Selecteer een pagina

Exodus 5:1-18

1 Hierna gingen Mozes en Aäron naar de farao, en ze zeiden tegen hem: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Laat mijn volk gaan, om in de woestijn ter ere van mij een feest te vieren.’ 2 ‘Wie is die HEER, dat ik hem zou gehoorzamen?’ vroeg de farao. ‘Waarom zou ik de Israëlieten laten gaan? Ik ken de HEER niet en de Israëlieten laat ik niet gaan.’ 3 Ze zeiden: ‘De God van de Hebreeën is naar ons toe gekomen. Sta ons toe drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, onze God, daar offers te brengen. Anders treft hij ons met de pest of met het zwaard.’ 4  Maar de koning van Egypte zei: ‘Mozes en Aäron, hoe durft u het volk van zijn werk af te houden? Vooruit, aan het werk!’ 5  En hij voegde eraan toe: ‘Dat volk is nu al veel te talrijk, en dan wilt u ook nog dat ze ophouden met werken!’ 6  Nog diezelfde dag gaf de farao zijn slavendrijvers en de opzichters dit bevel: 7 ‘Jullie mogen het volk geen stro meer geven om stenen te maken, zoals jullie tot nu toe deden; voortaan moeten ze zelf stro gaan zoeken. 8 Maar eis wel evenveel stenen van hen als altijd, het mag er niet één minder zijn. Ze zijn lui! Daarom roepen ze dat ze hun God offers willen gaan brengen. 9 Ze moeten harder aan het werk gezet worden, dan hebben ze geen tijd meer om naar zulke verzinsels te luisteren.’ 10  De slavendrijvers en opzichters brachten aan het volk over wat de farao had gezegd: dat hij hun voortaan geen stro meer gaf, 11 en dat ze zelf stro moesten zien te vinden maar geen steen minder mochten afleveren. 12  Daarop zwermden de Israëlieten over heel Egypte uit om stoppels te zoeken ter vervanging van het stro. 13 En de slavendrijvers joegen hen op en eisten dat ze iedere dag evenveel werk zouden afleveren als toen ze het stro nog kregen. 14  De Israëlitische opzichters die door de slavendrijvers van de farao over het volk waren aangesteld, werden afgeranseld; zij kregen te horen dat ze de laatste dagen niet hetzelfde aantal stenen hadden afgeleverd als tevoren. 15  Ze klaagden hun nood bij de farao. ‘Waarom behandelt u uw dienaren zo?’ zeiden ze. 16 ‘We krijgen geen stro meer, en toch worden we gedwongen om stenen te maken. En wij worden afgeranseld, terwijl de schuld bij uw volk ligt.’ 17  Maar de farao antwoordde: ‘Lui zijn jullie, alleen maar lui! Daarom willen jullie offers aan de HEER gaan brengen. 18 Vooruit, onmiddellijk aan het werk! Jullie krijgen geen stro, en jullie leveren hetzelfde aantal stenen.’ (NBV) 

Als je met een andere partij onderhandelt is het meestal verstandig om het belang van die andere partij in de gaten te houden. Soms levert het eigen belang van de andere partij argumenten op om je eigen wensen gerealiseerd te krijgen. Mozes en Aäron hebben voor deze onderhandelingsstrategie oog maar ze bereiken er iets anders mee. Ze vertellen de Farao niet direct dat zijn eerstgeboren zoon zal sterven zoals Mozes was opgedragen en ze gaan ook niet vragen aan de Farao om zomaar het volk te laten gaan naar het beloofde land aan de andere kant van de woestijn. Nee ze vragen de Farao om een bedevaart te mogen maken, zoiets als de hadj, de bedevaart naar Mekka. Mozes en Aäron willen in de woestijn een feest vieren voor hun met name genoemde God. Want overal waar in de Nieuwe Bijbelvertaling HEER staat, staat in de Hebreeuwse grondtekst de Naam die Mozes bij de Horeb te horen had gekregen, JHWH. 

Drie dagen ver zouden ze de woestijn in moeten trekken om daar offers te brengen. Offers om een God gunstig te stemmen, om wat van een God gedaan te krijgen, het soort godsdienst waar de Farao van weet. Ook de Farao en de priesters van Egypte brengen tal van offers. Offers voor regen, offers voor de oogst, offers voor het op tijd stijgen en overstromen van de Nijl en offers voor de goede reis van de overledenen naar het dodenrijk. De Hebreeën van Mozes en Aäron moeten offers brengen om hen te beschermen tegen de pest of het zwaard. Dat lijkt in het belang van de Farao. Gezonde slaven presteren immers meer dan dode slaven. Aan die hoop klampten in de tweede wereldoorlog gedeporteerden zich vast, ze moesten gaan werken en werken kon je alleen als je nog in leven zou zijn. Maar de Farao van Egypte heeft een vergelijkbaar doel met de Nazi’s. Hij vindt het volk van Mozes en Aäron veel te talrijk en de pest en het zwaard zouden hem welkom zijn. Aan het werken voor de Farao ging het volk al dood en als daar pest en zwaard als oorzaken bij kwamen dan kon het niet hard genoeg gaan. Daarom worden de slaven nog harder aan het werk gezet, daarom krijgen ze extra taken als het zelf zoeken van stro en natuurlijk wordt de productie niet verminderd, nee die wordt eerder nog opgevoerd.

Was het nu onverstandig van Mozes en Aäron rekening proberen te houden met het belang van de Farao? Hun vragen heeft immers groter lijden tot gevolg gehad? Als je dat denkt dan ben je in de val van de Farao getrapt. Het doel van de Farao was namelijk niet het werk en de productie van de slaven maar de dood van de slaven en het verminderen van hun aantal. En als we ze negatieve eigenschappen toedichten, ze zijn lui, dan mag dat volgens de Farao ook maar. Niet een onhandigheid of een onvermogen om te onderhandelen van Mozes en Aäron wordt hier duidelijk maar de verborgen agenda en het slechte karakter van de Farao worden hier duidelijk. Beroerd is natuurlijk wel dat we o zo vaak niet naar deze negatieve uitkomsten willen kijken. Zo zijn er in onze dagen partijen die roepen dat ze orde en rust willen hebben terwijl ze er alleen maar op uit zijn om alle allochtonen uit ons land te verwijderen. Die verborgen en kwade agenda wordt vaak te weinig blootgelegd en als die wordt blootgelegd niet geloofd. Er zijn heel veel mensen en heel veel acties voor nodig om iedereen duidelijk te maken hoe het echt zit. De geschiedenis van Mozes zou ons duidelijk kunnen maken dat het ook met veel leed en ellende gepaard kan gaan. Leed en ellende die we ons kunnen besparen als we vandaag nog aan het werk gaan met het ontmaskeren van het kwade.