Selecteer een pagina

Jesaja 59:1-8

1 De arm van de HEER is niet te kort om te redden, zijn gehoor niet te zwak om te luisteren- 2 jullie wangedrag is het dat jullie en je God uit elkaar heeft gedreven; door jullie zonden houdt hij zich verborgen en wil hij je niet meer horen. 3 Want jullie handen zijn besmeurd met bloed, je vingers bezoedeld door wandaden, je lippen spreken leugens, je tong prevelt bedrog. 4 Geen aanklacht is nog zuiver, geen rechtszaak wordt eerlijk gevoerd. Ze vertrouwen op leegte en spreken bedrieglijke taal, ze zijn zwanger van onrecht en baren misdaad. 5 Ze broeden slangeneieren uit, ze weven spinnenwebben. Wie hun eieren eet zal eraan sterven; als er een wordt ingedrukt, komt er een adder uit. 6 Hun spinnendraden zijn ongeschikt voor kleding, wat zij maken kan niet worden aangetrokken. Hun daden zijn heilloze daden, hun handen staan naar geweld. 7 Hun voeten snellen naar het kwaad, ze haasten zich om onschuldig bloed te vergieten. Hun plannen zijn heilloze plannen, verwoesting en rampspoed vergezellen hen. 8 De weg van de vrede kennen ze niet, waar zij gaan is geen recht te ontdekken. Ze begeven zich op kronkelpaden; wie daarop wandelt kent geen vrede. (NBV) 

Waar gaat dit over? Dat is niet zo moeilijk, het gaat over onrecht en wandaden. Maar over wie gaat dit? Dat is wat ingewikkelder. De profeet Jesaja schreef niet een verhaal aan ons maar aan de mensen van zijn tijd. De mensen die terugkeerden uit de ballingschap in Babel en de mensen die teruggekeerd waren na hun vlucht uit Egypte. Ze hadden Jeruzalem weer opgebouwd, waren aan het werk en aan het handelen geslagen maar leken de opdracht de Tempel te herbouwen vergeten te zijn. Nu was dat ook niet zo vreemd. Jeruzalem was behoorlijk verwoest. Het opbouwen van de nieuwe samenleving ging ook met weerstand gepaard. De afstammelingen van de mensen die achter waren gebleven hadden hun eigen leven opgebouwd. Ze hadden er nooit meer aan gedacht dat hun land en hun volk een nieuwe start zouden kunnen maken. De omringende volken ergerden zich aan de pretenties. Was dit volk niet weggevoerd? Had die God waar ze altijd zo van opgegeven hadden hen niet in de steek gelaten? Was zelfs die prachtige Tempel in Jeruzalem niet samen met de stad verwoest? 

Wat was er overgebleven van het idee dat die God van Israël de enige God op aarde was en dat de Tempel in Jeruzalem het middelpunt van de aarde zou moeten zijn waar alle volken zich naar moesten richten? Die weerstand had haar invloed op het volk. Van een gemakkelijke wederopbouw van het verwoeste land was geen sprake. Waar bleef die God dan die ze zo bejubeld hadden? In het gedeelte van vandaag lezen we het antwoord van de profeet. Het zal aan God niet liggen maar je moet er wel wat voor doen. Het zijn je eigen wandaden, leugens en onrecht, die de wederopbouw tegenhouden. Onrechtvaardige en oneerlijke rechtszaken, waar rijken bevoordeeld worden boven de armen. Gekonkel om machtsposities ten koste van de zwaksten. Geweld tegen weerlozen. Geen mens komt meer tot zijn recht in de samenleving die ze zijn begonnen. 

We weten van de strijd die was ontbrand tussen de mensen uit Babel en de mensen uit Egypte. In plaats van samen te werken probeerden ze elkaar de loef af te steken. Door het benadrukken van de verschillen werd een kloof in de samenleving gedreven die de ontwikkeling tegen hield. En daar wordt de profeet universeel. Want onrecht, geweld, oneerlijkheid en het drijven van een kloof tussen groepen mensen zijn altijd al de wapens van machthebbers en dictators, tegenwoordig terroristen en populisten genoemd. Wie tegen hen is wordt neergesabeld. Wie niet achter hen aanloopt maar blijft geloven in een rechtvaardige en eerlijke samenleving waarin iedereen thuis kan zijn wordt verguisd. Daar ligt dus ook een keuze voor ons. Lopen wij achter dit soort machthebbers aan? Laten we ons inpakken door de goedkope rethoriek van populisten of ons bang maken door zogenaamde terroristische aanslagen? Of houden we vast aan het Koninkrijk van de God van Israël. Elke dag opnieuw hebben we die keuze, ook vandaag weer.