.

Maar we weten ook dat bijvoorbeeld valse aangiften van sexuele misdrijven een regelrechte ramp zijn. Niet alleen voor de ten onrechte beschuldigden en dat mag niet onderschat worden, maar vooral ook voor echte slachtoffers die ineens veel en veel meer moeite moeten doen gehoor te vinden voor hun aanklacht. Die echte slachtoffers moeten vaak het risico nemen nog eens beschadigd te worden als ze degene die hen beschadigd heeft willen laten boeten. Roepen om harde straffen is daarom vaak goedkoop en gemakkelijk als je zelf niet het risico wil nemen ook zo bestraft te worden. Het stuk dat we vandaag uit Deuteronomium lezen spoort ons aan tot de grootste voorzichtigheid bij het aanklagen en pleiten voor straffen. Misdrijven worden het best bestreden door ze te voorkomen, en misdrijven voorkomen doe je door mensen al van heel jong af met liefde en aandacht te omringen. Daar zijn tegenwoordig zelfs wetenschappelijke methodes voor die werken, jammer dat ze door dit kabinet zijn wegbezuinigd.

Maar een beetje liefde kunnen we zelf ook uitstralen. Misdaad bestrijden begint in de wieg. Wie kinderen al jong mishandelt kweekt mishandelaars, wie kinderen misbruikt loopt de kans misbruikers te kweken. Aan alle volwassenen dus de taak om goed op te letten op de kinderen om ons heen. Zijn dat wel de zorgeloze vrolijke kinderen die in een veilige omgeving opgroeien? Of zijn het angstige wezentjes die elk contact met volwassenen mijden en zich in zichzelf opsluiten? Wij zijn inderdaad elkaars hoeder. Niet dat anderen moeten doen en leven als wijzelf, niet dat we anderen de regels moeten opleggen die we onszelf opleggen, maar wel dat we zo meeleven en zorgen voor anderen als we voor onszelf gezorgd en met onszelf meegeleefd zouden willen hebben.