Selecteer een pagina

Jozua 8:1-13a

1 De HEER zei tegen Jozua: ‘Maak je gereed om met het voltallige leger tegen Ai ten strijde te trekken. Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen. Ik lever de koning van Ai met heel zijn leger, heel zijn stad en heel zijn gebied aan je uit. 2  Doe met Ai en de koning hetzelfde als wat je met Jericho en de koning hebt gedaan. Maar nu mogen jullie de goederen en het vee voor jezelf buitmaken. Laat een troepenmacht zich verdekt achter de stad opstellen.’ 3 Jozua en het leger maakten zich toen gereed om tegen Ai ten strijde te trekken. Jozua koos dertigduizend soldaten uit, die hij ‘s nachts naar Ai stuurde. 4  ‘Stel je verdekt op achter de stad, ‘beval hij hun, ‘maar niet al te ver ervandaan. Blijf paraat. 5  Wanneer ik met het leger de stad nader, zullen ze net als de vorige keer op ons afkomen. Dan slaan we voor hen op de vlucht.  6  Ze denken dan natuurlijk dat we net als de vorige keer echt vluchten en zullen ons achterna komen. We vluchten net zo lang tot we ze van de stad hebben weggelokt. 7  Dan moeten jullie te voorschijn komen en haar innemen. De HEER, jullie God, zal jullie de stad in handen geven. 8  Dus neem haar in en steek haar in brand, zoals de HEER heeft opgedragen. Dit zijn jullie orders.’ 9  Hierna liet Jozua de mannen vertrekken, die zich ten westen van Ai, tussen Ai en Betel, verdekt opstelden. Jozua zelf sliep die nacht bij het leger. 10  De volgende ochtend vroeg inspecteerde Jozua het leger. Daarna trok hij samen met de oudsten van Israël aan het hoofd van het leger ten strijde naar Ai. 11  Al het krijgsvolk rukte met hem op, en toen ze in de omgeving van Ai waren gekomen, sloegen ze hun kamp op ten noorden van de stad. Ze werden alleen van haar gescheiden door een dal. 12  Verder liet Jozua ongeveer vijfduizend man zich ten westen van de stad, tussen Ai en Betel, verdekt opstellen. 13  Daar bevond zich dus de achterhoede van het leger, terwijl het leger zelf zijn kamp ten noorden van Ai had opgeslagen. (NBV)

Waar de besmetting met hebzucht toe kan leiden beginnen we vandaag te lezen. Het is een bekend verhaal, knappe generaals verzinnen listen om de overwinning te behalen en het overwinnende leger gaat dan plunderen. Dit keer mag het van God. De knappe listen waarmee Jozua op de proppen komt worden toegeschreven aan de God van Israël. Dezelfde God die het volk had geboden niet te doden, dezelfde God die bij Jericho het volk een geweldloze overwinning had geschonken. Het volk had dit zich niet eigen gemaakt. De zucht naar goud en goederen was sterker geweest dan de liefde voor de God van Israël. Toch laat die God niet af met dat wat hij begonnen is, het land te schenken aan het volk dat hij gekozen heeft om zijn Naam groot te maken onder de volken.

Nu is van achteren aanvallen een gemene truc. Israël had in de woestijn de Amelekieten ontmoet die de woestijnzwervers geen water en doortocht hadden verleend maar integendeel hen in de rug hadden aangevallen. De Amelekieten hadden daarmee een eeuwige haat van Israël over zich afgeroepen. Amelekiet was het scheldwoord geworden waarmee iedereen werd aangeduid die het volk kwaad had willen doen en in de Bijbel vind je daarvan de sporen terug in bijna elk verhaal dat over strijd ging. Niet in het verhaal van vandaag, in de strijd tegen Ai is het God zelf die het volk opdraagt om zich verdekt op te stellen achter de stad. Het is een strategie geworden die in talloze oorlogen is herhaald. Lok de tegenpartij weg bij de plaats die ze wil verdedigen en sla dan toe met troepen die je verdekt hebt opgesteld.

Jozua zorgt er voor dat er voor het leger van Ai geen ontsnappen mogelijk is. Maar wat moeten we met dit verhaal. Uit alle volken in de wereld en uit elke geschiedenis sinds mensenheugenis vallen dergelijke verhalen te vertellen. Het innemen van Jericho spreekt ons vandaag de dag meer aan. We herdenken de mars van Martin Luther King in Selma. De macht van de demonstranten daar lag juist in hun geweldloosheid. Tegelijk herinneren we de tocht die Gandi maakte dwars door India om de zoutbelasting te ontlopen, ook hij werd machtig door zijn geweldloosheid. Het inzetten van legers, het verzinnen van listen om de ander in de val te lokken brengt slechts leed en ellende. Dat de bevolking van Ai dat land dat overvloeide van melk en honing niet wilde delen had tot gevolg dat ze er aan zouden sterven, maar dat een volk van de God van Israël zoveel leed zou moeten veroorzaken valt ons telkens weer tegen. Misschien dat die verhalen daarom worden verteld, om ons te leren afschuw te krijgen van al dat militarisme en op zoek te gaan naar geweldloze wegen om maatschappelijke conflicten op te lossen