Selecteer een pagina

Hosea 6:4-11a

4 Wat moet ik met je beginnen, Efraïm? Wat moet ik met je beginnen, Juda? Want jullie liefde is als een ochtendnevel, als dauw die ‘s morgens vroeg verdwijnt. 5  Daarom heb ik jullie gedood met de woorden die ik sprak, jullie neergehouwen door mijn profeten; zo brak het volle licht van mijn recht door. 6  Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer. 7  Maar zij hebben het verbond met mij geschonden, zoals eens in de stad Adam: daar waren ze mij al ontrouw. 8  Gilead is een broeinest van misdadigers, een stad vol bloedsporen. 9  De priesters liggen als een bende rovers op de loer, plegen moorden op de weg naar Sichem. Gruwelijk is het wat ze doen! 10  Bij het volk van Israël heb ik afschuwelijke dingen gezien: Efraïm is overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 11  Ook jij, Juda, zult oogsten wat je hebt gezaaid. (NBV) 

Vandaag lezen we een stukje uit het boek Hosea, zoals het opgetekend staat in het twaalfprofetenboek. Vroeger noemden we die de “kleine profeten” maar hoewel elk deel van dat boek gaat over één profeet hebben die ook met elkaar te maken. Het boek is rond de ballingschap ontstaan. Hosea riep voor de belingschap het volk tot Gods orde. Het rijk van David en Salomo was uiteengevallen in twee delen. Israël, waar de stam van Efraïm de boventoon voerde, en Juda. Juda had Jeruzalem als hoofdstad en Israël Gilead. 

Nu waren de inwoners van Israël en Juda zich best bewust dat zij de God van Israël hadden verlaten en daardoor zijn bescherming waren gaan missen. Elke morgen verzamelden ze zich bij de Tempel in Jeruzalem of bij het heiligdom in Gilead. Ze brachten offers, scheurden hun kleren en strooiden as op hun hoofd. Maar dan gingen ze gewoon weer aan het werk. Ze waren vroom voor God geweest maar de mensen konden hen verder niet schelen. En daar komt Hosea namens God tegenop. God houd niet van uiterlijk vertoon. Op zondag in een net pak of een mooie jurk naar de kerk heeft lang niet altijd met geloof te maken.

Liefde voor de medemens is de sleutel en het teken van geloof in de God van Israël. God heeft alle mensen lief, de weduwe en de wees, de armen en gehandicapten en de vreemdelingen onder ons. Als die liefde niet dag en nacht zichtbaar is dan is er geen sprake van geloof in die God. Het verbond houdt immers in dat God het ons mogelijk maakt zijn kinderen lief te hebben. Daarvoor komen we bij elkaar, daarvoor lezen we oude verhalen als die van Hosea, daar zingen we over. Dankbaar zijn we als het lukt om de bedroefden te troosten, de uitgestotenen weer op te nemen in onze samenleving, de vreemdelingen gastvrij te ontvangen. Het fatsoen dat velen als teken van geloof zien is voor Hosea een masker voor  misdaden. Laten wij het masker afzetten en weer gaan werken aan de liefde voor de medemens.