Selecteer een pagina

Exodus 6:26-7:13


26  Deze Aäron en Mozes waren het aan wie de HEER de opdracht gaf om de Israëlieten, in groepen geordend, uit Egypte te leiden. 27  Deze Mozes en Aäron waren het die de farao, de koning van Egypte, toestemming vroegen om de Israëlieten uit zijn land weg te leiden. 28  Toen de HEER zich in Egypte tot Mozes richtte, 29  zei hij: ‘Ik ben de HEER. Alles wat ik tegen je zeg, moet je overbrengen aan de farao, de koning van Egypte.’ 30  Mozes antwoordde: ‘Ik kom zo moeilijk uit mijn woorden, de farao zal niet naar me luisteren.’ 1 Maar de HEER zei: ‘Ik zal ervoor zorgen dat jij als een god voor de farao staat, en je broer Aäron zal je profeet zijn. 2  Jij moet Aäron alles zeggen wat ik je opdraag, en hij moet het woord voeren en de farao vragen de Israëlieten uit zijn land te laten vertrekken. 3  Ik zal ervoor zorgen dat de farao hardnekkig weigert, en ik zal in Egypte veel tekenen en wonderen verrichten. 4  Ook dan zal de farao niet naar jullie luisteren. Daarom zal ik de Egyptenaren mijn macht laten voelen en hen zwaar straffen, en ik zal mijn volk, de Israëlieten, in groepen geordend uit Egypte leiden. 5  De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de HEER ben, als ik mij tegen hen keer en de Israëlieten bij hen weg leid.’ 6  Mozes en Aäron deden alles wat de HEER hun opdroeg. 7  Mozes was tachtig jaar en Aäron drieëntachtig toen zij zich tot de farao richtten. 8 De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 9  ‘Als de farao jullie om een wonder vraagt, moet jij, Mozes, tegen Aäron zeggen dat hij voor de ogen van de farao zijn staf op de grond gooit; die staf zal dan een grote slang worden.’ 10  Mozes en Aäron gingen naar de farao en deden wat de HEER hun had opgedragen. Voor de ogen van de farao en zijn hovelingen gooide Aäron zijn staf op de grond, en de staf veranderde in een slang. 11  De farao liet op zijn beurt de geleerden en tovenaars komen, en deze Egyptische magiërs bereikten met hun toverformules hetzelfde. 12  Ieder gooide zijn staf neer, en elke staf veranderde in een slang. Maar de staf van Aäron verslond alle andere staven. 13  Toch bleef de farao onverzettelijk, hij wilde niet naar Mozes en Aäron luisteren, zoals de HEER gezegd had. (NBV) 

Goden zeggen niks, goden zwijgen. Merkwaardig om vast te stellen in een Bijbelgedeelte waar een voortdurend gesprek tussen Mozes en zijn God plaatsvindt. Maar dat is dus kennelijk een soort gesprek dat anders is als het gesprek tussen twee mensen. Want als Mozes echt naar de Farao moet dan verschijnt hij daar als een God, zwijgend. Zijn broer Aäron doet het woord. Niet dat de Farao luistert maar dat valt te verwachten. Aäron is de tweede die in het verhaal van de mensen, zoals het in de Bijbel wordt verteld, als profeet wordt aangeduid, aanzegger namens God, hij die vertelt hoe het af zal lopen. De eerste die zo werd genoemd was Abraham. Aäron moet de Farao duidelijk maken dat het slecht met hem zal aflopen en met zijn volk, als hij blijft weigeren het volk Israël te laten gaan. Maar waarom eigenlijk? Er staat dat God zelf het hart van de Farao verhardt, wat is dan nog zijn misdaad?  Het is een vraag waar de geleerden zich eeuwen over hebben gebogen.  

Een enkeling stelt dat de Farao zoveel van de armsten had kunnen houden dat hij zich met veel berouw en scheuren van kleren tegen die verharding van zijn hart had kunnen verzetten. De grootsheid en de macht van de Liefde van de God van Israël moesten immers tot uitdrukking worden gebracht. Dat is in elk geval het doel van de hele geschiedenis. De bevrijding van Israël is niet zomaar iets. Daar zijn offers voor gebracht, daar is veel strijd voor gestreden en veel leed voor geleden. En hoe harder de Egyptenaren hun hart lieten verharden, hoe meer zij toegaven aan de weerstand hun slaven te laten gaan, hoe meer ze toegaven dat die goedkope arbeidskrachten uiteindelijk nog belangrijker waren dan de angst voor het vreemde in dit volk, de angst om door een volk met een ander geloof overheerst te gaan worden, hoe harder de Egyptenaren zelf moesten lijden onder het lijden van Israël. Ze zullen moeten leren ondervinden dat uiteindelijk alleen de liefde voor mensen het conflict kan oplossen. Die liefde van de God van Israël zal uiteindelijk de bevrijding blijken te brengen.  

Bevrijding dan niet alleen voor het volk van Israël maar ook bevrijding voor het volk van Egypte dat in haar eigen hardheid gevangen was geraakt. Zo gingen Mozes en Aäron dus op stap, twee eerbiedwaardige woestijnbewoners, Mozes van 80 jaar en Aäron van 83 jaar oud. Ze gingen in de wetenschap dat bevrijding van de armen geen gemakkelijke taak zou worden, dat van een bliksembevrijding geen sprake zou kunnen zijn. Dat is iets wat bij ons nog wel eens wordt vergeten. Als er dan een God is die van mensen houdt, waarom sterven dan zoveel mensen van de honger, waarom wonen mensen in Haïti jaren na de natuurrampen dan nog in kartonnen dozen, waarom zijn zelfs de wonden van veel kinderen nog niet verzorgd. Wij hebben toch veel geld gegeven? Maar ook in onze dagen kan van bliksemredding geen sprake zijn. Telkens wordt ook ons de vraag gesteld of we niet meer hadden kunnen doen, of we ons geven niet hadden afgestemd op onze eigen behoefte aan plezier in plaats van aan de nood die zich voordoet aan onze zusters en broeders. Die vraag wordt ons elke dag gesteld, tot wij niet ophouden te roepen om gerechtigheid, dan pas kan er een begin worden gemaakt. Laat ons hopen dat die dag vandaag komt.