Selecteer een pagina

Psalm 18:36-51

36 U was het schild dat mij redde, uw rechterhand ondersteunde mij, uw woord maakte mij sterk, 37 u baande de weg voor mijn voeten, ik wankelde niet. 38 Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd, 39 ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op, dood lagen ze onder mijn voeten. 40 U hebt mij omgord met kracht voor de strijd, mijn tegenstanders voor mij doen buigen, 41 u liet mij de rug van mijn vijanden zien, mijn haters, ik roeide ze uit. 42 Ze riepen om hulp, maar er was geen redder, ze riepen de HEER, maar hij antwoordde niet. 43 Ik verpulverde hen tot stof in de wind, veegde hen weg als vuil van de straat. 44 U bevrijdde mij van een opstandig volk, stelde mij aan tot hoofd van de naties. Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich, 45 gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde. Vreemdelingen toonden zich onderdanig, 46 vreemde volken verloren hun kracht, bevend kwamen zij uit hun burchten. 47 De HEER leeft, geprezen zij mijn rots, hoogverheven is God, mijn redder. 48 De God die mij wraak liet nemen, dwong volken op de knieën, 49 bevrijdde mij van mijn vijanden, verhief mij boven mijn tegenstanders, ontrukte mij aan mannen van geweld. 50 Daarom wil ik u prijzen te midden van de volken, HEER, een loflied zingen tot eer van uw naam. 51 Hij schenkt zijn koning grote overwinningen, betoont zich trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht, voor altijd. (NBV) 

“Mijn schild en mijn betrouwen zijt Gij o God mijn Heer” Zo staat het in zesde couplet van ons volkslied dat vaak gezongen wordt bij gelegenheden met een meer religieus karakter. Het gaat daarbij dan natuurlijk vooral over de verdrijving van de tirannie die het hart doorwond. Het slotgedeelte van deze psalm die we vandaag met de kerk meezingen geeft dezelfde boodschap weer. God heeft ons bevrijd van de vijanden, van mannen van geweld. Maar het is goed om nog even te zien hoe die God dat dan gedaan heeft. Het is de God die de psalmdichter wraak liet nemen. In de verhalen over Saul en David, waar we deze Psalm immers ook terug kunnen vinden, gaat het er altijd over dat voordat er een slag geleverd wordt eerst de goedkeuring van de God van Israël gevraagd wordt en na de slag voor de overwinning aan die God dank wordt gebracht. Die oorlogen van Saul en David zijn direct in strijd met het gebod niet te doden. Wel doden leidt volgens de Bijbel niet tot een menselijke samenleving, maar tussen volken is het soms onontkoombaar je met geweld te weer te stellen tegen een gewelddadige vijand. 

Nu zijn machthebbers, tegenwoordig vaak politici, er zeer goed in om een door hen gewenste oorlog tot onontkoombaar te verklaren. Die machthebbers of politici die voor uiterste terughoudendheid pleiten worden als zwak afgeschilderd, theedrinkers waar bloedvergieten op z’n plaats is. Het is dan goed om toch nog eens die verhalen over de oorlogen van Saul en David terug te lezen. Wat dan opvalt is het verbod om buit te maken voor de leider van de oorlog. Saul struikelde uiteindelijk over de wens losgeld te krijgen voor een verslagen koning. Het zelf verdienen aan de strijd wordt als slecht bestempeld. Daarom ook die nadruk op de dankbaarheid aan God. Als het de kracht van God is die je de overwinning brengt dan hoef je jezelf niet boven anderen te verheffen, dan wordt je er zelf niet mooier van, dan hoeft er niemand jaloers te zijn op jouw aandeel in de strijd, een jaloezie die ook een rol speelt in de verhalen over Saul en David. Dat eigenbelang speelt ook vandaag de dag een rol bij gewelddadige conflicten. Olie is in het midden oosten reden om met geweld eigen belangen veilig te stellen en het moet toch een keer opvallen dat oorlog voeren om de belangen van het eigen land veilig te stellen tot een langdurige ellende, ook voor dat eigen land, voert. 

De Psalm besluit met de ontdekking dat de God van Israël trouw blijft aan David en zijn nageslacht. We weten uit het verhaal van de Bijbel dat het omgekeerd niet zo was. De Koningen uit het geslacht van David weken ook af van de Weg van de God van Israël. Slechts af en toe kwam er een Koning die zich wat gelegen liet liggen aan de voorbeelden van de David als het ging om de strijd met machtige volken. Slechts een enkeling durfde meer te vertrouwen op een bondgenootschap met die God dan op een bondgenootschap met andere machtige volken. Het verwerpen van de Weg van de God van Israël leidde uiteindelijk tot het wegvoeren van het volk in ballingschap en de verwoesting van de Tempel en de ballingschap. Maar dat was niet het einde. De God die in deze Psalm wordt bezongen geeft niet op en begint altijd weer opnieuw met zijn mensen. Dat mag ook ons tot troost zijn en vermanen. Ook wij worden geroepen om niet te doden en als het onontkoombaar is het eerst te zoeken bij de God van Israël en niet bij onze eigen belangen. Recht en gerechtigheid voor de minsten op aarde kunnen grote offers van ons vragen, maar die vraag komt dan van God. Die ballingen keerden uiteindelijk terug naar Jeruzalem. Uit het geslacht van David werd uiteindelijk Jezus van Nazareth geboren die alle volken, ook ons, bij de God van Israël betrok. Hij wees het bloedvergieten en de opstand van zijn volk af. Het bracht hem aan het kruis, maar daardoor ontstond er leven en werd de dood overwonnen. Daar mogen we elke dag uit leven, ook vandaag.