Selecteer een pagina

Exodus 25:1-9

1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Vraag de Israëlieten mij geschenken te geven; neem van ieder die daartoe bereid is een bijdrage in ontvangst. 3 Je moet het volgende van hen vragen: goud, zilver en koper, 4 blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, fijn linnen garen en geitenhaar, 5 rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout,6 lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers, 7 onyxstenen voor de priesterschort en edelstenen voor de borsttas.8 De Israëlieten moeten een heiligdom voor mij maken, zodat ik te midden van hen kan wonen. 9 Ik zal je een ontwerp laten zien van de tabernakel en van alle voorwerpen die bij deze tent horen; houd je daar nauwkeurig aan. (NBV)

In het boek Exodus wordt benadrukt dat het volk dat door de woestijn trekt maar één koning kent. De God van Israël die met zijn sterke arm het volk uit het slavenhuis had bevrijd. Nu wordt hoorbaar en zichtbaar gemaakt dat die God inderdaad de koning is, de Godkoning zoals ook de andere koningen van de wereld zich graag als goden voordoen. Eerst is er een verbond gesloten tussen de Godkoning en zijn volk. Bij opgravingen zijn diverse voorbeelden gevonden van teksten van verbonden tussen een koning en zijn onderdanen. Teksten die voor wat de verplichtingen van het volk niet eens veel afwijken van de tekst van het verbond zoals dat in de hoofdstukken hiervoor wordt beschreven. Er is wel een groot verschil. De Godkoning van Israël beloofd het volk in vrijheid te houden. De koningen van de rest van de wereld vragen alleen gehoorzaamheid.

Maar een koning heeft een paleis. Daar is een grote zaal waar onderdanen problemen en geschillen kunnen voorleggen, hun belasting kunnen aanbieden en waar de koning dan rechtspreekt. Veel koningen bezwijken dan voor de verleiding om recht te spreken in het voordeel van de grootste belastingbetalers, de rijken. Ook de Godkoning van Israël verdient een dergelijk paleis. Omdat het volk nog door de woestijn trekt op weg naar het land dat de God van Israël hen heeft beloofd moet ook dat paleis verplaatsbaar zijn. Het is hier niet de koning die het volk beroofd om een zo mooi mogelijk paleis te bouwen maar het is het volk dat voor het ontmoeten van hun Godkoning een paleis bouwt. Hun Godkoning gaat immers alle verstand te boven en woont dus niet zelf in de Tent der Ontmoeting maar weet waar het volk hem zal willen ontmoeten.

In het gedeelte dat we vandaag lezen worden de materialen genoemd die horen bij een paleis van de Godkoning van het kaliber van de God van Israël. Dat paleis is tegelijk een heiligdom, bij Israël is de God koning geworden en niet de koning God geworden. De nadruk ligt dan ook op de godsdienst die in dat paleis centraal zal staan. Recht wordt er door de levieten gesproken, de hulpen van de priesters. In dat nieuwe land zullen die levieten in elke stad te vinden zijn. Zij zullen zich moeten baseren op de tekst van dat verbond. Maar ook op de verhalen die daarbij horen. Uiteindelijk zullen de eerste vijf boeken van wat wij de Bijbel zijn gaan noemen de basis gaan vormen voor de omgang tussen mensen en volken en voor de omgang van het volk met haar God. Als het volk een koning vraagt zoals de andere volken hebben dan is het eerste antwoord dat Israël al een koning heeft de God van Israël. Ook Christenen geloven dat die God uiteindelijk via zijn zoon alle macht in hemel en aarde heeft. De regel die wij daarbij mogen volgen is het liefhebben van onze naaste als onszelf, elke dag opnieuw.