Psalm 44:18-27

18 Dit is ons overkomen, maar wij zijn u niet vergeten, uw verbond verloochenden wij niet, 19)ons hart keerde zich niet van u af, onze voeten weken niet van uw pad. 20 Toch hebt u ons naar de jakhalzen verbannen en ons met diepe duisternis bedekt. 21 Hadden wij de naam van onze God vergeten, onze handen uitgestrekt naar een vreemde god, 22 zou God dit niet hebben ontdekt? Hij kent de geheimen van ons hart. 23 Toch worden wij dag na dag om u gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht. 24 Word wakker, Heer, waarom slaapt u? Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig. 25 Waarom verbergt u uw gelaat, waarom vergeet u onze ellende, onze nood? 26 Onze ziel ligt neergebogen in het stof, ons lichaam vastgekleefd aan de aarde. 27 Sta op, kom ons te hulp, verlos ons, omwille van uw trouw. (NBV)

In het eerste deel van deze Psalm hadden we gelezen dat de dichter van de Psalm en zijn volk goed gekeken hadden naar de geschiedenis van het volk en zich de vraag hadden gesteld waar het toch mis was gegaan tussen de God van Israël en het volk dat hij een land overvloeiende van melk en honing had beloofd waar ze in vrede en in vrijheid konden wonen. Dat het mis was gegaan was duidelijk. Ze woonden er niet meer, ze waren  verspreid over de aarde geraakt. Ooit zouden ze wel weer naar dat land Israël terug keren maar dat ooit kwam maar niet. En daar gaat het tweede deel van deze Psalm over. Het is een smeekbede aan God om wat van zich te laten merken. Voor een flink deel van de moderne gelovigen is dat maar een rare smeekbede. Als je het plan dat God met jou heeft volgt, als je je hart aan Jezus hebt gegeven, als je leeft volgens de wil van God, dan zou alles toch goed met je moeten gaan? Dan zijn voorspoed, gezondheid en vrede in je huis wat je te wachten staat. Het is kennelijk een Heidense leugen. Het voor wat hoort wat geloof bestaat niet.

De dichter van deze Psalm is de wanhoop nabij. Hij roept zelfs zijn God om wakker te worden, waarom blijft zijn God slapen? Voor kenners van de Hebreeuwse Bijbel is het een zeer brutale vraag. Ooit stond de profeet Elia op de berg Karmel. Er was drie jaren droogte geweest in het land en welke God zou het laten regenen zodat er een einde zou komen aan de hongersnood. Hij had het opgenomen tegen de vruchtbaarheidsgod van Kanaän, de Baäl. Achter die God was het volk achterna gelopen. Honderden priesters van die afgod hadden zich verzameld en een altaar gebouwd. Ze hadden zich verwond en hun bloed over het altaar gegoten. Maar er gebeurde niets. Spottend vroeg Elia hen toen of hun God misschien sliep. Misschien moesten ze wat harder roepen om hem wakker te maken. Maar ondanks alle inspanningen gebeurde er niks. Toen Elia water over zijn altaar liet gieten kwam er een wolkje en stak de God van Israël met een bliksemstraal zelf het vuur van het kletsnatte altaar aan en het offer en het altaar verbrandden toen.

Dezelfde wanhoop als Elia bespeurde bij zijn tegenstanders is dus ook te vinden bij de dichter van deze Psalm. Het is de wanhoop die we vandaag ook horen van veel mensen die zich afkeren van de God van Israël. Waar is die God in het geweld in Syrië en Irak? Waar is die God in het geweld tussen Israël en Palestina? Waar is die God in West-Afrika in de Ebola epidemie? Waar is die God bij de ALS, MS en kankerpatiënten? Waar is die God bij de onschuldige verkeersslachtoffers? Die oorlogsslachtoffers vallen ook als ze geloven in de God van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth. Geloven zoals Christenen geloven is in heel veel landen in de wereld een gevaarlijke zaak. Ook ziekten breken uit in gelovige gezinnen, geliefden worden ook daar verloren. Ook gelovigen, zelfs op weg naar een dienst voor de naaste, worden slachtoffer in het verkeer. Waarom dan blijven spreken over het pad van de God van Israël? Omdat die God mensen nodig heeft. Mensen heeft geleerd hoe een menswaardige samenleving in te richten waar zorg is voor de ander, waar iedereen mee kan doen, waar vrede heerst en recht. In onze samenleving wordt zorg een last genoemd en wil men alleen betalen voor gevangenen en soldaten, voor dikke  muren en zware wapens. Zo lang wij blijven kiezen tegen de zorg voor de zwaksten en de minsten in de wereld zal God ons niet thuis brengen in het land dat ook ons is beloofd. Elke dag kunnen we een andere keus maken, de keus voor de weg van God, elke dag kunnen we zo gaan leven dat iedereen daar aan mee gaat doen. Dan zal het komen. Zondag breekt de advent uit en gaat de kerk vier weken lang over die verwachting spreken. Ga maar eens luisteren.