Selecteer een pagina

Psalm 69:14-30

14 En nu, HEER, richt ik mijn gebed tot u, laat dit een uur zijn van mededogen. Groot is uw ontferming, God, antwoord mij, toon uw trouw en red mij. 15 Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink, laat mij ontkomen aan wie mij haten, haal mij uit dit diepe water. 16 Laat de stroom mij niet meesleuren, het slijk mij niet verzwelgen, de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten. 17 Antwoord mij, HEER, u bent genadig en goed, keer u tot mij, zie mij in erbarmen aan. 18 Verberg uw gelaat niet voor uw dienaar, antwoord mij snel, want de angst benauwt mij. 9 Wees mij nabij en bevrijd mij, verlos mij van mijn vijanden. 20 U kent mijn smaad, mijn schande, mijn schaamte, al mijn belagers staan voor u. 21 Smaad heeft mijn hart gebroken, ik ben radeloos, ik hoopte op mededogen-vergeefs; op troost-die ik niet vond. 22 Nee, ze mengden gif door mijn eten en lesten mijn dorst met azijn. 23 Laat hun tafel hun valstrik worden en een valkuil voor hun vrienden. 24 Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, beroof hun lendenen van alle kracht. 25 Stort over hen uw toorn uit, laat hen aan uw woede niet ontkomen. 26 Maak hun woonplaats tot een woestenij, verdrijf uit hun tenten de laatste bewoner. 27 Want zij vervolgen wie u hebt geslagen, en wegen het leed van wie door u is verwond. 28 Voeg dit alles toe aan hun schuld, sluit hen uit van uw genade, 29 schrap hun namen uit het boek van het leven, laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen. 30 Ik ben verzwakt, ik ben verwond, maar uw hulp, o God, zal mij beschermen. (NBV) 

We zijn ook vandaag nog niet van het klaaglied af. Want waar kun je over klagen. over je vijanden, die je niet tot je recht laten komen. Neem nu de dichter van deze psalm. Hij is verzwakt en verwond. Misschien is dat wel het werk van God. Maar waarom komen de mensen hem niet tot hulp. Nee ze beschuldigen hem, ze vervolgen hem. Ze vergiftigen zijn eten en geven azijn te drinken. Het komt ook vandaag de dag nog voor. Als je ziek bent of gehandicapt dan is dat een straf van God zeggen sommigen. Mensen gaan nu eenmaal graag op de stoel van God zitten en vinden dat normaal ook. De Bijbel spreekt een andere taal. Toen aan Jezus eens gevraagd werd of een verlamde door God gestraft werd vanwege zijn eigen zonden of vanwege de zonden van zijn ouders riep Jezus dat het helemaal niet ging om de zonden, maar opdat de heerlijkheid van God duidelijk zou worden en hielp vervolgens de verlamde weer op weg. 

Zo mogen wij ook nog wel eens kijken naar onze zieken en gehandicapten. De mensen die aangewezen zijn op verpleging en verzorging. Zijn zij ons niet alles waard? Kunnen ook wij niet zeggen dat de liefde die God ons gegeven heeft zichtbaar wordt in de wijze waarop wij zorg en verpleging beschikbaar stellen aan hen die het nodig hebben? Dus komt in onze dagen aan het licht hoe onze samenleving in elkaar zit. Kijk maar eens rond in de verpleeghuizen. Overbelast personeel kan nauwelijks de zorg verlenen die nodig is. Wij leven in een samenleving van ikke ikke ikke en de rest kan stikken. De zorg wordt de rijken te duur. Wie alles voor een ander over heeft dreigt drie dagen preventief opgesloten te worden wegens gevaarlijk gedrag. Je moet immers voor jezelf leven, in grote auto’s zo hard mogelijk rijden zonder je aan de snelheidsregels te houden, die regels zijn alleen voor de armen. 

Moet je de zorg voor jezelf voorop stellen en de ander maar laten barsten? De dichter doet een beroep op de God van Israël. Die God heeft ontferming, ook voor slechte mensen, hij laat het regenen voor de goeden en de kwaden. Tot die God mag je roepen om je niet te laten verdrinken in een zee van kwaad. Aan die God mag je vragen om je recht te doen. Dan zal die God je genezen van je blindheid en al die goede mensen laten zien die het kwade met het goede bestrijden. Want die mensen zijn er ook, die schreeuwen niet, die laten zich er niet op voorstaan, die zijn niet uit op eigen heil en eigen verlossing. Ze proberen mensen in nood weer tot hun recht te laten komen. Die mensen zien we in deze dagen de straat op gaan. Niet altijd omdat ze zelf of hun kinderen worden gediscrimineerd maar omdat ze niet willen leven in een samenleving waar discriminatie getolereerd wordt. Onverschillig blijven voor het kwaad is er aan meedoen. Dat mogen we best van deze Psalm leren.